Van de tijgers valt niets meer te vrezen

Het Westen staat een moordende concurrentie te wachten met de ‘tijgers’ rond de Stille Oceaan. Dacht men. Dat blijkt nu allemaal reuze mee te vallen. De angst voor Zuidoost-Azie is net zo misplaatst als destijds de vrees voor de opkomst van de Sovjetunie.

‘DE MIDDELLANDSE ZEE is de zee van het verleden, de Atlantische Oceaan de zee van het heden, en de Stille Oceaan de zee van de toekomst.’
Hoe eigentijds deze uitspraak ook klinkt, hij is niet afkomstig van Bill Clinton of Frits Bolkestein (al zouden zij zeker vinden dat hij van visie getuigt) maar van John Hay, minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten rond de eeuwwisseling. En Hay stond niet alleen in zijn opvatting: in de Verenigde Staten is het al honderd jaar in de mode om te beweren dat de volgende eeuw de 'Aziatische eeuw’ of de 'eeuw van de Stille Oceaan’ wordt. Op zijn minst sedert het tijdperk van de theeklippers droomt elke generatie Amerikaanse zakenlieden van het Verre Oosten met zijn reusachtige natuurlijke rijkdommen, zijn schijnbaar onuitputtelijke arbeidsreserve en zijn confucianistische arbeidsethos dat zoveel overeenkomsten vertoont met het protestantse. Uiteraard hoopten de Amerikanen dat zij - gezien hun ligging en antikoloniale reputatie - als eerste en wellicht enige westerse natie van een Aziatische renaissance zouden profiteren. De overtuiging dat Azie de toekomst heeft, vermengd met romantische illusies omtrent de bekering van de Chinezen tot het christendom, zette zich als een idee-fixe vast in de Amerikaanse psyche.
Westerlingen hebben zich de toekomstige emancipatie van Azie altijd voorgesteld als een proces dat onder hun voogdij zou plaatsvinden, ook na de dekolonisatie. Des te groter was de schok toen Japan in de jaren zeventig stormenderhand de wereldmarkt voor auto’s en consumentenelektronica veroverde en zijn gestaag groeiende winsten aanwendde voor een nietsontziende financiele opmars door de westerse industrielanden. De bewondering voor de Japanse werklust sloeg om in afgunst en de hoop op naoorlogse samenwerking verkeerde in een panische angst om door Japan overvleugeld te worden.
Nu andere Oostaziatische landen een vergelijkbare groeifase doormaken, vervult het 'Aziatisch wonder’ westerse burgers en politici met jaloezie en afgrijzen. De 'Dynamische Aziatische Economieen’ - zoals hun nieuwste wetenschappelijke benaming luidt - overspoelen de wereldmarkt met goedkope kwaliteitsprodukten, schermen hun eigen markten af en trekken steeds meer investeringen aan die voorheen aan westerse industrieen ten goede zouden zijn gekomen. Afgezien van hun 'oneerlijke’ handelspraktijken - die niet wezenlijk verschillen van de methoden waarmee de westerse industrie groot is geworden - gedragen zij zich in westerse ogen vaak onethisch. Ze worden in het geheel niet gehinderd door diplomatieke gevoeligheden of scrupules op het gebied van het milieu of de mensenrechten. Toen het Westen na het neerslaan van de studentenrevolte op het Tiananmen-plein de handelscontacten met China op een laag pitje zette, sprong de Japanse industrie meteen in het gat, ondanks een formele waarschuwing van de Japanse premier aan zijn landgenoten om 'niet als een dief bij brand toe te slaan’. Andere Aziatische producenten volgden het Japanse voorbeeld.
