Wie was Abel Eppens?

‘Van Godt worde nichtes geleert’

Vroeger bestond identiteit niet als nu. De zestiende-eeuwse kroniekschrijver Abel Eppens was protestants, Fries, boer. Of beter: geen paap, geen Spanjool, geen burger. Want identiteit is vooral wat je níet bent.

Medium dus 200037 20emden1575 20b 2bh 2025cm 20breed

Op het eerste gezicht was Abel Eppens in elke zin anders dan u en ik. Hij was boer en diep gelovig. Hij leefde op het ritme van de seizoenen. Hij sprak en schreef een taal die wij niet of nauwelijks verstaan. Zijn horizon was zo klein dat het voor ons nauwelijks voorstelbaar is. Hij kleedde zich anders, at anders, dacht anders, deed anders. Kortom, Abel Eppens is een vreemdeling. Tussen hem en ons staat een muur, ondoordringbaar, onoverkomelijk.

Tegelijkertijd is Eppens een landgenoot, weliswaar van lang geleden maar toch. Ook deelt hij met ons een aantal eigenschappen, waaronder fysieke en psychische kenmerken plus het vermogen tot communicatie. Wat betreft dit laatste liet hij over zijn eigen tijd een geschrift na van, in druk, zo’n dertienhonderd pagina’s. De tekst is niet eenvoudig te lezen, maar met enige moeite kun je alles wat Eppens schrijft begrijpen. Wellicht is de muur tussen Eppens en ons een glaswand.

Abel Eppens tho Equart komt ter wereld rond Palmzondag van het jaar 1534 op de boerenhofstede Bolhuis op de terp Eekwerd (vandaar dat tho Equart), een gehucht in de noordoosthoek van de provincie Groningen, ergens tussen Loppersum en Delfzijl. Als hij twaalf is sterven zijn vader en diens derde vrouw aan de pest en blijven Eppens, een zusje en twee halfzusters alleen over. Huis en goederen worden verkocht (veel te goedkoop, schrijft Eppens) en de kinderen worden naar het ruim tien kilometer verder gelegen Farmsum, aan de Eems, onder Delfzijl, gebracht. Eppens blijft daar kort en wordt in 1547 door zijn voogden en grootvader naar Groningen gestuurd waar hij school gaat bij de in de verre omtrek beroemde Reinier Veldman, beter bekend als Regnerus Praedinius. Praedinius was een humanist uit de school van Erasmus en dus niet alleen goed onderlegd in de klassieken maar ook zeer kritisch over de katholieke kerk, zij het dat hij, net als Erasmus, deze kerk nooit vaarwel zei. Wellicht is Eppens in Groningen ook nog school gegaan bij Gerlacus Verrutius oftewel Gerlach Verrooten, directeur van een andere beroemde Groningse school en net als Praedinius zowel humanist als kritisch katholiek. In elk geval kenden student en docent elkaar. Eppens woonde een tijdlang bij Verrootens ouders.

Zoals destijds gebruikelijk maakte Eppens na zijn Groningse studietijd een zogenoemde peregrinatio academica, een academische pelgrimstocht. In zijn geval ging die achtereenvolgens naar Leuven, Keulen en Wittenberg. In laatstgenoemde stad volgde hij colleges van Philipp Melanchthon, de grote lutherse onderwijsman die nog tijdens zijn leven de eretitel Praeceptor Germaniae, Leraar van Duitsland, kreeg. Met irritatie had hij eerder in Leuven college gelopen. De theologen aldaar zou hij later niets minder dan ‘verdarvers van regementen’ (levenswijzen) noemen. ‘Gij solde nene toganck hebben tot der konigen oeren’, we zouden jullie ver moeten houden van allen die het voor het zeggen hebben. Met de Leuvense theologen opent Eppens ook zijn kroniek. Sprekend over de ‘orspronck und orsake der Nederlandtsche oorlogen’ noemt hij in de eerste plaats hun oproep tot kettervervolging.

