Kan Den Haag zichzelf voeden?

Van eetbaar park tot foodcity

Zeven jaar geleden werd het idee voor een smulbos nog weggehoond. Inmiddels blijkt stadslandbouw hot te zijn. Om uiteenlopende redenen.

ZOU HET mogelijk zijn om een stad als Den Haag zichzelf te laten voeden? Alles geteeld, gefokt, gekweekt en gevangen binnen de eigen, mogelijk een klein beetje opgerekte stadsgrenzen?
Dat leek me een aardig gedachte-experiment. De vraag borrelde bij me op tijdens een symposium met de titel Eetbaar Park, georganiseerd door Stroom, het Haagse centrum voor beeldende kunst en architectuur. Daar zag ik dat in de Cubaanse stad Havanna stadslandbouw heel normaal is, of beter gezegd hard nodig. Grote stukken grond midden in woonwijken zijn daar in gebruik als moestuin en op balkons en platte daken worden allerlei soorten groenten en kruiden verbouwd. De Nederlandse volkstuintjes aan de rafelranden van de stad vallen daarbij in het niet, als daar al groenten worden gekweekt. Maar waar te beginnen? Eerst maar eens naar het Zuiderpark. Daar is op de dag van dat symposium, vorig jaar oktober, ook echt een Eetbaar Park geopend. Hoe zou dat er een paar maanden en veel zonuren later bij liggen?

NOG MAAR ZEVEN jaar geleden werd het plan geopperd om speciaal voor de allochtone Nederlander een smulbos aan te leggen. De nieuwe Nederlanders waren immers nog gewend om de natuur in te gaan om bosbessen of paddenstoelen te plukken. Het voorstel werd weggehoond. Allochtonen voelden zich belachelijk gemaakt, autochtonen vroegen zich af waarom zij dan altijd hadden geleerd overal van af te blijven in het bos. Maar google nu op ‘smulbos’ of 'eetbaar park’ en het blijkt een trend.
In het paviljoen op het Eetbaar Park - park én paviljoen zijn een ontwerp van de Britse kunstenaar Nils Norman - is de middag dat ik er ga kijken een workshop, over permacultuur. Norman heeft het paviljoen en de omliggende tuin aangelegd volgens de regels van de permacultuur, een ontwerpfilosofie waarin duurzaamheid, landbouw en architectuur hand in hand gaan: materialen worden hergebruikt, de grond wordt niet uitgeput, energie hernieuwd. De kunstenaar heeft voor de onderbouwing van zijn ontwerp de filosoof Thomas More erbij gehaald. More schetste in zijn Utopia een beeld van de ideale maatschappij waarin veel aandacht is voor het zelf verbouwen en oogsten van voedsel. Dat maakt onafhankelijk.
Volgens Norman hebben mensen ook nu, als gevolg van de economische crisis, de klimaatcrisis en de globalisering, behoefte aan onafhankelijkheid, en aan gemeenschapszin.
Wat er vorig jaar oktober nog kaal bij lag, is inmiddels volop groen. Hier geen hoekige veldjes met rechte rijtjes tuinbonenplanten of tomaten, zo kenmerkend voor onze moestuinen. Ik meen een kool te ontwaren, dan weer een kruid en wat zou dit zijn? Als stadsmens herken ik dit maar met moeite als eetbaar park.
Even verderop, in een deel van het Zuiderpark waar vroeger schooltuintjes waren, zijn een paar mensen aan het werk in hun privé eetbare parkjes. Hier wel de rechte hoeken, de rijtjes en de voor mij herkenbare bonenstaken en andere groenten. Een oudere vrouw geeft geduldig uitleg over wat ze op haar perceeltje heeft staan. Hoeveel tijd is ze nou met haar moestuin bezig? In het seizoen toch wel twee tot drie uur per dag. Soms slaat ze wel eens een dagje over, maar die uren haalt ze dan later weer in.
Twee tot drie uur per dag? Dat zet aan het denken. Als Den Haag zichzelf zou moeten kunnen voeden, moet elke Hagenaar dat dan voor zichzelf kunnen? Twee tot drie uur per dag alleen al voor het bijhouden van een moestuin: daar hebben we geen tijd voor.

