Synthetische microvezels (2)

Van een jurk maak je nooit opnieuw een plastic fles

De kledingindustrie doet zich graag voor als duurzaam, maar aan de dreigende natuurramp met plastic microvezels doet ze vooralsnog niets. Sterker nog: projecten met het recyclen van plastic verergeren het probleem alleen maar.

India, 2017. Werknemer in de textielindustrie © Taylor Weidman / Getty Images

‘De filters in kledingwinkels zitten er vol mee.’ Joost Verlaan is directeur van luchtfilterbedrijf Afpro. Al jaren ziet hij dat zijn installaties ook plastic textielvezeltjes uit de lucht halen. ‘Vooral waar veel goedkope synthetische kleding verkocht wordt, moeten monteurs vaker de filters vervangen.’ Ook in kantoren, scholen en openbare gebouwen wordt de lucht mechanisch gereinigd en overal worden minuscule plasticdeeltjes uit de lucht gehaald. Volgens Verlaan houden zijn filters 95 procent van de microvezels tegen.

Polyamide sokken, polyester tapijten, acryl shawls en microvezeldoekjes. ‘Kunststof textiel is een van de grootste bronnen van microplasticvervuiling’, zegt Jeroen Dagevos, milieukundige van de Plastic Soup Foundaton (psf). De makke is dat het ook een van de onbekendste bronnen is. We zien ze niet, maar textielvezeltjes zijn overal: in de lucht en in het water, ze zitten in huisstof en plakken op ons voedsel.

Acht jaar geleden ontdekten wetenschappers dat er met het spoelwater vanuit wasmachines minuscule plastic kledingvezels de zeeën in stromen. Nader Europees onderzoek laat zien dat vijf kilo kleren tijdens een was gemiddeld negen miljoen vezels genereert. Sommige van die draadjes zijn zo klein dat je ze alleen met een speciale microscoop kunt zien; een tiende deel glipt dan ook door de rioolzuiveringsinstallaties en belandt zo in het oppervlaktewater.

Inmiddels wijzen studies uit dat plasticvezels ook op het vasteland zwermen. In huiskamers, op straat, in kantoren en winkels – overal zweven draadjes die van kleding, tapijten en huishoudtextiel afkomen. ‘Vanuit de lucht worden het land en het water vervuild met plastic textielvezels. Daar zijn ze een nóg groter probleem dan in het waswater’, stelt ecotoxicoloog Dick Vethaak van kennisinstituut Deltares.

Onzichtbaar voltrekt zich een ecologische ramp, schreven we eind oktober in De Groene. De belangrijkste veroorzaker, de kledingindustrie, houdt zich echter muisstil. Op zoek naar informatie over synthetische microvezels verdwaal ik in een mum van tijd op websites van kledingkeurmerken en duurzaamheidsinitiatieven. Modeproducenten presenteren zich graag als maatschappelijk verantwoord ondernemer. Ze schrijven over de kinderarbeid die ze tegengaan, en hoe ze hun watergebruik en CO2-uitstoot beperken. Maar er mist iets: op hun sustainability pages staat vrijwel nergens dat ze ook nadenken over de microplastics die hun synthetische modeartikelen in grote hoeveelheden verspreiden. Laat staan wat ze daartegen doen.

‘De textielindustrie kan een belangrijke rol spelen in het onderzoeken en ontwikkelen van synthetisch textiel dat minder vezels afstoot’, schrijft het VN-milieuprogramma Unep twee jaar geleden in zijn rapport Emerging Issues of Environmental Concern. En: ‘Ze kunnen het gebruik van synthetische materialen in hun producten minimaliseren.’

Of dit ook gebeurt? Michiel Roscam Abbing, auteur van de Plastic Soup Atlas van de wereld, heeft er een hard hoofd in: ‘Het gebruik van kunststoffen neemt juist toe, in aantallen en ook procentueel.’ Jaarlijks komt bijna honderd miljoen ton textiel op de markt, waarvan 65 procent synthetisch is. In tien jaar is dit percentage verdubbeld. Kunststoffen zitten steeds vaker ook in mengvezels, getwijnd met natuurlijke draden, waarbij ze misleidende namen krijgen als stretchkatoen, wolblend of polykatoen. Voor consumenten wordt de samenstelling nog onduidelijker. ‘Ook nemen concentraties in het milieu toe, omdat plastic niet vergaat’, zegt Roscam Abbing.

