Op patrouille in Afghanistan (II)

Van de westbank geen nieuws

Een dag na de aanval op heuvel 1451 dreigt opnieuw geweld voor het Nederlandse reconstructieteam van ritmeester Richard. ‘We kunnen niemand dwingen voor ons te kiezen.’ Een week op pad met de Nederlandse militairen in Uruzgan, deel twee.

Medium afghanistan kat

TARIN KOWT – De besneeuwde toppen van de Hindu Kush aan de horizon kleuren roze. Het wordt nu snel donker en nog is het schieten op heuvel 1451 niet gestopt. Het vuur van de Nederlanders is nu gecoördineerder dan een half uur geleden. De uitbarsting van de pelotonscommandant heeft geholpen. Er mogen geen onschuldige slachtoffers vallen, schreeuwde hij over de radio toen iedereen aan het terugschieten was op de strijders in de dorpen onder aan de heuvel die het vuur hadden geopend met raket-aangedreven granaten (rpg’s) en kalasjnikovs. Tegen de bergwanden weerkaatst de zware rotorslag van twee Apache-gevechtshelikopters. Ze vliegen hoog en blijven boven de dorpen hangen. Met hun camera’s kunnen overdag en ’s nachts beelden sterk vergroot worden. Vanaf heuvel 1451 wordt met twee punt-50’s lichtspoormunitie afgevuurd op de qala’s van waaruit de patrouille wordt beschoten. Een van de Apaches vuurt twee keer met zijn boordkanon. Dat beëindigt het gevecht. Als de helikopters terugvliegen naar de Nederlandse basis in Tarin Kowt is het inmiddels pikkedonker.

’s Nachts blijven we op de heuvel. De dikke muren van een onvoltooide qala geven wat dekking, maar ze nemen het gevoel van kwetsbaarheid niet weg. Ten westen en noordoosten van ons zijn berghellingen waarvandaan we kunnen worden bestookt met 107mm-raketten die een bereik hebben van achtenhalve kilometer. Gelukkig schieten de Taliban vaak mis. Dus gaat de knop om en wanen we ons veilig. Iedereen slaapt buiten, met zijn kleren aan, wapens en uitrusting binnen handbereik. Er worden dubbele wachtposten uitgezet.

Medium afghanistanwestbank kat

DAG VIER. ‘Wat we eraan gaan doen? Negeren natuurlijk’, zegt Richard. De 32-jarige ritmeester leidt Missieteam Twee van het provinciaal reconstructieteam (prt) van Taskforce Uruzgan. Samen met opperwachtmeester Dennis en kapitein Ninke voert hij een vijfdaagse patrouille uit op de westbank, het gebied aan de westelijke kant van de Dorafshan-rivier. Het prt wordt beveiligd door een versterkt peloton van de Luchtmobiele Brigade, onder leiding van luitenant Roy. De westbank is het gevaarlijkste gebied binnen de Nederlandse inktvlek, gevaarlijker nog dan aan de oostkant van de Dorafshan, waar de veelvuldig aangevallen patrouillebasis Poentjak ligt. De Nederlandse troepen maken deel uit van Isaf, de internationale troepenmacht onder leiding van de Navo die de regering van de Afghaanse president Hamid Karzai helpt. ‘We gaan ervoor zorgen dat de dorpen die kiezen voor de Afghaanse regering het goed hebben’, zegt de ritmeester. ‘Dan zullen ook de andere dorpen de Taliban laten vallen.’

Het team van ritmeester Richard werkt keihard in levensgevaarlijke omstandigheden, maar na zeven maanden Nederlandse aanwezigheid in dit gebied hebben de patrouilles nog altijd het kenmerk van verkenningstochten. Er worden coördinaten van waterpompen genoteerd en moskeeën op kaarten ingetekend. Onze vijfdaagse patrouille is bedoeld om de bevolking van de westbank in contact te brengen met het prt. Na drie dagen van voetpatrouilles is onmiskenbaar dat dit gebied slechts nominaal onder controle van Isaf staat. We liepen bijna in een hinderlaag en werden vervolgens aangevallen op heuvel 1451. Luitenant Roy heeft informatie waaruit blijkt dat de patrouille constant in de gaten wordt gehouden door de Taliban. ‘Ze wachten op een goede kans om ons aan te grijpen’, zegt hij.