IK GA praten met Peter de Rooden, van Stroom Den Haag, de organisator van het symposium over het Eetbaar Park, de man die voor Stroom het programma Foodprint leidt. Dat is, zoals Stroom het zelf omschrijft, een langlopend programma over de invloed van voedsel op de cultuur, de inrichting en het functioneren van steden. De Rooden is een bron van informatie over wat er allemaal gebeurt op het terrein van stadslandbouw.
In de wereld van de varkenshouderij kwam een aantal jaren geleden de vraag op hoe grote stallen in te passen in het landschap. 'Maar’, zegt De Rooden, 'die stallen zijn er voor de bewoners van de grote stad. Stedelingen zijn eigenlijk heel dubbel: wij willen als we buiten de stad fietsen of rijden geen grote stallen zien, maar we willen wél goedkoop vlees eten.’
Hij komt met een reeks achterliggende redenen waarom stadslandbouw in trek is. Eén is voedselzekerheid: waar haalt een stad zijn voedsel vandaan als de lange aanvoerlijnen verstopt raken? New York werd zich daar volgens De Rooden van bewust na de aanslag op de Twin Towers. Ook de Britse hoofdstad kent inmiddels de London Mayor’s Food Strategy.
Menige stad wil volgens De Rooden ook meewerken aan het bestrijden van de klimaatcrisis. Als je dan toch van plan bent om daarom klimop te planten, waarom dan geen eetbaar groen? Met voedsel dat van dichtbij komt, kun je bovendien veel transport en daarmee de uitstoot van schadelijke stoffen voorkomen. Samen in het buurtparkje perenbomen verzorgen, kweekt ook nog eens gemeenschapszin. Een beetje meer aandacht voor wat we eten, kan ook het eten van gezond voedsel bevorderen. En, niet in de laatste plaats, een in de zon gerijpte aardbei van eigen grond is gewoon lekkerder.
De Rooden wijst me op The Why Factory aan de TU Delft. Daar hebben de eerstejaars masterstudenten bouwkunde zich in het afgelopen studiejaar de vraag gesteld of een stad van één miljoen mensen zichzelf binnen de eigen stadsgrenzen kan voeden en hoe zo'n Foodcity er dan uit zou zien. Het is puur toeval. Maar misschien hangt de vraag die ik mezelf had gesteld wel in de lucht.
Zo komt het dat ik begin juni naar Delft fiets om de presentatie bij te wonen van de ontwerpen die de studenten hebben gemaakt. Al gauw duizelt het: de impact van die vraag is enorm. De studenten hebben zich moeten afvragen hoeveel de westerse mens per dag eet, hoeveel hij drinkt, hoeveel ruimte het fokken en kweken en telen van al dat voedsel in beslag neemt, waar dat voedsel moet worden opgeslagen, hoeveel afval er wordt geproduceerd, hoeveel energie een Foodcity nodig zou hebben, of de westerse mens nog wel thuis kookt, ga zo maar door.
Ik zie een ontwerp voorbij komen waarin de term varkensflat een totaal andere lading krijgt dan in de discussie over megastallen. Deze student heeft een Foodcity ontworpen waarin naast gigantische woontorens ook voedseltorens staan, waarin koeien grazen op veertien hoog, ergens anders de varkens wonen, maar ook rekening is gehouden met bomen én hun wortels, want waar laat je die in een flat.
Een collega-student heeft haar stad opgebouwd uit piramides om toch maar van alle zonne-energie gebruik te kunnen maken. Er komt een ontwerp voorbij met helixvormige torens. Weer een ander noemt zijn stad donut-city, omdat hij rondom de plek waar de mensen wonen in een op een donut lijkende ring de productie van het voedsel heeft gesitueerd. Er is ook een divercity, waarin bewoners - uitgerust met zuurstoftanks - vanuit onderwaterkamers grote vijvers in kunnen zwemmen en tussen de vissen uitkomen die misschien later wel op hun bord liggen.
Alle ontwerpen zien er futuristisch uit. Ze lijken in niks op het Eetbaar Park en de idylle die Norman daar heeft geschapen. Het is een clash van werelden, een botsing tussen wat ik gemakshalve maar even noem de toekomstdenkers, die het groot aanpakken met gebruikmaking van de nieuwste technieken, en de geitenwollensokken, die denken in kleine projectjes en teruggrijpen naar oude (land)bouwtechnieken. Wat me opvalt aan de ontwerpen is dat niet één stad vleesloos is. Dat was ook niet de opdracht. Het ging niet om een ideaal, maar om een oefening waarbij is uitgegaan van bestaande eetgewoonten.

