Van gekken en goden

Yoram Kaniuk, Adam hondezoon- Uit het Hebreeuws vertaald door Kees Meiling. Uitg. Meulenhoff, 437 blz., 349,90
Adam hondezoon is van 1969; het tijdstip kan van invloed zijn geweest op de vrolijk-wanhopige toon in dit boek. Het verleden speelde toen nog elke dag een geduchte partij mee, een jongere generatie moest daar hoorndol van worden. Wellicht is dat voor Yoram Kaniuk, in 1930 in Tel Aviv geboren, een reden geweest om een gekkenhuis tot plaats van handeling te maken.

Als mevrouw Zisling, een steenrijke blanke jodin uit Cleveland, in l960 in Israel neerstrijkt om daar een zin voor haar leven te zoeken, verrijst niet lang daarna dank zij haar miljoenen in de woestijn een even imposant als foeilelijk Instituut voor Rust en Therapie. Door de vrome zuster Schwester heeft de rijke tante zich laten vertellen dat God alleen tot de krankzinnigen wenst te spreken. ‘En wie zijn onze gekken? (…) Wij, wij allemaal die zijn teruggekeerd. ’ Dezelfde zuster Schwester, die in een later stadium in niets van een patiënt te onderscheiden zal zijn, noemt de Israelische staat het grootste krankzinnigengesticht op aarde; wie gelooft nog dat hij bij zijn verstand is bij de gedachte dat God vanuit de hemel toezag hoe onder Hem de ene vernietigingsfabriek na de andere werd geperfectioneerd?
Mevrouw Zisling en zuster Schwester vinden in Adam Stein een ideale hoofdrolspeler voor hun therapeutisch centrum. Eens Duitslands beroemdste clown, eigenaar van een circus, voormalig student esthetica en filosofie in Heidelberg, is hij nu het onbetwiste middelpunt van de inrichting. Hij geeft cursussen aan zijn medepatiënten, biologeert de verpleegster en fascineert de directeur - maar met iedereen verkeert hij in een haat-liefde verhouding, ook met zichzelf. Hij is ook alleen maar naar dit land gegaan om zijn ene dochter terug te vinden. Zij wil niks van hem weten en gaat ook nog dood. ln het begin van de roman heeft hij zojuist zijn geliefde hospita proberen te wurgen - zij heeft dezelfde naam als zijn dochter. Glorieus maakt hij zijn rentree in de inrichting, Adam de charmeur, op- lichter en zelfvernietiger, maar hopeloos ziek, vergiftigd als hij is door zijn kampverleden.
Het verontrustende aan dit boek is dat je vaak niet weet of je moet lachen of huilen. Adam heeft het er levend afgebracht, maar vraag niet hoe. De kampcommandant had iets goed te maken: eens hield Adams clownsnummer hem af van zelfmoord. Samen met de hond van de Kommandant moest Adam uit een bak eten, ook mocht hij mensen op weg naar de gaskamer aan het lachen maken, inclusief zijn eigen vrouw en dochter. Na de oorlog redt Adam op zijn beurt het leven van de Kommandant. In de inrichting herkent Adam Kommandant Klein in directeur Gross en nog steeds is hij af en toe een hond. Als hij op zekere nacht met een stoet patiënten de woestijn in trekt, is hij degene die met God zal spreken. 'Ofje verdwijnt ofje doodt mij ’, zo spreekt God tot Adam, en de stem die hij hoort is die van Kommandant Klein.
Van de staf heeft enkel de directeur vertrouwen in hem, maar de man wordt zelf voor gek versleten als hij denkt dat alleen de patiënten elkaar kunnen genezen. En dat is wat er gebeurt tussen Adam en de jongen die zich onder een laken verbergt - ook hij is een hond. Hardhandig brengt Adam de jongen op de been, en met hem wordt hij zelf ook weer enigszins mens.
Dit is een van de mooiste verhaallijnen in het boek. Rond Adam bewegen zich nog ettelijke personen die een al even bizarre levensgeschiedenis met zich mee torsen. 'Adam is een spiegel en zij zien zichzelf in hem lachen. ’ Tijdens een Poeriem-voorstelling, waarvoor iedereen zich heeft verkleed - onder wie drie Ahasverussen, twee koningen David enzovoort - weet Adam ze allemaal zo gek te krijgen dat ze hun armen stijf de lucht in steken en hun kampnummer likken.
Dat is de crisis waarna het herstel van Adam kan beginnen, al lijkt de geestelijke gezondheid voor hem aan het eind een tamelijk treurig vooruitzicht - de gesloten inrichting heeft hij verruild voor een open, hij woont weer bij zijn hospita.