De gevolgen van microtextielvezels voor onze gezondheid en voor het milieu zijn ongewis. Er zijn nog veel tijdrovende en dure metingen nodig om er harde uitspraken over te kunnen doen. Wat wel bekend is, stemt niet gerust. Zo melden onderzoekers over ‘gewone’ microplastics dat die schadelijk zijn voor het aquatische leven. Ze veroorzaken hersenschade en hormonale storingen bij vissen en de plastics kunnen de ingewanden van waterdieren verwonden. De nog kleinere nanodeeltjes komen zelfs in de bloedbaan terecht, dringen door de placenta en kunnen ontstekingen in de longen veroorzaken. Niet onbelangrijk: er kleven vaak toxische stoffen of ziekteverwekkers aan microplastics.

Langs een grijs gekleurde kuststrook lopen jongeren met prikstokken. Ze verzamelen hier afvalplastic dat deels bestemd is voor de kledingindustrie, zo vertelt het internetfilmpje dat in Shanghai, China, is opgenomen. Het had net zo goed Honolulu of een van de Kaaimaneilanden kunnen zijn. Het schonen van ver weggelegen stranden is voor modemerken een geliefde manier om te laten zien dat ze over het milieu nadenken. Zo maakte H&M vorig jaar 2359 ton gerecycled polyester – Econyl – van het equivalent van honderd miljoen petflessen. Het Nederlandse label Waste2Wear, waar verschillende modemerken bij zijn aangesloten, legt zich voor een groot deel toe op het recyclen van polyethyleentereftalaat (pet). Dertig procent van het plastic dat ze omsmelten komt uit de oceanen, de rest uit andere afvalstromen. Het maakt er kleurige Oilily-kinderkleren van en winterjassen voor Claudia Sträter.

‘Waste2Wear strijdt tegen de vervuiling van de oceanen maar tegelijk draagt het eraan bij’

Als uitzondering op de regel vertelt Waste2Wear op zijn website wél over het probleem van de loslatende microvezels. Het stelt zelfs dat zijn gerecyclede polyester, R-pet, 55 procent mínder microplastics afgeeft dan gewoon polyester. Hiervoor verwijst het naar een onderzoek van de Zweedse stichting voor Strategic Environmental Research (Mistra) uit 2017, waaraan ook grote modemerken hebben meegewerkt. Of deze bewering klopt, is onduidelijk. Het Mistra-rapport noemt dit percentage namelijk niet. Wel beschrijft het hoe verschillende draadconstructies meer of minder microplastics kunnen loslaten; ook concludeert het dat gerecyclede polyester niet per se méér microvezels loslaat dan gewoon polyester.

‘Waste2Wear strijdt tegen de vervuiling van de oceanen, maar pijnlijk is dat het er tegelijk aan bijdraagt’, zegt onderzoeker Michiel Roscam Abbing. Moedeloos wordt hij inmiddels van dit soort initiatieven. ‘Het is verschrikkelijk als je bedenkt hoeveel synthetische vezels er zo alsnog in het milieu terechtkomen.’ En wat gebeurt er vervolgens met zo’n kinderjas? Downcyclen kun je maar één keer doen, legt hij uit. Van een jurk maak je nooit opnieuw een plastic fles. Het is vaak lastig om van oude kleren waardevolle nieuwe garens te maken, niet in het minst ook door allerlei chemische toevoegingen aan kleding, zoals kleurstoffen en anti-vetlaagjes. Het tweede leven van een zomerjurk is vaak niet meer dan een poetsdoek of isolatiemateriaal. Voor het hergebruiken van strandafval heeft Roscam Abbing dan ook geen goed woord over: ‘Het is een enorme logistieke en dure operatie om bruikbare stukken plastic op te halen. Kledingbedrijven doen dit vooral voor hun imago.’

