Nieuw licht op het slavernijverleden

Van een wit naar een zwart perspectief

Niet alleen in de samenleving groeit de aandacht voor slavernij. Ook het historisch onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden leeft op, leert een rondgang langs onderzoekers. ‘De slavernij is veel gevarieerder dan we denken.’

Medium 0429 repro
Mary Stuart, echtgenote van stadhouder Willem II met haar bediende, geschilderd door Adriaen Hanneman, ca. 1664 © Mauritshuis

Het Nederlandse koloniale verleden is in de standaardvertelling een poldervariant op The Good, the Bad and the Ugly. Tegenover het mooie verhaal van gedurfde zeereizen naar de Oost, voor exotische specerijen die van Amsterdam de mooiste stad van de wereld maakten, staat het lelijke verhaal van de West-Indische Compagnie, die maar niet van d e deugdzame voc wilde leren. Het einde, de ‘Politionele Acties’, dat was bij nader inzien niet zo fraai.

Hoe ver dat verhaal naast de historische werkelijkheid zit, wordt steeds duidelijker nu het onderzoek naar slavernij in het Indische Oceaan-gebied in een stroomversnelling is geraakt. De Nederlandse rol daarin is niet mals, van slavernij in Indonesië tot een spilfunctie in de slavenhandel tussen India, Zuid-Afrika en andere landen – een handel die in omvang vergelijkbaar was met die over de Atlantische Oceaan.

‘In Nederland wordt de slavernij in Indonesië en de Nederlandse rol in de Aziatische slavenhandel altijd overschaduwd door de rol van Nederland in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en in de Atlantische slavenhandel’, zegt onderzoeker Matthias van Rossum van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg). ‘Maar dat is eigenlijk best gek. Er is terecht aandacht voor het geweld van Nederland bij de Indonesische onafhankelijkheid, maar dat bouwt voort op lange lijnen van geweld en dwang die ingeweven zijn in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Dat krijgt relatief wel erg weinig aandacht.’

‘De slavenhandel over de Atlantische Oceaan heeft een eigen dynamiek en logica’, vervolgt hij. ‘Amerika raakt ontvolkt door Europese veroveringen en ziektes. Slavernij biedt daar een oplossing voor en dus worden mensen tot slaaf gemaakt in Afrika en naar Amerika verscheept. Maar als je kijkt naar de Nederlandse ervaring, dan vindt slavernij eerst in Indië plaats. De Banda-eilanden zijn de eerste gebieden die de Nederlanders veroveren met het doel plantages met slaven te stichten. Dat is lang voordat Brazilië wordt veroverd of andere gebieden in de West. Als je kijkt naar het Nederlandse wereldrijk zijn de eerste ervaringen met plantage-economie in de Oost.’

Het onderzoek van Van Rossum naar slavernij in Indië en de Nederlandse rol in de slavenhandel in Azië wordt steevast genoemd bij een rondvraag onder een klein tiental onderzoekers (hier niet allen geciteerd) naar nieuw en innovatief onderzoek over het Nederlandse slavernijverleden. Want dat onderzoek, en de belangstelling ervoor, neemt al een paar jaar toe. Het is niet dat er opeens een dijkdoorbraak is na een lange droogte. Er wordt al decennialang onderzoek gedaan naar het Nederlandse slavernijverleden, en in de jaren negentig was er ook een opleving in historisch onderzoek. Dat betrof toen met name het Nederlandse aandeel in de Atlantische slavenhandel, of de omvang en werkelijkheid van de plantage-economieën in Suriname en het Caribisch gebied. Maar daarna zakte het aantal studies wat terug.

Nu neemt dat weer toe, maar vooral de maatschappelijke context is veranderd. Overal rond de thema’s slavernij, de erfenis ervan in het Nederland van nu en racisme is beweging. Dat is zichtbaar bij de discussies rond de geschiedeniscanon en Zwarte Piet, de aandacht voor het werk van Gloria Wekker, de intrede in onze taal van nieuwe termen over ras en etniciteit en het verdwijnen van oude. Er worden gidsen over het slavernijverleden van Nederlandse steden uitgegeven en boottochten georganiseerd langs markeerpunten van dat verleden. Je ziet het ook aan nieuwe archieven die documenten en boeken over slavernij en racisme bijeenbrengen, publicaties en symposia over cultureel trauma, postkolonialisme en verwante thema’s, en studies in sociologie, antropologie, en meer. Al die zaken scheppen een scherper maatschappelijk klimaat waar historisch onderzoek in landt.

