Van de straat

Een schrijver komt, zo wil het bijgeloof, in de hemel en Petrus zegt: ‘(’t is even afzien, maar het went’. Karel van het Reve zou de laatste zijn die er moeite mee had. Hij hoort zich ‘mild’ noemen, en ‘vanzelfsprekend erudiet’, ‘de meest Hollandse schrijver’ en ‘een pestkop’ en ‘een van de grootste schrijvers die het Nederlandse taalgebied heeft voortgebracht’ en zijn antwoord zou zijn: ‘Daar weet ik allemaal niets van’.

Je vraagt je soms af wat je zou willen dat de mensen het liefst deden als je gestorven was. Heel hard huilen bijvoorbeeld, of juist veel koper- en slagwerkmuziek laten horen. Maar misschien zou je toch het meest verlangen dat ze iets deden wat je al vele jaren vóór je dood terloops had laten vallen in de hoop dat ze het zouden inwilligen, zonder dat je daar nadrukkelijk om hoefde te vragen. Toen ik afgelopen zaterdag, op het uur dat Karel van het Reve werd gecremeerd, de boeken die ik van hem in mijn kast had staan ter hand nam om hem het minst hoorbare eerbetoon te geven, viel mij op dat hij zijn schrijversweg rijkelijk had bestrooid met nietige dingen die zich blijvend in de herinnering vastzetten. Bij alle eruditie, humor, nuchterheid, scherpzinnigheid en kritische gesteldheid heeft Van het Reve altijd een hoekje in zijn werk vrijgehouden voor de melancholie, die zo kaal en terloops mogelijk in dat werk zijn plaats vond. Voor je het weet heb je er overheen gelezen. Het is een melancholie die ik bij geen enkele andere schrijver op zo'n huis-, tuin- en keuken-manier ben tegengekomen. Zij is verraderlijk, want als je haar tegenkomt, weet je maag niet of hij ineenkrimpt van het lachen of van het huilen, en wat ervan overblijft is een diep inzicht in de vergeefsheid van dingen, zonder dat Van het Reve daar verder één woord aan vuil maakt. In De ondergang van het morgenland staat een stukje over een banketbakker in Almelo. Van het Reve schrijft: ‘Die uitspraak (van de banketbakker - dm) werd bij ons thuis vaak aangehaald, evenals de anekdote over het schoolkind, dat de vraag: “Waar gaat gij heen?” moest voorlezen en toen zei: “Waar gaat gij heen klein knopenhaakje?”. Ik kan die anekdote begrijpen, omdat ik me vaag herinner hoe een knopenhaakje er uit ziet. Ik breng deze twee uitspraken, die van die taartjes en die van dat knopenhaakje, te pas en te onpas ter sprake, omdat ik bang ben dat ze verloren gaan.’ Nu Karel van het Reve in de stoel naast Petrus al zijn karakterontledingen moet aanhoren en ongevraagd wordt meegedeeld wat Jan en alleman van hem vindt, zou ik zo graag willen dat hij nog één keer antwoord zou kunnen geven op de - dit keer aan hem gestelde - vraag: 'Waar gaat gij heen klein knopenhaakje?’ Voor zover ik hem kende zal hij er wel niet meer aan denken om antwoord te geven.