Opperwachtmeester Dennis heeft zijn portie wel gehad. Hij lag in dit gebied zes keer onder vuur, waarvan drie keer in een hinderlaag. Kakarak, Hasanzai en Baloechi zijn voor hem dorpen met een bittere klank in de naam. Bij Baloechi gingen de Nederlanders als eerste in de aanval. ‘We kregen informatie dat er groepen strijders op weg waren. We konden niet meer terug naar de pantserwagens. Er zat niets anders op dan ze op te wachten. Toen we ze zagen komen, hebben we het vuur geopend. Ik heb anderhalf magazijn leeggeschoten. Het is geen goed teken als ik moet meevechten. Ik kom hier om iets op te bouwen.’ De volgende dag keerden de Nederlanders terug naar het dorp. ‘Je moet laten zien dat je niet bang bent. Als de Taliban aanvallen, slaan we terug. Het zijn net vlooien op een hoofd en het wordt tijd dat we de goede shampoo vinden. Nu komen we vaak niet veel verder dan praten met bange mensen.’

Tijdens de aanval op heuvel 1451 werd hevig geschoten vanuit Hasanzai en Kakarak. Eerder liep Dennis daar in een hinderlaag bij een pleintje met een moskee.

‘We gaan terug naar het pleintje’, vertelt Richard. ‘Dennis, jij boft. Jij mag mee.’

‘Dat is uitstekend voor de bloeddruk’, zegt Dennis. ‘Ik doe mijn oordoppen vast in. Ik ken die lui daar inmiddels. Ze schieten graag op Nederlanders.’

‘We gaan met een voetpatrouille. Een half uur praten is genoeg’, instrueert Richard. ‘Als iemand je bedreigt met een wapen is vuren vrij. Blijf scherp.’

De pantserwagens brengen ons tot vlak voor het dorp. Het regent. De wagens worden opgesteld in een cirkel. Eerst waarnemen, is het devies. In onze Bushmaster worden grapjes gemaakt om de spanning te verdrijven. Dennis wordt steeds stiller. De radio kraakt van de meldingen. Overal rennen vrouwen en kinderen weg. Een man met een wapen rent een qala in. Een ander ligt in schiethouding op het dak van een van de huizen aan het pleintje. ‘Dit gaat hem niet worden’, beslist luitenant Roy. ‘Als we nu lopend het dorp in trekken wordt het geheid knokken met de Taliban.’ Dennis is opgelucht als we wegrijden door de kille regen. ‘Van mij mogen ze de Afghaanse griep krijgen’, zegt hij.

Niet alle infanteristen zijn blij dat de voetpatrouille niet doorging. ‘We hebben niet de staart tussen de benen, mannen’, zei luitenant Roy nog. Maar dat zien zij anders. Sergeant Jeffrey vertelt hoe zijn mannen er klaar voor waren: ‘Ze wilden laten zien wat ze waard waren. Pay back time.’ Tijdens de hinderlaag in Kakarak, in januari, scheelde het weinig of zijn sectie moest man-tot-man-gevechten voeren. Jeffrey rende de vuurlinie in en gooide handgranaten op een Taliban-positie achter een qala-muur, op nog geen vijftien meter afstand. Korporaal Alex begrijpt net als zijn sergeant dat vechten geen doel op zich is: ‘We snappen wat het prt wil, maar het gaat heel lang duren voordat die mensen zien dat wij ze meer kunnen bieden dan de Taliban. Ik ben maar een korporaal, maar als je het mij vraagt moeten we nu de inktvlek verdiepen. Als ze ons aanvallen in zo’n dorp, moeten we terug om ze te verslaan. Wij zijn infanteristen. Wij kunnen dat.’

De hinderlagen en beschietingen eisen echter hun tol. Sommige infanteristen blijken niet bestand tegen het brute geweld van Uruzgan. Twee van de acht man in Jeffreys sectie zijn uitgeschakeld door gevechtsstress. Onder hoogspanning hebben sommige militairen daar geen begrip voor. ‘Ze hebben ons in de steek gelaten’, zegt een boze soldaat.

