Interview: Marita Mathijsen

«Van Emants nooit gehoord!»

Hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde (UvA) Marita Mathijsen maakte zich kwaad toen niet Multatuli, of Beets, of Van Lennep tot Grootste Nederlander werd verkozen. Want we kunnen, en moeten, veel leren van de negentiende eeuw.

In de Grote Herformulering van de Nederlandse Identiteit valt het oog nu op het geschiedenisonderwijs. Dat moet beter, Nederlandser; bedilzuchtige hervormers hebben het zelfs over «patriottisme» en «nationalisme» als richtlijn bij het herpositioneren van de historische symbolen en protagonisten van onze cultuur. Zij doen denken aan de heren Jacobse en Van Es, die ooit uit vaderlandsliefde een krans legden bij het ruiterstandbeeld van Willem II op het Buitenhof – aan de achterkant. Ze staarden stemmig naar de kont van het paard, en zeiden: «Quatre Bras. Dat was ook een hele grote!»

Deskundigen als Marita Mathijsen, hoog leraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, zien dat debat met enige ergernis aan. Mathijsen maakte zich publiekelijk kwaad toen de man die ons de OV-jaarkaart bracht tot de Grootste Nederlander aller tijden werd verkozen, en niet Multatuli, of Beets, of Van Lennep.

Haar laatste boek, een bundeling van artikelen die ten grondslag lagen aan haar essay De gemaskerde eeuw, biedt een breed overzicht van de enthousiasmes van de negentiende eeuw. Ook toen bezonnen de Nederlanders zich, in hun kersverse koninkrijk, op hun geschiedenis en hun cultuur. Dat proces kwam in een stroomversnelling door de Belgische Opstand van 1830, dit jaar 175 jaar geleden. Ten onrechte, zegt Mathijsen, wordt de Romantiek gezien als een tijd van hysterische aanstellers.

Marita Mathijsen: «Je moet die Romantiek op een minder overspannen manier bekijken dan over het algemeen gedaan wordt in school boeken of in de krant en door dwepers als Boudewijn Büch, Atte Jongstra of Joost Zwagerman. Hölderlin, opgesloten in een toren, toegevend aan zijn waanzin; Byron, jong gestorven, met z’n horrelvoet naar Griekenland toe, thuis allerlei ongelukkige vrouwen achterlatend, dat zijn de extreme uitzonderingen. Dat zijn gewoon borderliners, destructieve persoonlijkheden die in elke tijd voorkomen. Iemand als Rogi Wieg is ook een borderliner, die mensen tot wanhoop drijft. Dat is niet specifiek voor de Romantiek. Die extreme persoonlijkheden waren er in Nederland ook. Bilderdijk was er één. Je hebt mensen die zich doodgedronken hebben, Adriaan van der Hoop, je hebt mensen als Alexander Verhuell, die een eenzame zonderling werd en er op z’n huwelijksdag vandoor ging. Zelfmoordenaars had je hier ook. Maar Haverschmidt pleegde pas zelfmoord toen hij 59 was. Bilderdijk werd 73, Beets bijna negentig.»

Heeft het ook romantische literatuur van jewelste opgeleverd?

Marita Mathijsen: «Dat is wat iemand als Kees Fens blijft vragen: als die periode zo bijzonder is, hoe komt het dan dat de literatuur toch niet zo verschrikkelijk interessant is? Toppunten in de literatuur zijn er maar heel weinig, vooral in een klein land. Engeland is vijf keer zo groot, en als daar in een eeuw vijf belangrijke schrijvers voorkomen, dan mag Nederland er één belangrijke opnoemen. Als je die Nederlandse literatuur goed leest en er met een open geest naar kijkt, dan is die net zo mooi als de literatuur van de zestiende, zeventiende, achttiende en late negentiende eeuw. En het zakt tóch weg. Couperus… wie leest het nog? Goed, hij ligt bij het Kruidvat, maar wordt het ook echt gelezen? De Tachtigers sowieso niet meer. Onlangs gaf ik college aan eerstejaars geschiedenisstudenten: van Emants nooit gehoord, niets van gelezen, en Emants beschouw ik toch echt als een van de grote en betere schrijvers van de negentiende eeuw. Veel is gebaseerd op onkunde en doodgewone luiheid. Het weigeren zich te verdiepen in een gedicht waarin wat oudere taal staat, het weigeren zich mee te laten voeren door de charme van die oude taal. Dat ergert me soms mateloos. Dat men het wél opbrengt in vertaling iets te lezen uit het buitenland, de zusters Brontë, de Jane Eyres en dergelijke, en dat men dat niet op brengt voor de Nederlandse literatuur! Goed, Hermingard van de Eikenterpen van Drost, daar moet je je even doorheen bijten. Daar zit niet een groot pathos in. Dat zit wel in de boeken van Bosboom-Toussaint, en vooral in de boeken van Van Lennep. Buitengewoon onderschat is J.J. Cremer, die echt heel interessant is. Dokter Helmond en zyne vrouw, een arts die zich laat meeslepen door de seksualiteit van zijn vrouw en zichzelf ten onder drijft; Anna Rooze, over iemand die beschuldigd wordt van kindermoord en preventief gevangen wordt gezet, en het niet gedaan blijkt te hebben. Boeken over stakingen, over kinder arbeid, over de uitsluiting van joden – daar speelt zich veel meer in af dat je kunt betrekken op de maatschappij van vandaag dan men weet.»