Wat meteen opvalt, is dat de scherpe toon en de loopgraven van het publieke debat nagenoeg afwezig zijn onder onderzoekers naar de historische werkelijkheid van slavernij. Ze waarderen elkaars werk, zeggen dat graag en noemen het elkaars ‘goed recht’ om er een andere mening op na te houden waar dat zo is. Onderzoekers van instituten met heel uiteenlopende profielen hebben geen behoefte om verschillen op te spelen. ‘Er zijn wel mensen die het kitlv (het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde – rvdh) een koloniaal bolwerk vinden’, zegt bijvoorbeeld Aspha Bijnaar, die jarenlang als onderzoeker verbonden was aan het NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis. ‘Maar ik zeg: onderzoek is onderzoek.’

‘Ik vind de winstgevendheid van slavernij belangrijk, maar mensen worden zó zenuwachtig van het onderwerp’

De onderzoekers die nu nieuw werk afleveren, tonen ook weinig behoefte om zich tegen de oudere generatie af te zetten. ‘De studies uit de jaren negentig hebben heel veel opgeleverd’, zegt Karwan Fatah-Black, historicus aan de Universiteit Leiden. ‘Er is toen veel terrein geopend, door onderzoekers als Alex van Stipriaan, Humphrey Lamur, Johannes Postma en Gert Oostindie. Ik weet niet precies waarom er daarna een tijd minder lijkt te gebeuren. Wel duidelijk lijkt me dat de interesse van nu is aangejaagd door activisten. Een vrij grote groep heeft de honderdvijftigjarige herdenking van de afschaffing van slavernij aangegrepen om het weer op de agenda te zetten. Dat wordt gedragen door kinderen van de vorige generatie migranten, die teleurgesteld zijn over de gelijkwaardige samenleving die ons allemaal in de jaren negentig was beloofd.’

Medium gettyimages 496814554
Een Nederlandse plantage-eigenaar met een slavin op een plantage in Suriname. Litho gepubliceerd door Friedrich Wilhelm Goedsche in zijn ‘Complete Gallery of Peoples in True Pictures’, 1835 © Florilegius / SSPL / Getty Images

Fatah-Black en Van Rossum schreven samen een studie die veel aandacht trok, waarin zij de omvang probeerden te berekenen van de slavernijsector en zijn economische betekenis voor Nederland. Ze rekenden daarvoor niet alleen mee wat de handelaar kreeg voor verkochte slaven, maar ook wat de slavenschepen uitgaven in Nederlandse havens voor proviand, reparaties, en andere spin-off van de slavenhandel. Dat geeft een veel scherper beeld van de economische betekenis die slavenhandel had dan het uitrekenen van winstmarges voor kapiteins en handelaars. Die benadering zette hen tegenover Piet Emmer, met wie zij zowel in wetenschappelijke tijdschriften als in nationale media debat voerden.

Het was geen succes, vindt Fatah-Black. ‘Ik vind de winstgevendheid en het economisch belang van slavernij een belangrijk onderwerp, maar mensen worden zó zenuwachtig van het onderwerp. Discussie wordt meteen kapotgeslagen voordat je er goed over hebt gepraat’, zegt hij. ‘In het nationale debat zie je veel mensen heel snel naar een conclusie toe redeneren die hun goed uitkomt. Ik vind het echt ontmoedigend om te zien hoe mijn onderzoek en dat van anderen terugkomt in columns of opiniestukken over het slavernijverleden.’