Gezien zijn vorming en ervaring zal het niet verbazen dat Eppens spoedig een vurig aanhanger van het protestantisme en dus een fel bestrijder van het katholicisme en de Spanjaarden werd. Wanneer deze overgang zich precies voltrok, weten we niet. Wat we weten is dat hij in 1560, 26 jaar jong, terugkeerde naar zijn geboortestreek, een goede partij trouwde en spoedig tot de Ommelandse prominenten behoorde. Eppens was een zogenoemde ‘eigenerfde boer’, dat wil zeggen een boer die onafhankelijk was en eigen grond bezat. De grens tussen zo’n boer en een edelman kon klein zijn en veel eigenerfde boeren stonden dan ook niet zelf in de grond te klauwen, maar lieten dat over aan pachters terwijl zij zich bezighielden met zakendoen, politiek, rechtspraak, studie en vertier. Dit geldt op z’n minst gedeeltelijk ook voor Eppens.

In 1569 wordt hij in een document wedman van Wirdum genoemd, gerechtsdienaar. Ruim tien jaar later begint hij aan zijn grote project Der vresen chronicon, De Friese kroniek – de reden ook dat hij in tegenstelling tot 99,9 procent van zijn tijdgenoten meer is dan een naam. Deze tekst, in 1911 gepubliceerd in twee dikke boeken en in manuscript meer dan vijfhonderd dubbel beschreven foliobladen, bestaat uit drie delen. Die delen gaan respectievelijk over de achtergronden van de opstand tegen de Spanjaarden, de geschiedenis van de Ommelanden als onderdeel van de Bourgondisch-Habsburgse landen en, verreweg het langste deel, de opstand zelf, beginnend in 1566 en eindigend op het moment dat Eppens om redenen van ziekte of dood de pen neerlegt (1589).

Tot zo ver lijkt dit niet meer dan een biografisch verhaaltje, maar het gaat hier om iets anders, namelijk de vraag die in de aanhef staat: wie was Abel Eppens, hoe zag hij zichzelf, hoe zouden wij hem moeten zien, waarin onderscheidt hij zich? Kortom: wat is de ‘eigenheid’ of identiteit van Abel Eppens en wat zijn de principiële verschillen, als die er al zijn, tussen zijn identiteit en ‘de onze’?

Het antwoord op deze vragen begint met een enorme handicap: dat Eppens in zijn verhaal nauwelijks mededelingen over zichzelf doet. Hij vertelt iets over zijn geboorte, over de dood van zijn vader, zijn studiereis, maar dat is het wel zo ongeveer. Een van de verklaringen voor zoveel zwijgzaamheid is dat hij geen autobiografie maar een kroniek beoogde. Niettemin doorspekt hij het derde deel hiervan met zoveel kleinmenselijke details uit de eigen omgeving dat Wiebe Bergsma hem in een doorwrochte studie (De wereld volgens Abel Eppens: Een Ommelander boer uit de zestiende eeuw, 1988) niet alleen een goed waarnemer en een seismograaf van het dagelijks leven, maar ook ontwapenend eerlijk noemt. Dat was naar Eppens’ eigen zeggen ook de bedoeling. Hij schrijft wat hij ‘sulfen erfaren heeft’, hij schrijft over alles en iedereen, bovendien schrijft hij alleen voor de eigen kring (‘trouwelicken voer den sijnen’). Dus waarom dan zo weinig over zichzelf?

Bliksem, hagel, pest, overstromingen, gekke gebeurtenissen: stuk voor stuk signalen van de Overkant

Eppens begon zijn geschrift in het voor de Nederlanden belangrijke jaar 1580, toen Rennenberg, stadhouder van de noordelijke provincies, bij het zogenoemde Verraad van Rennenberg de kant van de Spanjaarden koos. Vooraanstaande noorderlingen die Willem van Oranje trouw bleven moesten vluchten. Onder hen Abel Eppens. Met tal van land- en lotgenoten nam hij de wijk naar het aan de overkant van de Eems gelegen Emden, hemelsbreed op nog geen veertig kilometer van Loppersum, en deed daar wat ballingen zo vaak doen: schrijven over het land van herkomst, over de redenen van ballingschap, om het voorbije te onthouden, schrijven kortom als plaatsvervangend leven. Ook om die reden is het des te vreemder dat Eppens zichzelf bijna volledig buiten zijn tekst houdt.

