Van de straat

Er dwaalt een dichter in mijn buurt, maar ik ben bang dat hij het niet ver zal brengen.

Hij heeft zijn tekst op een elektriciteitshuisje aan de waterkant van de Prinsengracht geschilderd en een andere op een pui in de Utrechtsestraat, recht tegenover een van de vele cafés waar hij zijn inspiratie heeft opgedaan. Daarmee is niet gezegd dat hij straal bezopen was toen hij zijn schilderskwast pakte, want het handschrift is netjes. Lopend handschrift, dus geen blokletters of graffiti-ijdelheid.
Je vraagt je af waar zo'n dichter tegen sluitingstijd van de cafés zo gauw een schilderskwast vandaan haalt, maar de ware inspiratie kent geen praktische beslommering. ’t Is een jongen van de daad. Zo'n jongen, stel ik me voor, die net aan een of andere alfastudie is begonnen en z'n geluk niet op kan. Vers uit de provinciestad is hij dronken van Amsterdam, dronken van de meesterwerken die hij moet lezen, dronken van zijn voor het eerst gevonden vrijheid. Dat lezen wat hij doet is nog eens wat anders dan lezen voor de lijst. Hij maakt kennis met de Groten van de literatuur.
Daarom schildert hij op de pui: ‘Thomas Mann in the USA is not the same as cognac in fall-time.’ En op het elektriciteitshuisje aan de gracht: 'Hemingway sails fish in.’
Het is zo schattig. Hij heeft van zijn laatste centen een cognac gedronken, of heeft een cognac aangeboden gekregen van iemand en de druiven hebben hem licht in het hoofd gemaakt. Hij heeft met een Amerikaan zitten praten over zijn voorkeur voor Thomas Mann en de Amerikaan heeft daar zijn eigen Hemingway tegenovergesteld. 'Mann is a bore, you know, you should try Hemingway. That’s the real thing.’ En toen had de Amerikaan verteld over The Old Man and the Sea en de dichter had ademloos toegekeken hoe de lijn waar 'the big fish’ aan zat, stukje bij beetje werd binnengehaald in het duel op de eenzame zee. Hij had geluisterd hoe de oude man tegen de vis praatte, die zijn prooi was, maar ook zijn lotgenoot. Een meting van krachten daar op zee, en niets anders dan dat. 'Neem nog een cognac, jongen.’
Verdwenen was Hans Castorp in de bergen van Davos, die de mening was toegedaan dat 'men buiten Hamburg in het Duitse Rijk van strijken geen kaas had gegeten’. Verdwenen was Settembrini en de anderen in het kuuroord voor tbc-lijders. In het hoofd van de dichter leefde alleen nog maar de grote vis en de cognac.
Dus liep hij, ijl in het hoofd, na sluitingstijd de straat op en kalkte zijn regels. Wie vertelt hem dat wat hij schilderde geen poëzie is? Dat cognac niet met Thomas Mann te rijmen is en we wel een 'springtime’ hebben, maar niet een 'fall-time’? Dat 'sails fish in’ niets kan betekenen?
Laat toch niemand dat doen. Zo'n jonge dichter die zich in de nachtelijke uren te buiten gaat aan poëzie, die een verfpot vindt op een tijdstip dat andere mensen slapen, zo iemand legt niemand een strobreed in de weg.