Over het wetenschappelijk debat is Fatah-Black evenmin te spreken: ‘Ook daar zie ik dat onderzoekers snel overgaan op een bagatelliserende toon over het economische belang van slavenhandel. De redenering is dan dat het niet zo veel winst opleverde en daarom eigenlijk een marginale bezigheid was. Het klopt inderdaad dat de slavenhandel niet een grote handelsstroom was, gemeten naar de Nederlandse economie. Maar dat betekent niet dat alle aan slavernij gerelateerde economische activiteit in de Republiek er eigenlijk niet toe deed. In de achttiende eeuw was de Atlantische handel de enige groeiende sector in de Nederlandse economie, alle andere stonden stil of liepen terug. De winstmarges van de slavenhandel liepen dan wel terug, maar de omvang van de gehele Atlantische handel en gerelateerde economische activiteiten namen juist toe.’

Ander innovatief onderzoek van Fatah-Black richt zich op stadsslavernij in Paramaribo. ‘Slavernij blijkt heel anders te werken in een complexe, stedelijke omgeving dan op de plantages’, zegt hij. ‘In de negentiende eeuw stond het juridische onderscheid tussen vrij en slaaf centraal in het leven in Paramaribo, het was belangrijker dan ras. Op het moment dat dat juridische onderscheid verdwijnt, zie je dat de gevestigde elite allerlei nieuwe uitsluitingsmechanismen zoekt om haar positie te behouden. Juist dan komen de raciale ondertonen het sociale leven in. De manier waarop de slavernij werd afgeschaft in overzeese delen van Nederland was dan ook belangrijker voor de raciale verhoudingen erna dan de slavernij zelf.’

Alleen al door het onderwerp wijkt het onderzoek naar de slavernij in Paramaribo af van eerder slavernij-onderzoek, dat zich van oudsher richt op de plantages. Een gevolg van de internationale oriëntatie van het Nederlandse onderzoek, meent Fatah-Black: ‘In internationale wetenschappelijke discussies werd het onderwerp van stadsslavernij populair. Toen ik het op Paramaribo toepaste, bleek dat het heel interessant en relevant voor het Nederlandse verleden werd gevonden, ook omdat precies in die stedelijke context het begin van de Afro-Surinaamse gemeenschap werd gelegd. Die internationale context hebben we nodig. Als we een discussie binnen Nederland waren blijven voeren die zich steeds richtte op vragen als: “Hoe erg was het op de plantages, en wordt daar wel genoeg over gezegd?”, dan blijven we in een kringetje ronddraaien. Ik haal veel inspiratie uit internationale discussies, maar ik zie jammer genoeg dat er een grote kloof is tussen een erg eenzijdig op het Nederlandse verleden gerichte publieke discussie en een internationale, mondiaal georiënteerde onderzoekspraktijk.’

Al in 1593 werd in Amsterdam een huwelijk voltrokken tussen een zwarte, uit Afrika afkomstige man, en een Hollandse vrouw

Opvallend nieuw onderzoek over stadsslavernij kwam ook van Ellen Neslo. Eind vorig jaar promoveerde zij in Utrecht op haar studie Een ongekende elite: De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800-1863 (geschreven in eigen tijd). Ze nam daarin de praktijk van slavernij in Paramaribo onder de loep. Volgens het traditionele beeld was dat een stad die bestond uit slaven en eigenaars. Tot 1863, toen de slavernij werd afgeschaft en de vrijheid neerdaalde over de stad en over heel Suriname.

‘Als je over Suriname in de negentiende eeuw leest, zie je dat de literatuur steeds weer focust op de relatie van eigenaars en slaven. Dat creëert zijn eigen werkelijkheid, waarin er alleen slaven en eigenaars bestaan’, zegt Ellen Neslo. ‘Maar als je de archieven induikt om het negentiende-eeuwse Paramaribo te onderzoeken, dringt zich direct een andere groep naar voren. Anders dan op de plantages hadden mensen in Paramaribo kennelijk de mogelijkheid om hun eigen geld te verdienen en zich vrij te kopen uit slavernij. De succesvolsten van hen begonnen familieleden vrij te kopen, die weer bijdroegen aan het vrijkopen van anderen, en zo ontstond er een sneeuwbaleffect. Ik kwam al vrijgemaakte slaven tegen vanaf de start van de slavernij, rond 1650. Rond 1800 is hun groep al even groot als de groep blanken in Paramaribo. Bij de afschaffing van slavernij, 63 jaar later, zijn de vrije niet-blanken, zoals ik ze noem, veruit de grootste groep: veertienduizend, tegen tweeduizend blanken en vijfduizend slaven.’