Toch heeft Eppens’ bijna-anonimiteit een evidente reden: identiteit in onze betekenis van individuele eigenheid was hem niet alleen onbekend, ze was zelfs onvoorstelbaar. Een dergelijke identiteit is dan ook van veel latere datum, op z’n vroegst van de negentiende eeuw. Niettemin had Eppens zonder het met zoveel woorden te benoemen, en vermoedelijk zelfs zonder er ooit over na te denken, wel degelijk een besef van identiteit. Dat besef was zelfs sterker dan het onze. Eppens’ identiteit was collectief, per definitie. Ook werd identiteit door hem niet, zoals door ons, gezocht of gewenst, ze was gegeven. Vandaar ook dat hij er niet over na hoefde te denken. Identiteit ‘had’ je gewoon, ze sprak voor zich; identiteit was onveranderlijk, onbetwijfelbaar.

Medium kroniek abel eppens

Tot voor kort – in Nederland grofweg tot de ontzuiling, uitzonderingen uit kunstzinnige hoek en zonderlingen daargelaten – was het gebruikelijk een individu als onderdeel van een groter geheel te bezien. ‘Individuum est ineffabile’ luidt het klassieke gezegde: het individu c.q. het individuele of unieke is onuitspreekbaar of, wat op hetzelfde neerkomt, niet te vatten. Begrijpelijk zou alleen het algemene zijn: een verband, een concept, een zaak. Dat is ook wat Eppens meende. Daarom kon individuele identiteit voor hem op z’n best een unieke combinatie van collectieve identiteiten zijn. In Eppens’ geval waren er minstens vier van zulke collectieve identiteiten: (protestants-)christen, Fries, boer en vader.

Het christen-zijn stond destijds voor elke Europeaan voorop; voor Eppens zelfs in versterkte mate. Een van de redenen hiervoor is de dan woedende godsdienstoorlog. Maar voorzover na te gaan was Eppens ook een vromere figuur dan zijn tijdgenoten. In elk geval klaagde hij steen en been over hun religieuze zin – en dat niet alleen als het katholieken betrof. De meeste protestanten waren in zijn ogen slechts een haar beter. ‘Van Godt worde nichtes gedacht noch geleert bij emant’, schreef hij: niemand trekt zich iets van God aan, de mensen doen maar.

Het religieus besef van Eppens gaat, zeker vergeleken met ons wereldbeeld, nog een stap verder dan het christelijk geloof. Zoals we ook weten uit het prachtige boek De kaas en de wormen (1976) van Carlo Ginzburg over een tijdgenoot van Eppens, de Italiaanse molenaar Domenico Scandella alias Menocchio (1532-1599), was alles destijds doortrokken van het hogere. Religie was meer dan christendom. Ze was overal. Daarom zag Eppens net als Menocchio steeds tekenen. Bliksem, hagel, pest, overstromingen, gekke gebeurtenissen: stuk voor stuk signalen van de Overkant. In het perspectief van Eppens was het heelal betoverd, en betoverd was dus ook ieders leven. Identiteit lag van begin tot eind in de hand van God. Om het met de Franse historicus Lucien Febvre (Le problème de l’incroyance au XVIe siècle, 1947) te zeggen: de zestiende eeuw was een eeuw die geloven wil, ‘un siècle qui veut croire’. Men ervoer niet alleen dat alles opgenomen was in een bezield verband, men wilde ook dat het zo was.

Met dit aspect heeft overigens ook het tweede cruciale verschil tussen Eppens’ en onze identiteit van doen: de onveranderlijkheid en onbetwijfelbaarheid der dingen. Abel Eppens leefde in een, wat wij zouden noemen, korset. Hij ervoer dat echter geenszins als beklemmend, integendeel. Alles had zijn plek, ieder zijn plaats en het was niet alleen verkeerd maar ook onjuist daaraan te tornen, ja zelfs om het te betwijfelen. Je zou gemakkelijk kunnen volhouden dat Eppens in deze niet consequent was. Met zijn keuze voor het protestantisme streefde hij immers een breuk met het verleden na. Maar zo zal hij het niet gezien hebben. De breuk met het verleden was in zijn ogen juist bewerkstelligd door de katholieken. Zij waren van de oorsprong afgeweken. De protestanten wilden die oorsprong herstellen. Revolutie in de ware betekenis van het woord betekende wat het woord zegt: beweging naar achteren, terugkeer. En dat was dan ook precies wat de protestanten wensten.