WELISWAAR PROFITEERT de westerse consument van het goedkope aanbod uit het Verre Oosten, maar van het verhoopte aandeel van het westerse bedrijfsleven in de Aziatische groei komt niets terecht. Hele bedrijfstakken staan te onzent op instorten en massaontslagen zijn aan de orde van de dag. Als redmiddelen worden privatisering, sanering en lean production aanbevolen. Het aantal werklozen in de Oeso-landen (de rijkste industrielanden) minus Japan staat al op twintig miljoen. Het vooruitzicht op fabelachtige winsten in Azie brengt sommige westerse politici en industrielen nog altijd tot extase - 'Azie, Een Miljard Consumenten’, kopte The Economist nog niet zo lang geleden - maar de burger ervaart de Aziatische expansie in de eerste plaats als een aanslag op zijn arbeidsplaats en sociale zekerheid.
Het economisch succes van Zuidoost-Azie heeft ook een demoraliserende uitwerking op de westerse democratieen. Bij alle onzekerheden van de huidige wereldwanorde - als gevolg van het virulente nationalisme aan Europa’s grenzen en daarbinnen, de onvoorspelbare ontwikkeling in Rusland en de gebleken onmacht van de VN, de Navo en de Europese Unie om ernstige crises af te weren - voegt zich nu de angst voor een structurele economische malaise die het democratische zelfvertrouwen nog verder aantast. Terwijl de westerse democratieen gebukt gaan onder politieke verdeeldheid en een preoccupatie met sociale rechtvaardigheid, democratische legitimiteit en mensenrechten, kunnen dictaturen of 'autoritair geleide democratieen’ als Hong Kong, Singapore, Taiwan en Zuid-Korea - de vier Aziatische 'tijgers’ - jaar na jaar bogen op imposante groeicijfers. Zij hebben zich zelfs ontwikkeld tot bescheiden welvaartsstaten, terwijl de westerse welvaartsstaat zienderogen afkalft. Ook de Chinese economie groeit sinds de invoering van de vrije markt - de oververhitting en inflatie ten spijt - met tien procent per jaar en inmiddels dienen zich 'nieuwe tijgers’ aan zoals Thailand en Maleisie, die het met de politieke vrijheid ook niet zo nauw nemen.
De aantrekkingskracht van het 'Aziatische model’ berust niet alleen op zijn hoge groeicijfers maar ook op zijn politieke aanspraken, en die zijn uiterst bedenkelijk. Premier Lee Kuan Yew van Singapore verkondigde al vanaf de jaren zeventig dat individuele vrijheid schadelijk is voor de economische groei en voor de harmonie van de gemeenschap en dat zijn autoritaire systeem superieur was aan de westerse democratie. Het is niet ondenkbaar dat de Oostaziatische groeilanden als politiek model zullen gaan dienen voor andere, minder fortuinlijke landen in de derde en tweede wereld (als je Oost-Europa nog zo mag noemen) en voor invloedrijke politieke stromingen in West-Europa en de Verenigde Staten. In zijn boek The End of History and the Last Man wees Francis Fukuyama uitdrukkelijk op dit gevaar: 'De belangrijkste hedendaagse bedreiging voor het liberale universalisme van de Amerikaanse en Franse revoluties komt niet uit de communistische wereld, wier economische mislukking voor iedereen zonneklaar is, maar van die samenlevingen in Azie die een liberale economie verenigen met een vorm van paternalistisch autoritarisme.’ Fukuyama verklaarde de aantrekkingskracht van deze stelsels uit hun collectivisme, de inbedding van het individu in de familie en clan, waardoor de arbeidsmoraal wordt afgedwongen en ongewenst gedrag onderdrukt. Een toestand waarnaar sommige westerlingen kennelijk ook hartstochtelijk verlangen, getuige de opkomst van de fascistoide stroming onder Amerikaanse intellectuelen (zoals Alisdair MacIntyre en Christopher Lasch) die zich 'communutarisme’ noemt.