‘Het gaat dus om een meerderheid, die een veel betere sociale positie heeft dan gedacht, en die toch bijna volledig uit ons beeld verdwenen is’, vervolgt Neslo. ‘Ik heb van 162 mensen hun sociale leven gereconstrueerd: hun werk, hun netwerk, vrienden, sociale activiteiten, opleiding, interesses, testament. Ze vonden opleiding vaak belangrijk en zetten voor de opleiding van hun nageslacht vaak geld weg. Een aantal studeerde in Nederland, sommigen promoveerden er zelfs. Mijn eerste conclusie: deze groep, die niet wilde wachten tot de slavernij werd afgeschaft, heeft de slavernij in Suriname van binnenuit uitgehold. En ten tweede: de slavernij is veel gevarieerder dan we wel denken. Het algemene publiek en ook wetenschappers kijken vaak naar slavernij door de bril van de bekendere slavernij in de VS. Maar Suriname was echt anders. Net als andere delen van het Nederlandse rijk.’

Volgens Neslo valt er nog veel winst te halen bij onderzoek dat meer op individuen focust: ‘Je hoort bij het onderwerp slavernij vaak: geef die mensen een stem. Via archiefonderzoek kan dat, kun je erachter komen hoe mensen hun eigen leven zagen en vorm gaven. En het levert heel verrassende inzichten op, ook voor mezelf. Ik ben van Surinaamse afkomst en dacht zelf ook: mijn familie was tot 1863 slaaf. Tot ik erachter kwam dat ik familieleden had die zich al in de achttiende eeuw hadden vrijgemaakt. Ik ben erg benieuwd geraakt hoe het was voor iemand om tot slaaf te worden gemaakt en zichzelf dan weer vrij te maken in een samenleving waar nog slavernij bestaat. In de literatuur komt dat te weinig aan de orde.’

Als er een zak geld beschikbaar kwam voor slavernij-onderzoek zou dat volgens Neslo het best naar dergelijk familie-onderzoek kunnen gaan: ‘Het zou goed zijn als Surinamers, Antillianen en Nederlanders die afstammen van slaven meer middelen krijgen om hun familieverhaal te reconstrueren. Er zijn meters archieven, testamenten en andere bronnen bij het Nationaal Archief en elders, en heel veel is gedigitaliseerd. Dat hoeft helemaal niet zo ingewikkeld te zijn.’

Onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden is identiek aan ander onderzoek: als je de aandacht van anderen wil trekken, helpt het als je op verbazende ontdekkingen stuit. Dat is het geval bij Mark Ponte. Ponte is medewerker van het Stadsarchief Amsterdam en speurt daar naar ‘zwarte aanwezigheid’, zoals hij het noemt, in het verleden van de stad. ‘Dat lukt heel aardig’, zegt hij. Die ontdekking waar iedereen de wenkbrauwen bij optrekt, zijn documenten die aantonen dat er al in 1593 in Amsterdam een gemengd huwelijk werd voltrokken tussen een zwarte, uit Afrika afkomstige man, en een Hollandse vrouw. ‘1593!’ riep bijvoorbeeld Fatah-Black uit, ‘dat is écht heel vroeg! Het Stadshuis stond er nog niet, de grachtengordel nog niet, we zaten midden in de Opstand.’