Daar zitten goede films in?

«Die zitten natuurlijk vooral in Van Lennep. Ik zit in een commissie die probeert een serie van Klaasje Zevenster van de grond te krijgen bij de Tros. Het is moeilijk.»

De situatie aan het begin van de negentiende eeuw heeft wel iets van die van Letland en Estland nu: kleine landen die na een lange tijd stilstand hun hele cultuur moeten herontdekken. Alles moet heruitgevonden worden: taal, volkslied, spelling, muziek…

«Dat is een van de leuke aspecten van de negentiende eeuw, dat het werkelijk nog allemaal geschreven moest worden. De literatuurgeschiedenis was er nog niet. Het woordenboek was nog niet klaar! Een heleboel oude middeleeuwse teksten waren nog niet ontdekt. Karel ende Elegast was nog niet ontdekt. Floris ende Blanchefloer: nog niet ontdekt. Esopet was nét ontdekt, in 1817. Van den vos Reinaerde: nog niet ontdekt! Die mensen die het konden lezen, moeten hebben staan knipperen met hun ogen van wat daar opeens te voorschijn kwam.»

Dachten ze niet, als nu: wat moeten we met die oude troep?

«Nee, er was een grote historische belangstelling, alom. Het is niet voor niks dat de stijl van de negentiende eeuw historiserend is. Elk gebouw in de negentiende eeuw was historisch. Niks eigen stijl. De historische roman is hét overheersende genre in de negentiende eeuw.»

Gold die oriëntatie op het verleden ook voor de staatsinrichting en de politiek?

Marita Mathijsen: «Nee. De negentiende eeuw kent twee grote vergissingen: de afscheiding van België en de oprichting van het koningshuis. Terwijl we een mooie oude republiek hadden, één van de mooiste en oudste van Europa. Het is toch doodzonde dat ze dat opzijgezet hebben. Dat zijn de angsten van het begin van de negentiende eeuw, om als staat weer opnieuw omvergelopen te worden door Frankrijk. De afscheiding van België is zelfs een van de rampen van de negentiende eeuw. Vind ik. Het zou zo leuk geweest zijn als Nederland en op z’n minst Vlaanderen één taalgebied en één land waren geweest. Voor de literatuur zou het zoveel spannender zijn geweest: een groter taalgebied, grotere uitwisseling – allerlei dingen die zich nu onafhankelijk van elkaar ontwikkeld hebben zouden dichter bij elkaar zijn gebleven.»

Wat betekende de Belgische Opstand voor de jonge Nederlandse cultuur?

«De Opstand heeft het nationale zelfbewustzijn versterkt, in het noorden althans. Het idee uit de Franse tijd dat de Nederlanden één natie moesten zijn, was een vrij abstract geheel gebleven tot die Belgische Opstand uitbrak. Men voelde zich eigenlijk ook bevrijd van die onderontwikkelde landen, die er niet echt bij hoorden. De oude godsdienstkwestie bleef ook een rol spelen. De wonden van de Tachtigjarige Oorlog werden weer opengekrabd.»

De noorderlingen verloren daarmee wel een scala aan «nationale» figuren. Rubens, bijvoorbeeld.

«Het beeld van Rembrandt op het Rembrandtplein was er zonder de Belgische Opstand nooit gekomen. Maar de middeleeuwse letteren werden daardoor wel minder fraai, want dat was uit het Zuiden. Er is geen Noord-Nederlandse middeleeuwse schriftuur. Ruusbroec, Hadewych, dat is allemaal het zuiden. Ook de architectuur die overgeleverd is, de mooie echt middeleeuwse steden, dat is allemaal het zuiden. Toen is de aandacht dus nog meer naar de zeventiende eeuw verschoven.

Er werd bijvoorbeeld een Nationaal Kos tuum ontworpen, door een uitgever en een suikerfabrikant in Amsterdam. Die hebben tekeningen gemaakt van een kostuum dat iedereen zou moeten aantrekken, gebaseerd op de kleding van de zeventiende eeuw. Voor de vrouw werden tijdschriften uitgegeven met patronen, zodat die dat zelf thuis konden gaan maken of door de kleermaker konden laten uitvoeren. Die uitgever, of die suikerraffinadeur, liep met z’n gezin zondags te paraderen in het Nationaal Kostuum.»