Wat betreft het tweede collectieve element van Eppens’ identiteit, het Fries-zijn, was zo’n revolutie niet nodig. Voorbijgaand aan de ingewikkelde discussie of de Ommelanden en Groningen Fries genoemd kunnen worden, lijdt het geen twijfel dat Eppens zich eens en voor altijd Fries voelde. Friesland en Fries-zijn waren voor hem een gegeven zoals zijn verbondenheid aan God, grond en geschiedenis een gegeven waren. Zijn kroniek voorzag hij niet voor niets van de omschrijving ‘Fries’ en in een brief aan een van zijn zonen schreef hij met lichte nostalgie over ‘onse Vresssche Ommelanden [waar] wy vresen [Friezen] meer dan twe duysent yaren lanck in geboeren gewest und gelevet hebben’.

Het boer-zijn betekende niet alleen verbondenheid met (Friese) grond, maar ook een tegenstelling met de stad

Minder eenvoudig dan zeggen dat Eppens Fries was is achterhalen wat dit voor hem betekende. Maar zoals in alles (alles stond immers vast) was Eppens ook wat dat betreft niet erg origineel en herhaalde hij wat iedereen herhaalde: Fries-zijn was vrij-zijn. Deze ‘karaktertrek’ had in tijden van oorlog en ballingschap vanzelfsprekend meer betekenis dan ooit en verklaart mede dat Eppens zich met zoveel ijver inzette voor de antikatholieke en anti-Spaanse zaak. Papen en Spanjolen hadden de Friese vrijheid geschonden.

Maar terwijl vrijheid een goed motto is voor strijd is ze te vaag en te universeel voor identiteit. Fries-zijn moet meer betekenen, ook voor Eppens. Opmerkelijk hierbij is dat hij niet verwijst naar dat waarmee wij het Fries in eerste instantie associëren: taal. Eppens sprak en schreef niet eens Fries, Bergsma noemt zijn taal ‘een noordelijke variant van het Nederduits’. In de boekjes wordt Eppens’ dialect ook wel Oost-Fries, Oost-Fries Nedersaksisch of nog ingewikkelder genoemd, maar volgens mij maakt dat de zaak er niet beter op. In elk geval geldt voor Eppens niet wat sinds ruime tijd voor de meeste Friezen geldt: dat zij ‘wonen in hun taal’, oftewel dat taal een cruciaal deel van hun identiteit is.

Maar als taal voor het Fries-zijn van Eppens niet kenmerkend is en vrijheid te algemeen, waaruit kan die Friese identiteit dan wél bestaan? Bergsma komt niet veel verder dan gewoontes en noemt er aan de hand van een anekdote twee: het drinken uit koehoorns en het eten van gort. Maar zijn dat geen bijkomstigheden? En kunnen bijkomstigheden identiteitsbepalend zijn? Onder één voorwaarde moet het antwoord op deze laatste vraag bevestigend luiden. Die voorwaarde is dat je aanvaardt dat identiteit eerst en vooral gevoel is. Eppens voelde zich Fries en zou, naast een geografische verwijzing, ter verklaring vermoedelijk een paar willekeurige zaken opgesomd hebben. Maar dergelijke zaken waren niets dan illustraties. Het was het onbeschrijflijke, onverklaarbare gevoel waar het om gaat. Een geschiedenis van het nationaal sentiment toont dat er wat dat betreft in de loop van eeuwen niets is veranderd. Jacob van Maerlant zei het in de dertiende eeuw al: dat eenieder het gevoel heeft tot een gemeenschap te behoren en om die reden over die gemeenschap vervolgens ook de loftrompet steekt. ‘Die Brabantsoen prijst Brabant Ende die Fransois Vrankerike, Die Duutsce dat keyserrike, Die Baertoene (Breton) prisen Baertanien, Die Tsampanoise (Champenois) Tsampanien.’

Concreter, in elk geval uit ons perspectief, dan het Fries-zijn was het boer-zijn. Voor Eppens betekende dat echter niet alleen verbondenheid met (Friese!) grond, leven van landbouw en veeteelt en een specifieke sociale positie, het betekende ook en misschien vooral een tegenstelling met de stad, met Groningen. Ook wat dat betreft dacht hij als eenieder in zijn omgeving.