Ponte zoekt naar aanwijzingen van die zwarte aanwezigheid in trouwaktes, notarisstukken en bedrijfsdocumenten. ‘Het gaat niet om grote aantallen, maar halverwege de zeventiende eeuw is er een gemeenschap van zwarte mannen, levend in benedenhuizen, geconcentreerd rond de Jodenbreestraat, waarvan de leden samen optrekken’, vertelt hij. ‘Ik heb tientallen gevallen gevonden van zwarte mannen die trouwden in Amsterdam. Hun wederhelften zijn eerst Hollands of, zoals gewoon in die tijd, immigranten uit andere delen van Nederland, Duitsland of elders, die naar Amsterdam kwamen. Wit, in ieder geval. In de loop van de zeventiende eeuw komt er kennelijk een aanbod van uit Afrika afkomstige vrouwen, met wie ze trouwen en gezinnen stichten.’

‘Wat horen de drie miljoen mensen die elk jaar een rondvaart in Amsterdam krijgen, zit daar ook slavernij bij?’

‘De herkomst van de betreffende man uit 1593 staat op zijn trouwakte aangegeven als Koninkrijk Manikonge, op een andere akte als San Tomé. Maar daar staat ook expliciet “Moriaan” op, wat bevestigt dat het om een Afrikaan gaat’, zegt Ponte. ‘Ik moet een puzzel leggen, dus veel dingen weet ik niet honderd procent zeker. Maar het lijkt in veel gevallen te gaan om voormalige slaven, planters die uit heel westelijk Afrika naar de Nederlandse kolonie in Brazilië zijn gebracht. Als die verdwijnt, komt een aantal hier. Anderen komen uit Suriname en de Antillen. Een deel komt op vrije voeten, van anderen is het niet duidelijk, maar er lijkt bijna altijd een link met slavernij. Vaak zijn het zeelieden, die werken in de vaart. Sommigen komen op heel veel plekken: Nieuw-Amsterdam, Willemstad, Virginia. Er zijn zwarte mannen bij die werken voor de West-Indische Compagnie, zelfs op slavenschepen, al betreft het dan nooit voormalige slaven.’

Bij de notaris nemen de zwarte mannen vaak een Spaanse tolk mee – een teken dat ze slaven waren in gebieden die door de Republiek op Spanje of Portugal werden veroverd. ‘Daar was slavernij schering en inslag. Het lijkt of sefardische joden uit Portugal soms zwarte slaven meebrachten als ze naar Nederland vluchtten’, zegt Ponte. Het is een onderzoek, kortom, dat veel nieuw licht werpt op de geschiedenis van Amsterdam, maar ook op de praktijk en de vele gezichten van slavernij in de Republiek.

Small gettyimages 463921459
Een groep net aangekomen slaven in Suriname door William Blake, 1793 © Ann Ronan Pictures / Print Collector / Getty Images

Opvallend historisch onderzoek dat door andere onderzoekers wordt genoemd, blijkt niet altijd onderzoek te zijn. Er zijn de afgelopen jaren verschillende pogingen geweest om het slavernijverleden inzichtelijk te maken voor Nederlanders. Daarbij konden onderzoekers aanhaken bij de groeiende belangstelling voor slavernij, door nieuwe manieren te zoeken om hun eigen onderzoeksresultaten en die van anderen in de samenleving te delen. Twee onderzoekers die daar succesvol in waren, zijn Aspha Bijnaar en Dienke Hondius.

De eerste probeert haar onderzoek te vertalen naar projecten die de werkelijkheid van de plantageslavernij in Suriname benaderen en overbrengen. Nu is zij zelfstandig onderzoeker, eerder werkte zij jarenlang via het NiNsee, totdat dit instituut al zijn subsidie kwijtraakte. Bijnaar schreef bijvoorbeeld het stripboek Jacquelina: Slavin van Plantage Driesveld, over een vijftienjarig, in slavernij geboren meisje dat haar meester probeert te vergiftigen en eindigt aan de galg. Ze bedacht het idee en leverde het onderzoek voor het theaterstuk Rebelse vrouwen, over vrouwen die zich verzetten tegen de slavernij, en schreef het boek/lespakket/tentoonstelling Kind aan de ketting, over kindslaven. Ook ontwikkelde ze de educatieve website slavernijenjij.nl.