MAAR EEN VLEESLOOS dieet zou wel een groot verschil maken voor het ruimte- en energiegebruik van een Foodcity. Die conclusie trek ik een dikke twee weken later op een symposium van het Haags Milieucentrum. Een van de sprekers daar is Harry Aiking, hoofddocent aan het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit Amsterdam. Ook van zijn presentatie gaat het je duizelen. Over veertig jaar hebben we met onze huidige eetgewoontes wereldwijd zeventig procent meer voedsel nodig. Dat vereist een verdubbeling van de opbrengst aan voedsel per hectare. De voedselproductie gebruikt nu al dertig procent van al het land, zeventig procent van het zoetwater en dertig procent van de energie. Als we nu zouden stoppen met het gebruik van kunstmest, wat goed zou zijn voor het milieu, is er nog maar voor de helft van de wereldbevolking eten.
Aiking laat ook zien hoe de vleesconsumptie in de loop der jaren is toegenomen. Aten we in 1950 wereldwijd 45 miljard kilogram vlees, in 2000 was dat meer dan vertienvoudigd, terwijl de wereldbevolking in diezelfde tijd net iets meer dan verdrievoudigde. Vlees, maar ook zuivel, is volgens Aiking een inefficiënte eiwitbron, waar het de productie betreft. De Nederlander eet volgens hem maar heel weinig plantaardige eiwitten en veel daarvan komen nog van de sloten koffie die we dagelijks drinken. De moraal van Aikings verhaal is dat we meer groente moeten gaan eten maar tegelijkertijd ook minder moeten gaan eten, omdat we anders de wereld uitputten en kapot maken.
Ondanks al onze kassen, akkers, weilanden en stallen kan Nederland zich maar voor een kwart zelf voeden. Heel Nederland! Hoe kan de bevolking van Den Haag dat dan ooit binnen de eigen stadsgrenzen?

EEN PAAR dagen later is er in de Haagse Schilderswijk een feestje. Het project Urbaniahoeve bestaat één jaar en een groep belangstellenden loopt door de wijk om in binnentuinen van huurflats en bij de gevel van oude hofjeswoningen te kijken wat er is geworden van de vorig jaar geplante kleine rijtjes fruitbomen en -struiken, waartussen lavendel en andere bloemen in bloei staan.
Urbaniahoeve omschrijft zichzelf als een Social Design Lab voor stadslandbouw, wat iemand de opmerking ontlokt dat dit klinkt naar de jaren zeventig en de idee dat de samenleving maakbaar is. Op het foldertje wordt gesproken over foodscapes en het produceren van kunst in de openbare ruimte. Dus als de boer schoffelt is het werk en als zij het doen is het kunst, mompelt iemand naast me tijdens de wandeling.
Wat ik mezelf afvraag: is de kunstenaar nodig om ons stadsmensen bewust te maken van ons voedsel, ons samen te laten werken op een klein stukje stadsgrond en onze jeugd te leren dat appels niet in de supermarkt groeien? Misschien wel. Zij wijzen ons erop dat we dagelijks van alles in onze mond stoppen, maar vaak geen idee meer hebben hoe het groeit. Zoals de wetenschapper het als zijn taak ziet ons te waarschuwen voor de gevolgen van ons eetpatroon. En de studenten bouwkunde in Delft zich het hoofd breken over de vraag wat er allemaal komt kijken bij het bouwen van een stad die zich écht zelf kan voeden. Want van onze moestuinen, eetbare parken en andere kleinschalige stadslandbouwprojecten kunnen wij in Den Haag nooit allemaal eten.