’s Middags trekt het prt te voet het dorpje Kowtwal binnen, minder dan vijf kilometer ten zuiden van Hasanzai. Hier is het rustig. ‘Geen Taliban’, verzekeren de bewoners. De mensen behoren tot een andere stam dan de inwoners van Kakarak en Hasanzai. Ze zouden een reis naar het noorden niet overleven. Kowtwal wordt tegen de Taliban beschermd door zijn eigen militie, onder leiding van commandant Fazil. ‘Dat was een gouden vent’, zegt Dennis. De militie liep enkele maanden geleden in een hinderlaag en verloor acht man, onder wie Fazil. ‘We kwamen pick-ups tegen met hun lichamen. De mensen waren zenuwachtig, ze moesten snel begraven worden, maar vanuit de andere dorpen werd gedreigd met een mortieraanval. Het was een drama.’

In Kowtwal wordt een bijeenkomst belegd met enkele dorpsoudsten. Richard en Dennis spreken over de opium. ‘We willen geen papaver verbouwen, maar we hebben nooit de beloofde compensatie gekregen’, zegt Mohammed Hazim. Hij is deels verlamd door een Russische kogel in zijn rug. Hij trekt zijn shirt omhoog om de wond te tonen. ‘Als we hier een goed irrigatiesysteem hebben, kunnen we andere gewassen verbouwen.’ Het dorp wil ook graag een school. Hier kan het prt zaken doen. De militie zal beschermen wat wordt opgebouwd.

Een van de redenen dat het opbouwwerk op de westbank niet van de grond komt, is de afwezigheid van politieagenten die de mensen kunnen beschermen tegen de Taliban. De dorpelingen willen geen politieposten. Ze zijn bang dat die worden aangevallen door de Taliban en dat de agenten hen zullen afpersen. Bij Feroziah waren eerder drie politieposten, maar dat leidde tot klachten van de bevolking. ‘De agenten bleken mensen uit qala’s gejaagd te hebben om daar comfortabele posten in te richten’, vertelt Dennis. Nadat ze een paar keer door de Taliban werden aangevallen, hielden de agenten het voor gezien. ‘Later zag ik een Afghaans vlaggetje op een huis in een heel ander dorp. Daar zat de politiecommandant van Feroziah met wat mannen. Bleek dat zij uit dat dorp kwamen en liever daar hun post maakten dan op de plek die de overheid voor ze had aangewezen. De mensen daar waren wél tevreden met de politie. Toen hebben we bedacht dat we de dorpsoudsten moesten overhalen hun zonen naar de politieopleiding te sturen zodat de agenten hun eigen dorpen konden beschermen.’

Maar aan het bewapenen van dorpsmilities in gewelddadig stammengebied kleven risico’s. Eerder probeerde de internationale gemeenschap juist de krijgsheren te ontwapenen. ‘Je moet op de Afghaanse manier denken’, zegt ritmeester Richard. ‘Hier leven de mensen van dag tot dag. Als er geen goed functionerende nationale politie is en je moet wél een permanente aanwezigheid hebben om de invloed van de Taliban te verkleinen, dan maar een tribal based politiemacht.’

Later die dag staan de manschappen weer op scherp. Er komt een pick up vol zwaarbewapende mannen aan. Het blijken vechtersbazen die een korte politieopleiding hebben gedaan. Slechts twee van de tien dragen iets wat op een uniform lijkt, en hun auto is geen politiewagen. Ze zijn op patrouille vanuit Tarin Kowt en die patrouille eindigt hier, bij Kowtwal. Ook zij wagen zich niet tot bij Hasanzai en Kakarak. Na een kort gesprek met kapitein Ninke en opperwachtmeester Dennis vertrekken ze weer. ‘Apart’, zegt Ninke. ‘Het mag dan een zooitje ongeregeld lijken’, zegt Dennis, ‘maar deze mannen zijn in elk geval voor niemand bang.’

DAG VIJF. Luitenant Roy wil terug naar de plek waar we twee dagen geleden zijn aangevallen. We rijden tot vlakbij enkele huizen van waaruit we werden beschoten. Opnieuw vluchten vrouwen en kinderen weg, maar er komen ook vier oude mannen op de Nederlanders af. Ze willen praten. Ze worden naar de pantservoertuigen geleid, waar ze onder een Patria proberen te schuilen tegen de regen. Dennis probeert aardig te zijn en draait zijn prt-verhaal af. ‘Hoe is het gesteld met de irrigatie? Komt u naar de sjoera in Tarin Kowt? Nee, wij zijn geen Amerikanen. Wij komen niet om te vechten.’