De belangrijkste reden voor de spanning tussen Groningen en de Ommelanden was praktisch. De stad bezat sinds lang het zogenoemde stapelrecht, dat wil zeggen dat alle goederen die in de Ommelanden geproduceerd en verkocht (geëxporteerd) werden Groningen moesten passeren. Deze centralisatie lag ten grondslag aan meer kwesties. Zo wisten de Groningers het tijdelijk voor elkaar te krijgen dat in de Ommelanden alleen bier gedronken mocht worden dat in de stad gebrouwen was. Omdat het stapelrecht ook op andere gebieden (rechtspraak, belastingen) centralisatie met zich meebracht, was de irritatie bij de Ommelanders enorm. Vandaar dat zij steeds weer beklemtoonden dat zij geen Stadjers waren.

In de tijd van Eppens doelden zij daarmee vermoedelijk niet zozeer op een sociale als wel op een praktische tegenstelling. Maar op den duur kwam hieruit wel een sociale tegenstelling voort: boeren waren vooral geen burgers – en andersom. Je kunt oeverloos delibereren over wat dat in concreto betekent, je zou zelfs kunnen stellen dat Eppens als intellectuele herenboer al heel wat burgerlijke kenmerken had, het feit blijft. Terwijl Eppens als boer tot op zijn laatste vezel gebonden was aan grond (‘van onse olde vresen und voerolderen erholden worden’), hadden burgers zich daarvan juist losgemaakt. De enige verbintenis die ze hadden was met geld en stenen, maar ja, die waren inwisselbaar en verplaatsbaar. In Eppens’ ogen hoorden burgers dan ook nergens. Het ontbrak hen aan roots.

Het is nu al de zoveelste keer dat het eenvoudiger is identiteit negatief dan positief te benoemen. Identiteit is vooral wat je niet bent. In het geval van Eppens betekent dat: geen katholiek, geen Spanjaard, geen burger. Het is een verschijnsel dat uit literatuur en alledaagse ervaring goed bekend is. Zo werden de Fransen volgens Eugen Weber (Peasants into Frenchmen, 1976) pas Fransen toen ze zich eind negentiende, begin twintigste eeuw door oorlog gedwongen realiseerden dat ze eerst en vooral geen Duitsers waren. Het is een oeroud thema dat via zondebokmechanismes, discriminatie, haat en onderdrukking tot onvoorstelbaar veel ellende heeft geleid: we zijn misschien wel in de eerste plaats wat we niet zijn; identiteit is niet zozeer een positief als wel een negatief verschijnsel. Het maakt elk zoeken ernaar een hachelijke onderneming.

Negatieve kenmerken gelden niet voor het laatste aspect van Eppens’ identiteit: het vaderschap. Het verschil met de andere identiteitskenmerken ligt voor de hand. Vader (of moeder) zijn of worden verreweg de meesten van ons, zoals we in ieder geval allemaal kind zijn geweest. Maar ook dat is zo universeel dat het nauwelijks iets zegt. Niettemin is het een belangrijk kenmerk van elke persoon en dus identiteitsvormend. Eppens ervoer dat zeker zo. Vandaar dat hij, zoals bekend is uit brieven, zijn zonen met klem bepaalde normen en waarden probeerde op te dringen. ‘Niet doende, leert men quaat doen’, schrijft hij, ‘und he sal ock niet eeten, soe he myt handen neyt wercket.’

Het zijn oeroude, karaktervormende lesjes die terloops een laatste aspect van identiteit suggereren. Eppens zal ook wel begrepen hebben dat er binnen zijn groep van protestantse Friese boeren verschillende types rondliepen en dat die verschillen bepaald werden door unieke kenmerken als afkomst, opvoeding, talent en karakter. Hoe collectief identiteit in zijn ogen ook geweest mag zijn, ze was gedeeltelijk ook altijd individueel. Een hint in die richting valt in Eppens’ kroniek echter nergens te ontdekken. Want individualiteit deed niet ter zake, nooit. Een groter contrast dan met ons perspectief is ondenkbaar.


Beeld: (1) Na het Verraad van Rennenberg, in 1580, vluchtte Abel Eppens naar Emden. Daar begon hij, als banneling, te schrijvan aan zijn kroniek (http://www.oudelandkaarten.eu); (2) De kroniek van Abel Eppens (fragment)