Ook het Nederlandse spijkerbroekenmerk G-Star haalde tot een paar jaar terug plastic afval op langs oceaankusten om er synthetische textieldraden van te fabriceren, maar is daar inmiddels van afgestapt, meldt Frouke Bruinsma, corporate responsibility director van G-Star. ‘Door ons contact met de Plastic Soup Foundation ontdekten we dat we er ook nieuwe problemen mee creëerden. Door visnetten en petflessen te recyclen blijft er polyester kleding op de markt die ook weer vezels afgeeft. Je lost er misschien een zichtbaar afvalprobleem mee op, maar er komen onzichtbare milieuproblemen bij.’ Sinds een paar jaar werken G-Star en de psf samen en roepen ze de mode-industrie op ervoor te zorgen dat er minder vezels in het milieu belanden, bijvoorbeeld door beschermende coatings te ontwikkelen. Tot nu toe krijgen ze weinig respons. Volgens Jeroen Dagevos van de psf leiden modemerken de consument liever af met recycleprojecten.

Bali, Indonesië. Schoolkinderen verzamelen plastic afval op het strand. Het wordt gerecycled en gebruikt in onder meer de textiel- en kledingindustrie © Dadang Tri / Pacific Press / Getty Images

Bij de meeste grote modemerken hebben loslatende microvezels geen prioriteit, blijkt bij een rondgang. ‘Over synthetische microvezels die in het milieu terechtkomen, is nog veel onbekend’, stelt Marieke Weemaes, mvo-manager van de damesmodemerken Expresso en Claudia Sträter (FNG Group). ‘Naar mijn weten is er nog geen tool voor hoe wij daarop kunnen sturen. Wel hebben we gerecyclede kleding van Waste2Wear in onze collecties en we volgen nieuwe ontwikkelingen.’ Modeconcern H&M, 4750 winkels in 56 landen, laat vanuit het Zweedse hoofdkantoor weten er bezorgd over te zijn dat de oceanen vervuild worden door het wassen van synthetische kleding en dat het daarom graag meewerkt aan wetenschappelijke onderzoeken. Vezelvervuiling in de lucht noemt H&M niet. Wel oppert het dat filters voor wasmachines een oplossing kunnen zijn. Maar wasmachinefabrikanten verwijzen die optie al lang naar het rijk der fabelen. Niet alleen is die duur en technisch lastig uitvoerbaar, ook moeten dan wereldwijd miljarden huishoudens op tijd en op de juiste manier filters vervangen. Productmanager Gerko Reurink van huishoudapparatenproducent Bosch reageert dan ook stellig: ‘Dit probleem hoort niet bij wasmachinefabrikanten thuis. Het is beter als de textielindustrie naar oplossingen zoekt, bijvoorbeeld door stevigere vezels te ontwikkelen.’

Even leek het of het grote Amerikaanse outdoor-merk Patagonia daar stappen in maakte. Een paar jaar geleden presenteerde het met veel tamtam een onderzoek naar de afgifte van textielvezels. psf-onderzoeker Dagevos: ‘Daar bleef het bij. Patagonia heeft sindsdien niets aan zijn synthetische kleding verbeterd.’

Aardkleuren, grijstonen, blauwtinten, warme kleuren, langs de rechterwand van de woninginrichtingszaak hangen de gordijnstalen, links is de vloerbedekking. Veel stoffen hier zijn kleurecht, en dus synthetisch. Desso Tapijt (tegenwoordig van Tarkett) stond vroeger bekend om zijn katoenen vloerbedekking. Tegenwoordig zijn de meeste producten synthetisch, vertelt director research & innovation Ludwig Cammaert, maar Desso heeft nog steeds duurzame ambities. Zo maakt het tapijten die de luchtkwaliteit binnenshuis moeten verbeteren door fijnstof vast te houden. Juist over fijnstof ontspint zich een licht verwarrend gesprek. Desso rekent er vooral verbrandingsresten onder, pollen en uitlaatgassen. Maar plastic textielvezels?

Daarvan is Cammaert niet op de hoogte. ‘Wellicht gebeurt dit in onze industrie ook. Ik ga er niet van uit dat de eindeloze draden die we gebruiken van bijvoorbeeld polyamide ook vezels loslaten. Maar we zullen dit thema zeker in onze taskgroup verder onderzoeken.’

Deze verwarring en onbekendheid is kenmerkend voor de textielindustrie. Er is veel wet- en regelgeving om fijnstof in de lucht tegen te gaan, zoals uitlaatgassen en asbestvezels, maar over het gegeven dat plastic textielvezels die we inademen schadelijk kunnen zijn, gaat het nooit. Toch meldde de Gezondheidsraad twee jaar geleden aan de regering: ‘Fijnstof bevat microplastics die ingeademd kunnen worden.’