Omdat het recept van bezuiniging, flexibilisering van de arbeidsmarkt en afslanking van de produktie ook het westerse bedrijfsleven niet ongelegen komt - uit de Nederlandse jaarcijfers over 1993-94 blijkt in elk geval dat de winsten er niet onder lijden - is de consensus omtrent het 'Aziatische scenario’ tegenwoordig vrijwel volledig. Slechts weinig deskundigen plaatsen vraagtekens bij de Aziatische groeicijfers of de twijfelachtige opvatting dat het zwaartepunt van de wereldeconomie na 2000 daadwerkelijk zal verschuiven naar het Stille-Oceaanbekken; hoogstens verschillen ze van mening over de consequenties voor de rest van de wereld. Volgens de meeste analyses moet het Westen buigen of barsten, dat wil zeggen de produktiemethoden van het 'Aziatische model’ volgen of in een ongelijke concurrentiestrijd ten onder gaan.
IS ER DAN WERKELIJK niets af te dingen op het Aziatische model met zijn groteske sociale, politieke en strategische implicaties? De Amerikaanse econoom Paul Krugman meent van wel; volgens hem wordt het groeipotentieel van de Aziatische economieen zelfs zwaar overschat. In de laatste aflevering van het Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs van vorig jaar ontvouwde hij een theorie die tot dusver onder economen geen aandacht kreeg omdat deze te zeer afweek van de algemeen aanvaarde opvatting over een onstuitbare Aziatische opmars.
Volgens Krugman maken westerse leiders en economen met betrekking tot de Aziatische expansie dezelfde vergissing die zij ooit maakten met betrekking tot de explosieve economische groei in de Sovjetunie. Krugman verwijst naar gezaghebbende publikaties uit de jaren vijftig waarin werd vastgesteld dat de Sovjetunie - destijds de bakermat van de Spoetnik, de gigantische stuwmeren en de Vijfjarenplannen - waarschijnlijk rond 1970 de Verenigde Staten in bruto nationaal produkt zou overtreffen. Diverse deskundigen beweerden onomwonden dat een 'collectivistische, autoritaire staat’ waarschijnlijk van nature betere economische resultaten behaalde dan een kapitalistische democratie. Het lijkt in het licht van de latere teloorgang van het communisme en het uiteenvallen van de Sovjetunie bijna onwezenlijk, maar de berichten over de spectaculaire prestaties van de Russische industrie en wetenschap brachten destijds in het Westen een regelrechte ondergangsstemming teweeg. Bij de toenmalige stand van de westerse kennis omtrent Russische produktiecijfers en technische prestaties was die conclusie begrijpelijk, aldus Krugman, maar inmiddels weten we beter. Na een hoogtepunt halverwege de periode-Brezjnev stagneerde de Russische groei, om ten slotte in de jaren tachtig negatief te worden.
Tegen die tijd begrepen westerse analisten - en trouwens ook Russische economen - dat ze al die tijd een verkeerde verklaring voor de Russische economische groei hadden gehanteerd. Economische groei kan op twee manieren tot stand komen: door een vergrote input in het economisch proces (toevoeging van meer produktiefactoren, zoals werknemers, machines en grondstoffen) en door een vergroting van de produktiviteit per produktiefactor (invoering van snellere machines, efficientere organisatie, betere scholing). In tegenstelling tot de verwachtingen aan beide zijden van het IJzeren Gordijn berustte de spectaculaire economische groei van de Sovjetunie in de jaren vijftig niet op een toegenomen produktiviteit, maar op een toegenomen mobilisatie van de beschikbare produktiefactoren. Een steeds groter deel van de bevolking werd in het produktieproces ingeschakeld, nieuwe gebieden werden ontgonnen, nieuwe grondstoffen geexploiteerd, et cetera. Het sovjetsysteem was dus niet produktiever; het mobiliseerde slechts een steeds groter deel van de beschikbare capaciteit - een verdienste waaraan de nietsontziende planning onder Stalin niet vreemd was. Uiteraard moest die mobilisatie vroeg of laat een natuurlijke limiet bereiken, hetgeen ongeveer in 1970 gebeurde.