Witte kragen? Kuitbroeken?

«Voor mannen is het heel sexy. Een maillot en een getailleerde jas, een beetje wijd van onder, het ziet er leuk uit. Het vrouwenkostuum niet, dat is een beetje Volendams. Het is geen succes geworden.»

Is de roep om een «nationalistische» herwaardering van de geschiedenis riskant? Of lijden we aan koudwatervrees?

Marita Mathijsen: «Nationalisme dat barrières optrekt is geen goed nationalisme. Maar nationalisme waarbinnen je een zekere trots hebt, zoals de Fransen die voelen voor hun eigen cultuur, is helemaal niet zo gek. Dat je in Frankrijk bij een benzinestation gewoon Proust kunt kopen, dat zou hier ook wel eens mogen. Ik heb een keer in Frankrijk een vertaling van Vestdijk aangetroffen bij een benzinestation! Er heerst een algemene minachting voor de Nederlandse cultuur, een gebrek aan historisch besef, een gebrek, ook bij leraren, aan verantwoordelijkheidsgevoel om een canon aan te brengen. Iemand van achttien moet Max Havelaar gelezen hebben, die moet naar een voorstelling van Lucifer geweest zijn, die moet het Rijksmuseum bezocht hebben. Anders krijgt-ie geen Nederlanderschap.»

Er zat bij de Grootste Nederlander-verkiezing maar één negentiende-eeuwer in de top tien: Vincent van Gogh.

«Het is een feit. Geen Thorbecke, geen Multatuli, geen Gogel, geen Beets, die zat niet eens bij de eerste honderd. Van Lennep stond geloof ik nog wel bij de eerste honderd. Ik heb de leden van mijn negentiende-eeuwclub niet genoeg geïnstrueerd dat ze op z’n minst Multatuli een stuk omhoog hadden moeten schrijven.»

Wat kunnen wij leren van de Romantici?

«Ik vind het wij-gevoel dat ze in de negentiende eeuw hadden het mooiste: ‹Als wij met z’n allen onze schouders ergens onder zetten, dan kunnen we dat voor elkaar krijgen.› Nu hoor je vaak: ‹De straatlantaren brandt niet, ze doen d’r niks aan.› Negentiende-eeuwers wachtten niet lijdzaam af. Als ze merkten dat er geen hotel in Amsterdam was waar inter nationale mensen konden komen, dan gingen ze erover praten, in de sociëteit, en dan kregen ze het voor elkaar. Er was een sterk geloof in de verbeterbaarheid van de wereld. Dat leidde tot al die acties, tegen de slavernij, tegen de doodstraf, tegen de drank, tegen de kinder arbeid, voor de verbetering van de gevangenissen, voor de beschaving van de maatschappij. Ik heb traktaatjes gevonden van de antiprostitutie beweging. Mensen die de bordelen afgingen, met kleine papiertjes waarop stond: ‹Kom los hiervan!› Ze gingen naar die prostituees toe, op de werkvloer. Niet van boven af ertegen schrijven, maar zelf naar binnen gaan.»

De maatschappij was als een zieke die moest worden verpleegd. Wat voor rol speelde de kunstenaar daarin?

«De milddadige, de liefdadige schrijver die ook werkt aan de verbetering van de maatschappij, daar is Van Lennep natuurlijk het voorbeeld van. Er kon geen standbeeld in Amsterdam of in Nederland tot stand komen of hij was erbij betrokken. Hij steunde schrijvers die het moeilijk hadden; hoe je ook verder denkt over zijn hulp aan Multatuli, het is wel hulp geweest, financiële hulp, hij heeft hem uit zijn eigen zak voorschotten gegeven. Alle grote gebouwen in Amsterdam uit de negentiende eeuw, het Rijksmuseum, het Amstelhotel, zijn onder meer aan hem te danken. De Duin waterleiding is een direct initiatief van hem. Bij het 150-jarig bestaan van die waterleiding opperde ik dat Van Lennep een standbeeld in Amsterdam zou moeten krijgen. Dat zou kunnen bij het Leidseplein, vanwege zijn verdiensten voor het toneel, het zou kunnen in het Vondelpark, maar de allermooiste plaats zou toch zijn bij de oude Willemspoort, de Haarlemmerpoort, omdat daar de water leiding de stad binnenkwam. Dat heeft zo veel voor de stad betekend – cholera werd daarna minder, et cetera. Wij drinken nog steeds uit leidingen van Van Lennep. Dat idee werd opgepikt. Er is nu een commissie aan het werk voor een standbeeld voor Van Lennep. Dan denk ik: goh, zo zou het in de negentiende eeuw ook gegaan zijn.»

Marita Mathijsen

Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880

Vantilt, 336 blz., €24,90