‘Als die deeltjes niet in de lucht komen, hoef je ze ook niet weer kwijt te raken’

Bij het begrip microplastics hetzelfde. Het gaat dan al snel over plastic voorwerpen in de oceanen die uiteenvallen en over plastic korreltjes die aan toiletartikelen worden toegevoegd. Maar dat onze kleding en tapijten de grootste bron van microplastics in het oppervlaktewater zijn, blijft buiten beeld.

Textielvezels worden al aangetroffen in flessenwater, maar de Nederlandse overheid schuift de hete aardappel voorlopig nog even voor zich uit: zolang niet duidelijk is of synthetische textielvezels problemen veroorzaken, zijn er geen maatregelen en worden initiatieven overgelaten aan de markt. Begin juni schreef staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Infrastructuur en Waterstaat) aan de Tweede Kamer: ‘Ik ga nu eerst verkennen met de textielbranche welke innovatieve oplossingen zij ziet om de emissies van vezels naar het water te voorkomen en om nadere afspraken hierover te maken.’ Uit haar brief blijkt geen urgentie. Dat er tijdens het dagelijks gebruik van álle synthetische textielproducten talloze microplasticvezels loslaten, noemt ze niet eens.

Deze herfst plaatst het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (rivm) ter voorbereiding van een stakeholdersconsultatie zes meerkeuzevragen online. Maar met vragen als: ‘Microplastics uit kleding vormen mijns inziens een probleem voor…’ en ‘Maatregelen moeten worden genomen door…’ gaat het rivm geheel voorbij aan wat er al over dit onderwerp bekend en gepubliceerd is, in binnen- en buitenland. De rijksoverheid plaatst de discussie over microvezels jaren terug in de tijd en gaat het wiel opnieuw uitvinden.

Het is allemaal veel te vrijblijvend voor de industrie, vindt Jeroen Dagevos van de psf. Qua regelgeving moet de overheid echt meer doen. Vezelverlies moet een hard criterium worden, waar een maximum bij gesteld wordt dat een type kleding mag verliezen. Of denk aan een taks, zoals voor CO2 bestaat. Er kan een extra belasting worden ingevoerd op synthetische stoffen. Dagevos: ‘Ook moeten de kwaliteitsdoelstellingen van waterzuiveringen worden aangepast. Er is een maximum voor van alles, zoals metalen en organisch materiaal, behalve voor plastics.’

Synthetisch textiel afschaffen is niet realistisch. Er zijn te weinig grondstoffen om zeven miljard mensen met natuurlijke materialen te kleden. Wel moeten we af van fast fashion, vinden veel onderzoekers. De echte troep moet van de markt en we moeten langer met kleding doen.

Opletten wat we kopen, minder wassen, niet zo heet wassen, minder zeep gebruiken. Misschien helpt het als we met een label op de samenstelling van textiel gewezen worden, zoals in Californië is voorgesteld: als een kledingstuk grotendeels synthetisch is, waarschuwt het label dat er plastic microvezels vanaf kunnen komen. Ook helpt het als producenten de kleding al vijf keer gecontroleerd wassen voordat die op de markt komt. Dan ben je de meeste vezels al kwijt.

Afvangen, reinigen, waarschuwen, tapijten die fijnstof vasthouden, senior projectleider luchtonderzoek van GGD Amsterdam Dave de Jong vindt het allemaal maar behelpen: ‘We willen helemaal niet dat die deeltjes ontstaan. Als die niet in de lucht komen, hoef je ze ook niet met wondertechnieken weer kwijt te raken. Bij de bron aanpakken is veel effectiever en efficiënter.’ Producenten moeten veel betere textielsoorten ontwikkelen. Onderzoek duurt lang. Zo komen pas in 2021 de resultaten beschikbaar van een Europese studie naar betere meet- en risicobeoordelingsmethoden voor micro- en nanoplastics in water. Veel onderzoekers pleiten voor een tussenoplossing, zoals psf-onderzoeker Roscam Abbing. ‘We zijn erg voor gedegen onderzoek dat feiten aantoont, maar hier moet het voorzorgprincipe worden gehanteerd: maatregelen nemen om verdere vervuiling te voorkomen, zonder dat die in alle details bewezen is.’


Dit is het tweede deel van een tweeluik over synthetische microvezels