Om dezelfde reden hebben economen volgens Krugman tot dusver de Aziatische prestaties overschat. Zij gaan er klakkeloos van uit dat het 'Aziatische model’ superieur is aan het westerse omdat het gedurende enige decennia spectaculaire resultaten heeft behaald, zonder de groeifactoren te analyseren waardoor die resultaten tot stand zijn gekomen. Krugman bekeek opnieuw de groeicijfers van een aantal Aziatische landen aan de hand van hun economische input en baseerde zich daarbij op berekeningen van collega’s die tot voor kort niet serieus werden genomen, omdat hun bevindingen in strijd waren met de heersende euforie over Aziatische produktiviteitsverhoging.
DE EERSTE REPUTATIE die sneuvelt is die van Singapore, de autoritaire stadstaat die bij uitstek geldt als de belichaming van het Aziatische succes. Tussen 1966 en 1990 gaf de economie van Singapore een opmerkelijke groei te zien van 8,5 procent per jaar, driemaal zoveel als de Verenigde Staten; het inkomen per hoofd van de bevolking groeide met 6,6 procent per jaar. 'Die prestatie heeft veel weg van een economisch wonder’, aldus Krugman, 'maar het wonder blijkt te berusten op transpiratie in plaats van inspiratie: Singapore groeide dank zij een mobilisatie van reserves waarop Stalin trots zou zijn geweest. Het werkende gedeelte van de bevolking steeg van 27 naar 51 procent. De opleidingsgraad van de werknemers werd drastisch opgevoerd: had in 1966 nog meer dan de helft van de beroepsbevolking in het geheel geen opleiding, in 1990 had twee derde de middelbare school voltooid. Bovenal had het land een reusachtige investering in fysiek kapitaal gedaan: het percentage van de omzet dat opnieuw werd geinvesteerd, steeg van elf naar meer dan veertig procent.’
Krugman trekt zijn analyse nog verder door: de volledige economische groei van Singapore in de laatste dertig jaar is te verklaren uit een voortdurende toename van de input. In dat opzicht noemt hij Singapore een tweelingbroertje van de Sovjetunie. Uit gegevens van collega’s blijkt bovendien dat dezelfde berekening ook opgaat voor Taiwan, Hong Kong en Zuid-Korea. Twee Aziatische onderzoekers durven zelfs de stelling aan dat de vier 'tijgers’ in al die jaren van explosieve groei geen aanwijsbare technische vooruitgang hebben geboekt. Deze stelling wordt in elk geval indirect ondersteund door gegevens uit andere bron. Uit analyses van de Wereldbank blijkt bijvoorbeeld dat de 'tijgers’ alle voorrang hebben gegeven aan de verbreding van het secundair onderwijs voor een zo groot mogelijke groep van de bevolking (voor het eerst hebben vrouwen recht op hetzelfde onderwijs als mannen) met verwaarlozing van het tertiair onderwijs.
De investeringsquote lag rond de dertig procent van het bruto nationaal produkt (tegen twintig procent in de westerse industrielanden) maar het grootste deel van de investeringen werd gepleegd in arbeidsintensieve industrieen. De sprong naar de kapitaal- en kennisintensieve industrie werd niet gemaakt. Anders gezegd: de 'tijgers’ hebben eenvoudig hun economische reserves gemobiliseerd en door middel van (gedwongen) besparingen de behoeftenbevrediging van hun bevolking uitgesteld, zodat de winst opnieuw kon worden geinvesteerd. Zo bezien is het 'Aziatische wonder’ dus eenvoudig verklaarbaar en lang niet zo imposant als menige econoom of management-goeroe ons op grond van de laatste overspannen prognoses wil doen geloven. 'Als de Aziatische groei al een geheim heeft, dan is het uitgestelde behoeftenbevrediging’, stelt Krugman.
In het geval van China zijn de groeicijfers zo mogelijk nog bedrieglijker, aldus Krugman, omdat ze als uitgangspunt voor de berekening de nadagen van de Culturele Revolutie nemen, toen de produktiviteit tot een absoluut dieptepunt was gedaald. Als je daarentegen de huidige Chinese produktiviteit vergelijkt met die van 1964, is het verschil heel wat minder indrukwekkend. Bovendien had China toen nog niet de overgang naar de vrije markt achter de rug, waardoor de cijfers eveneens vertekend worden. Het grootste deel van de Chinese economische groei is naar alle waarschijnlijkheid vooral te danken aan een kwaliteit waarin Chinezen altijd al uitblonken: hard werken.