Bijnaar ziet de laatste jaren het aantal studies toenemen die inzoomen op persoonlijke verhalen van slaafgemaakten – wat haar betreft de belangrijkste recente vernieuwing in slavernij-onderzoek. ‘Ik heb de persoonlijke focus ook proberen te leggen in Jacquelina, een stripboek, maar wel gebaseerd op koloniale stukken, politieverslagen, ooggetuigeverslagen. En ook in ons portret van rebelse vrouwen en hun reactie op het leven waar zij zich in bevonden. Maar het is niet eenvoudig, en er ligt nog heel veel ruimte op het gebied van de beleving van de slaafgemaakten zelf. Er zijn heel weinig bronnen van die kant, het meeste is toch door de kolonialen geschreven, vanuit een wit perspectief.’

‘Hoe de slaafgemaakten dachten en zich voelden, waarom ze handelden zoals ze deden, blijft het grootste hiaat dat opgevuld moet worden’, vindt Bijnaar. ‘Ik zie hoe bijvoorbeeld musea worstelen met hoe ze dit kunnen overbrengen. Het blijft moeilijk te beantwoorden. En het is niet zo dat nieuwe archieven automatisch meer inzicht bieden. In het nieuwe The Black Archives is bijvoorbeeld heel veel te vinden over het koloniale verleden, maar weinig over slavernij specifiek.’

Evengoed is Bijnaar ervan overtuigd dat de Nederlandse archieven voldoende materiaal bieden, als er maar tijd en geld beschikbaar is om daar diep in te duiken – zie het voorbeeld van Ellen Neslo en Karwan Fatah-Black. Mocht er geld beschikbaar komen voor onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden, dan ziet Bijnaar dat het liefst naar dergelijk onderzoek gaan – door onderzoekers van kleur. ‘Het grootste deel van het onderzoek wordt door witten uitgevoerd. En ik zou heel graag zien dat er meer zwarte onderzoekers zich hiermee bezig zouden houden. Daar hebben alle betrokkenen hun eigen verantwoordelijkheid bij: de universiteiten, de overheid, maar ook de mensen zelf, om wie de geschiedenis gaat.’

Dienke Hondius werkt onder meer mee aan Black Heritage Tours, wandelingen en boottochten langs het slavernij-gerelateerde verleden van Amsterdam. Ze is medeauteur van de Gids Slavernijverleden Amsterdam, die al vijfduizend maal werd verkocht en aan een nieuwe editie toe is. Haar project Mapping Slavery, het in kaart brengen van het slavernijverleden van Nederlandse steden, hangt daarmee samen. Ook al zo’n internationaal geïnspireerd project, trouwens, naar voorbeeld van de slavernijkaarten die University College London had gemaakt.

‘Het zijn geen nieuwe onderzoeken, maar wel nieuwe manieren om kennis te presenteren, publieksgeschiedenis’, zegt Hondius. ‘Ze tonen dat het slavernijverleden zich híer heeft afgespeeld, in onze straten, aan de keukentafels van oude wijken, de salons van de grachtengordel, de suikerfabrieken in de Jordaan, en op allerlei plekken die nooit met het slavernijverleden worden geassocieerd: Groningen, Den Haag, Brabant, Utrecht. Ik zou die slavernijgeschiedenis zichtbaar willen maken en willen laten benoemen. Wat horen de drie miljoen mensen die elk jaar een rondvaart in Amsterdam krijgen, zit daar ook slavernij bij?’

‘Die vraag heb ik niet alleen bij Amsterdam, maar ook bij allerlei zaken die mede zijn gefinancierd met geld dat werd verdiend in de slavernij’, vervolgt Hondius. ‘Buitenhuizen en landgoederen zijn in dat opzicht een rijk potentieel. Rijke handelaren hadden buitens in Waterland, het Gooi of elders. Heel vaak waren die in handen van plantage-eigenaren of van investeerders met slavernij-gerelateerde belangen. Het zou goed zijn als bezoekers dat weten en zich realiseren dat slavernij niet iets is wat zich alleen ergens anders afspeelde, overzee. Dat hoop ik voor de toekomst: dat je een wandeling maakt en je bewondert zo’n buitenplaats, en dat je dan een bordje ziet dat je ook daarop wijst.’