Van de straat

Heimwee is een dode letter. Heimwee gaat in zwart gekleed. Op de een of andere manier geloof ik dat herinneringen geen kleur hebben.

Zo was er eens op een zondag een jaar of zeven geleden een generatiedebat in Paradiso georganiseerd. Zeven schrijfsters moesten op het podium vertellen over de wederwaardigheden van hun eigen tijd en met z'n allen zouden we zo een beeld vormen van bijna een eeuw Nederland. Rond een tafeltje zaten de drie gratiën van de oudheid: Willy Corsari, Elisabeth Keesing en Aya Zikken. Daarnaast zaten aan weerszijden van een klein tafeltje, Helga Ruebsamen en ik, zij van vóór de oorlog, ik van vlak erna. Ten slotte kwam de jeugd, vertegenwoordigd door M. Februari en Hermine Landvreugd. ’t Was mooi.
Het gaat er nu om dat Willy Corsari de loftrompet stak over de jaren vijftig. Wederopbouw… alles samen doen… nieuwe tijd… oh, heerlijk. Ik sprong er als een tijgerkat tussen en zei dat voor mij die tijd een grauwe, grijze massa van een verzuilde en benepen samenleving was. Aan de andere kant van mijn tafeltje dat de oorlog symboliseerde viel Helga Ruebsamen me bij. Zij kwam die jaren uit het warme, paradijselijke Indië naar Nederland dat deed alsof er in het geheel geen oorlog had plaatsgevonden en doodgewoon doorging met waar het in de jaren dertig mee was opgehouden. Ruebsamen sprak de onvergetelijke woorden: ‘Het was alsof je met een natte dweil in het gezicht werd geslagen.’
Dat nu is exact het beeld voor menig heimwee.
Suffend in de tram over een regenachtig Rokin werd mijn aandacht gewekt door een pandje waar ik al honderden keren langs moet zijn gereden zonder dat het mij uit mijn slaap vermocht te lokken. Dit keer spande alles, de regen, de drukte, het verlangen om overal elders te mogen zijn dan in de volle, naar natte kleding stinkende tram, de vallende middag met het vuile licht, samen om het in volle omvang te laten opvallen. Daar stond het, op de hoek van de Kromme Elleboogsteeg. Weggezonken naast Peek & Cloppenburg aan de ene en een Plaza-winkelcentrum aan de andere kant hing daar amechtig een stoffig, onbemand en scheef gebouwtje dat nog net genoeg kracht had om de grote neonletters-buiten-werking Het Kantoor te dragen.
Het Kantoor. De kortst mogelijke verzamelnaam voor alle vormen van ongeluk. Rechtdoor naar school en kantoor leerde de radio vroeger, alsof er in kromme zijstraten niets te beleven viel. De naam voor de plaats waar elke geest werd gedood, waar ponskaarten voedsel voor de hersenen en kroketten dat voor de maag waren. Waar je moest verblijven onder neonbuizen totdat buiten het daglicht was verdwenen. Waar elke kleur behalve grijs en bruin verboden was. Waar de pret gestalte kreeg in de vorm van meneer Jaspers, bijgenaamd Kleine Muis. Waar je één keer per jaar bij de kienavond een konijn kon winnen. Waar een schrijver een twaalfdelige roman kon concipiëren in de baas zijn tijd. Waar je na veertig jaar aanwezigheid een gouden horloge kreeg.
Er bestaat nog één exemplaar van, amechtig hangend in zijn hengsels, op de hoek van de Kromme Elleboogsteeg.