Krugmans analyse rechtvaardigt de conclusie dat de economische groei van de Oostaziatische industrielanden rond de eeuwwisseling zal afvlakken. Net als Japan, dat na het barsten van de economische 'zeepbel’ in 1989 steeds bescheidener groeicijfers te zien geeft en meer en meer op een westers industrieland gaat lijken, zullen de 'tijgers’ en hun opvolgers in rustiger vaarwater terechtkomen. Hun groeicijfers zullen die van de Verenigde Staten of de lidstaten van de Europese Unie voorlopig nog overtreffen, maar van een spectaculaire wisseling van de wacht zal geen sprake zijn. Bovendien zal de diepe politieke verdeeldheid van de Aziatische landen de vorming van communautaire organen met gedelegeerde bevoegdheden, vergelijkbaar met die van de Europese Unie, nog vele jaren in de weg staan. Ze kunnen het zelfs niet eens worden over de manier waarop ze van mening verschillen. Op de eerste bijeenkomst van het Asean Regional Forum - het nieuwe overlegorgaan dat bedoeld is politieke conflicten te bespreken - in juli vorig jaar kwamen kwesties als het Noordkoreaanse nucleaire programma, de VN-operatie in Cambodja en andere conflicthaarden niet eens ter sprake. 'De deelnemers zouden elkaar maar in de haren vliegen’, zo verklaarde de voorzitter na afloop tegenover de pers. De journalisten noemden het ARF spottend de 'Onveiligheidsraad’.
KRUGMAN LAAT in zijn artikel nog een ander aspect, dat eveneens afbreuk doet aan de algemene verwachtingen omtrent ongebreidelde Aziatische expansie, volledig buiten beschouwing: de ecologie. Met uitzondering van de Japanners trekken Aziatische producenten zich niets aan van milieuwetgeving (als deze al bestaat) en de gevolgen van de vervuiling en verspilling van de natuurlijke rijkdom, die nu reeds zichtbaar zijn, zullen binnen deze generatie ook economisch voelbaar worden. Neem bijvoorbeeld de houtkap: als landen als Indonesie, Sri Lanka, Thailand en de Filippijnen in het huidige tempo voortgaan met het kappen van hun tropische woud, zullen de bosarbeiders over vijfentwintig jaar moeten omzien naar ander emplooi omdat er niets meer te kappen valt.
De overhaaste urbanisatie van grote delen van Azie in de laatste dertig jaar, de ongeremde bevolkingsgroei en de roofbouw op het milieu zullen hun tol eisen in de vorm van reusachtige investeringen in de sociale en fysieke infrastructuur. Alleen al de drinkwatervoorziening dreigt rond het jaar 2000 in een groot aantal steden (waaronder Beijing, Sjanghai, Djakarta en Bangkok) een onoverkomelijk probleem te worden. De Aziatische stadsbevolking, die nu nog ongeveer 1 miljard mensen telt, zal over dertig jaar 2,5 miljard mensen omvatten. In China, dat nu al grote problemen heeft met zijn water- en energievoorziening, trokken de afgelopen jaren 150 miljoen mensen van het platteland naar de stad. Op den duur zijn zelfs gevechten tussen de Chinese provincies om de schaarse watervoorraden niet ondenkbaar.
'In het jaar 2010 zullen de huidige verwachtingen omtrent Aziatische suprematie ons waarschijnlijk even belachelijk voorkomen als de voorspellingen uit de jaren zestig omtrent een Russische “inhaalpoging” ’, zo besluit Krugman zijn artikel laconiek. De wereld zal er misschien niet vrolijker op zijn geworden, maar wellicht is de dreiging van een moordende economische en ideologische concurrentieslag met de landen rond de Stille Oceaan een stuk minder groot dan we ons laten wijsmaken.