Van ergens terug naar nergens

VAN DAN JACOBSON, in 1929 geboren in Zuid-Afrika en sinds 1954 woonachtig in Engeland, zijn in de jaren zeventig twee romans vertaald: De verkrachting van Tamar en De bekentenissen van Josef Baisz. Ik weet niet wat Jacobson in die tussentijd geschreven heeft, maar tussen deze laatste roman en het nu vertaalde Heshels rijk lijkt een duidelijk verband te bestaan, namelijk de vraag: kan een mens zijn lot zelf sturen? Aan die vraag zijn nogal wat consequenties verbonden, maar het idee wordt op z'n minst gerelativeerd doordat het altijd om een waarheid of wijsheid achteraf gaat. Zo vertelt Josef Baisz in zijn bekentenissen hoe hij in de Republiek Sarmeda, een zogenaamd imaginair land, ervoor koos te worden wat hij dacht te kunnen worden: een slecht mens. Als lijfwacht van velen klom hij hogerop, geen middel schuwend, iedereen tot en met zijn naasten verradend, verslaafd aan het pijn doen. Hij eindigt het verslag van zijn leven met het verraad van zichzelf.

TOEN HESHEL Melamed, rabbi in een Litouws plaatsje, in 1919 stierf, was dat tien jaar voor de geboorte van Dan Jacobson, de jongste zoon van zijn oudste dochter. Deze kleinzoon, de schrijver nu, stelt de grootvader die hij nooit gekend heeft enkele vragen, waarmee hij hem tevens verantwoordelijk maakt voor zijn eigen bestaan en het voortbestaan van anderen.
Jacobson praat achteraf, wetend wat er in de driekwart eeuw na Heshels dood gebeurd is; alles draait dus om een ‘als’. Als de rabbijn niet in 1919 op 53-jarige leeftijd gestorven was, zouden zijn vrouw en hun negen kinderen hoogstwaarschijnlijk, zoals de meeste joden in die streek, door de Duitse nazi’s en hun trawanten vermoord zijn. Natuurlijk kon Heshel niet in de toekomst kijken, maar zijn besluit om daar te blijven was, achteraf gezien, een keuze voor de dood. In het begin van zijn kroniek bestudeert Jacobson een portret van zijn grootvader, genomen vlak voordat deze in 1912 naar Amerika zou gaan om in Cleveland rabbijn te worden van een groep Litouwse joden. Teleurgesteld vanwege de degeneratie van de joden in Amerika keerde hij terug, maar ook omdat hij heimwee had naar zijn bevoorrechte positie in Litouwen, waar hij de belangrijkste figuur was en zich in het middelpunt van de wereld had kunnen wanen. Door zijn terugkeer verdoemde hij zijn familie in Litouwen te blijven. De vlucht voor de Duitsers in 1914 zou een generale repetitie blijken. Overigens was het toen geen vlucht oostwaarts uit angst voor de Duitsers, integendeel, de tsaristische regering gaf daartoe opdracht uit vrees dat de altijd al Duitsgezinde in het Oosten wonende joden de kant van de vijand zouden kiezen.
WAT IS DIT nu voor boek? Geen 'familiekroniek’, zoals de ondertitel luidt, ook geen autobiografie, al was het maar gespiegeld aan een voorvader; die spiegeling is eerder een krachtmeting van een overlevende met een nagenoeg vreemde overledene. 'Van de vele draden die door mijn vroegste jaren lopen, wil ik er maar één volgen: die van de relatie die ik had, of die ik niet had, met dat verre deel van de wereld waar mijn ouders vandaan gekomen waren.’ Jacobson voelt zich geobsedeerd door de vreemdheid van die voorgeschiedenis in een streek die een Nergens leek in vergelijking met de plaats waar de familie in Zuid-Afrika terechtkwam. Ze belandde daar door een samenloop van omstandigheden, die de schrijver wil traceren, gefascineerd als hij is door wat Shakespeare in Macbeth schreef: 'If you can look into the seeds of time,/ And say which grain will grow and which will not.’
Geen autobiografie dus, maar de uitwerking van een idee, de documentatie van een wensgedachte: kan men het noodlot zodanig beïnvloeden dat het een eigenhandig gestuurd lot wordt? Josef Baisz baande zich in de genoemde roman op eigen kracht een weg naar boven. Grootvader Heshel koos - op basis van een rotsvast geloof, waarom de kleinzoon hem juist zal aanklagen - een lot voor zichzelf en de zijnen dat, als de dood geen spelbreker was geweest, noodlottig voor velen zou zijn afgelopen. En Dan Jacobson? Hij beseft dat zijn leven grotendeels het product is van de grillen van het lot.
ONGEVEER OP de helft wordt Heshels rijk een ander boek. Het eerste deel is het boeiendste. Met alleen een foto, een brillenkoker en een adresboekje, wat verhalen van familieleden, een paar opstellen van zijn moeder en persoonlijke herinneringen, maakt hij zich een voorstelling van de tijd die aan zijn leven voorafging.
Hij weet inmiddels veel. Zo kent hij de feiten van de uitroeiing van de joden in de landen van zijn vader (Letland) en van zijn moeder (Litouwen). Maar die verre contreien bestonden alleen maar uit namen, begint hij te beseffen: 'Is het mogelijk je “wortels” te hebben in zo'n afgrond?’ Hij wilde naar Litouwen, wat hem pas in de jaren negentig werd toegestaan. Hij wilde de fysieke werkelijkheid vaststellen, het land zien, plaatsen bezoeken, sporen zoeken van de wereld die voor zijn grootouders even vertrouwd en vanzelfsprekend was geweest als het Kimberley in Zuid-Afrika eens voor hem.
Hij reist er rond met zijn zoon en hij vindt er niets: het verleden is vervlogen. Van de massavernietiging resten nog slechts omheinde executieplaatsen, gedenktekens, een museum, een enkele synagoge (door de Duitsers als toekomstig museum gespaard) en hier en daar een jood. Nooit heeft hij geweten in hoe korte tijd de joden uit de weg werden geruimd. Hij schrikt bij de gedachte dat de foto’s van de executies door de moordenaars zelf moeten zijn gemaakt. Zijn conclusie: 'Hoe zwak was mijn verbeeldingskracht geweest?’ Hij beseft: dit is de plek geweest, maar hij ziet niets meer.
HET KAN nauwelijks anders of zijn beschrijvingen zijn een beetje schraal: hulpeloze kiekjes van enkele lege oorden in het Oosten van Europa. Het verleden is geen afgrond, geen bodemloze put, zoals hij zich dat in het begin van zijn boek voorstelde, maar: 'Deze banken en dat groepje openbare gebouwen; die bomen en verkeerslichten; de bocht in deze straat.’ Daar stond de synagoge waar ooit zijn grootvader en overgrootvader kwamen om te bidden en te studeren, en de gemeente toe te spreken.
In de droom waarmee zijn boek besluit is het nooit gebeurd: 'Alles was zoals het geweest was en zoals het altijd zou zijn.’ Zo ondramatisch is de plaats van de misdaad voor de ooggetuige van het resultaat van de Endlösung (zo heette dat, en niet 'Definitieve Oplossing’, het is en blijft een Duits woord).
Op het laatst spreekt de schrijver zijn grootvader nog eens rechtstreeks toe, als hij van de jodenvervolging naar de apartheid overgaat: 'Niet meer, nee. Niet meer tot de volgende keer.’ Dat kan hij na dit boek zeggen, hier spreekt immers een gewaarschuwd man.