Van de straat

Driehonderdvijftig dagen van het jaar regen, wie in zo'n land leeft heeft weinig meer te vrezen. In het noorden en oosten van het land wordt nog zo goed en zo kwaad als het gaat teruggevochten, maar in de grote stad laten de wapens het afweten.

‘Hemeltjelief’, riep een dame die de groenteboer binnen kwam gewaaid, 'volg het spoor van de omgeknakte paraplu’s!’ Ik vond dat plotseling wonderschone poëzie en volgde haar raad op. Inderdaad, zo ver als ik liep zag ik paraplu’s liggen, zwarte, rode, gestreepte, gestipte - zo ver als ik keek was er een linie van paraplu’s, gevallen soldaten. Sommige waren nog gloednieuw; andere waren er aan toe afgedankt te worden, maar allemaal gaven ze tekenen van capitulatie. De vijand kon zonder slag of stoot binnen rukken.
Maar dat tafereel was nog niets vergeleken bij het verdriet dat ik me voorstelde van die onzichtbare jongen. Hij zat aan de andere kant van de telefoonlijn. Door de drukte op het stationsplein kon ik zijn stem niet horen. Het was in het begin van de avond. Trams reden luidruchtig af en aan, overal glansde het licht dubbel, de regen zwiepte met dikke, schuine vlagen langs het tramhaltehuisje waar ik op lijn vier wachtte. Het meisje glipte langs ons heen om ook een droog plaatsje te bemachtigen. Ze sprak in haar mobiele telefoon.
Ze had zich er op gekleed om eens een avond flink uit stappen te gaan: kort rokje, kort jakje, hoge hakken, echte liefde. Haar vriendje aan de andere kant van de lijn zat thuis, stelde ik me voor. Hij had al de hele dag op een telefoontje van haar gewacht. Misschien konden ze vanavond samen uit, had hij gedacht, dansen en drinken en dansen en dan? Hij had de hele week aan niets anders kunnen denken dan hoe ze… Hij had zich een voorstelling gemaakt van wat ze aan zou hebben. Dat had ze dus ook aan.
Het verschil tussen hem en haar was dat hij nog bij moeder thuis zat, terwijl zij al hoog en breed op het stationsplein stond, vastbesloten om een leuke avond te hebben zónder hem, om vorige week als verleden tijd te beschouwen. 'Ik wil best vrienden blijven’, zei ze in haar telefoontje en wipte van rail naar stoep en terug. Vers aangekomen paraplu’s benamen mij het zicht op haar.
Ze wilde best vrienden blijven. Iedereen die deze zin wel eens heeft gehoord, weet wat hij betekent: het is uit, het is over, het is voorbij. Het was leuk zolang als het duurde, maar meer is het voor mij nooit geweest.
Arme jongen, daar aan de andere kant van de lijn. 'Vrienden’, dat woord in het meervoud was het meest rampzalige woord dat hij in lange tijd zou horen. Het was een leeg woord. Als het íets betekende, was het dat zij hem niet wilde, niet meer, nooit meer. Hij begreep het niet.
Zoals Vestdijk zei: 'Waar de paraplu’s het voor het zeggen hebben, is onbegrip bijna een deugd.’