Maar onvermijdelijk komt de vraag: ‘Waarom hebben jullie op ons geschoten?’

‘Dat waren wij niet’, antwoorden de mannen. ‘Wij kwamen terug van de bazaar in Tarin Kowt en hoorden de gevechten. We weten niet wie op jullie schoot.’

Luitenant Roy wil de huizen doorzoeken. Hij heeft toestemming van het ‘hogere niveau’ op Kamp Holland. De Afghanen gaan akkoord. ‘Zij gaan voorop’, zegt Roy.

‘Prima aanpak’, zegt Dennis, ‘zo nodigen zij ons uit om binnen te komen.’

‘Ik dacht meer aan boobytraps’, zegt Roy. De luitenant wil naar binnen. Zijn mannen werden beschoten vanuit deze huizen.

We doorzoeken er vier. Het gaat er rustig en respectvol aan toe. Er worden geen deuren opengetrapt en mensen naar buiten gejaagd. Kapitein Ninke is de enige die de vrouwenvertrekken binnengaat. In het eerste vertrek wordt een vrouw hysterisch als ze binnenkomt. Pas als Ninke haar helm afzet en haar lange blonde haar toont, bedaart ze. ‘Ze zitten als dieren opeengepakt’, zegt ze verontwaardigd. In een van de huizen stuiten de genisten op rpg-hulzen en het achterstuk van een 107mm-raket. Sergeant Öner wordt kwaad op de jammerende huiseigenaar. ‘Jij houdt je mond. Jullie schieten op ons.’ Genist Mark sust. ‘Dit is heel oud spul. Dat kan niet gebruikt zijn laatst.’ De qala’s zijn modderig en vies. Over de binnenplaatsen van de huizen lopen stinkende geulen met poep en pies. Er is geen enkele luxe. Mark opent een deurtje en staat oog in oog met een ezel. ‘Het is hier net de Efteling’, zegt Dennis.

De zoektocht levert niets op. We besluiten terug te keren naar Kamp Holland. De vijfdaagse patrouille is voltooid. Maar hoe staat het ervoor met de huizen waarop de Nederlanders schoten, twee dagen eerder? Zijn er slachtoffers gevallen? Is er schade? De huizen die we doorzochten vertoonden geen gevechtssporen. Een ander huis, waar we gisteren langsreden, wel. ‘Dat had wat extra raamgaatjes gekregen’, vertelt een soldaat. Volgens luitenant Roy viel een van de mortiergranaten midden in een groepje van drie strijders die vanuit een greppel aan het vuren waren op heuvel 1451. ‘We weten niet of iemand dat heeft overleefd’.

Een dag na onze terugkeer op Kamp Holland plaatsen Nederlandse en Afghaanse militairen speeltoestellen voor de jeugd in Tarin Kowt. De actie gaat vergezeld van een Defensie-persbericht en wordt opgepikt door verschillende Nederlandse kranten. Van de westbank geen nieuws. Ook niet over de aanval op heuvel 1451. In het Uruzgan-weekoverzicht wordt de aanval niet vermeld, wél een rpg-beschieting op Poentjak. Dat is geen onwil, verzekert Defensie. Misschien is informatie samengevoegd, ook Poentjak lag die dag onder vuur.

‘Voorlopig gaan mijn mensen en ik met gevaar voor eigen leven de poort uit, zonder dat we terugkeren met een lange lijst succesvolle projecten’, zegt ritmeester Richard als we weer op Kamp Holland zijn. ‘Terugschieten bemoeilijkt ons werk, maar we kunnen niet anders. Engelengeduld, daar varen we op. We kunnen niemand dwingen voor ons te kiezen. We zijn al blij als we de mensen op de westbank kunnen laten zien dat er een keuze ís.’

Dit artikel is door Defensie gecontroleerd op informatie die de troepen in gevaar kan brengen. Onafhankelijke bronnen in Uruzgan konden niet worden geraadpleegd. Zie WEB[OOR]LOG voor het weblog waarin Joeri Boom verslag doet van zijn verblijf bij Nederlandse eenheden in Uruzgan

foto’s bij dit artikel: Joeri Boom