Een coloristisch slagveld

Van Goghs kleuren van de nacht

De fameuze Sterrennacht uit 1889 lijkt bij uitstek de weergave van de onstuimige emoties in de ziel van Vincent van Gogh. Maar de schilder ging juist doordacht en gedisciplineerd te werk.

DE BRABANTSE tabaksagent Anton Kerssemakers haalde in 1912 in dit tijdschrift herinneringen op aan Vincent van Gogh. Kerssemakers, zelf een amateurschilder, had Van Gogh in 1884 had leren kennen, en er was een vriendschap ontstaan, een voorzichtige, want aanvankelijk wist Kerssemakers helemaal niet wat hij met Van Goghs werk aanmoest, ‘zoo brutaal, zoo ruw en onafgewerkt’. Maar Kerssemakers was onder de indruk van Van Goghs grote ontvankelijkheid voor het schone en het goede: ‘Als hij een mooie avondlucht zag, geraakte hij om zoo te zeggen in extase.’ Dan riep hij uit: ‘Goddoome hoe doet zoo’n kerel of God, of zoo als je hem noemen wilt, hoe doet hij dat nu, dat moeten wij toch ook kunnen! God God wat is dat mooi, hoe jammer dat wij nu geen opgezet palet hebben, want dadelijk is het weer weg.’
Dat was een mooie observatie van Kerssemakers. In de relatie die Van Gogh had met de avond en de nacht lag, misschien wel meer dan in zijn andere werk, zijn hele artistieke en spirituele ambitie besloten.
De passage doet sterk denken aan Nescio’s Bavink, de arme schilder, die de strijd met Gods zon aanging en verloor: ‘Hij keek maar naar de zon, een groote, koude, roode zon, die in wolken onderging: “Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van elkaar moeten.” Verder kwam-i niet. Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig.’ In zekere zin deelt Van Gogh met Bavink de reputatie van de schilder die de macht van de natuur op het doek wilde gooien, en daaraan ten onder ging. Die reputatie lijkt de raison te zijn van de tentoonstelling Van Gogh en de kleuren van de nacht. De kolkende Sterrennacht uit 1889 is er het boegbeeld van, en dat schilderij geldt als dé verbeelding van de onstuimige emoties in de ziel van de schilder – denk alleen al aan dat lauwe liedje van Don McLean, ‘On that starry, starry night/ You took your life, as lovers often do’. Maar de tentoonstelling is bepaald geen populair cliché. Het is zeker geen blockbuster. Het betoog is beheerst, ingetogen, zelfs een tikje studieus. Er hangen merkwaardige, tamelijk onbekende werken van de schilder zelf; er hangen aardig wat stukken van interessante tijdgenoten, en de echte kaskrakers, zoals De Aardappeleters, worden door de samenstellers grondig herzien.

Medium starrynight

DAT VAN GOGH geïnspireerd werd door de avond en de nacht behoeft geen betoog. Zijn schilderijen en zijn brieven zitten er vol mee. De duisternis heeft voor de oud-theologiestudent een diepe religieuze betekenis – ‘When all sounds cease – God’s voice is heard – under the Stars’ – en het nachtelijk landschap was ‘bezield’. De avond was het moment waarop de aarde tot rust kwam, om daarna, in vrede, tot ontkieming te komen. Het mysterie daarvan kon door een kunstenaar worden aangevoeld. In een interessant essay in de catalogus beschrijft de Amerikaanse kunsthistoricus Joachim Pisarro de voedingsbodem voor die opvatting in de literatuur en de poëzie. Niet alleen las Van Gogh onwaarschijnlijk veel, van jongs af, hij stelde ook bundels van inspirerende literatuur samen, die hij lang bij zich droeg en regelmatig raadpleegde. Over de avond en de nacht stond er van alles en nog wat in. Bijvoorbeeld: Avondstond van ene Jan van Beers, een lang, sfeerrijk gedicht, waarin een schilder tegen het vallen van de avond met ezel en schilderskist en ‘met zijn kunstnaersgeest opbouwend in stille verrukking’ terugwandelt naar een dorp. Van Gogh kende dat vers al in 1873. Pisarro citeert het, omdat het bijna een blauwdruk is voor de poëtische en existentiële reis van de kunstenaar, die Van Gogh later zou aanvangen.
Naast die literatuur zijn er de schilders, die Van Gogh voor zijn eigen carrière aanving al in zijn hart gesloten had. Veel daarvan zijn onbekend, en onbemind. Van Gogh knielde voor Het avondgebed van Millet, maar ook voor Avondstond van Jules Dupré, voor De wiedsters van Jules Breton, en Oude kameraden van Jozef Israels. Allemaal stukken met een intense, bijna bijbelse lading, maar ook met een bijna sentimentele presentatie.
In de weergave van die voedingsbodem zit een van de meest interessante punten van de tentoonstelling. Vóór Van Gogh de grote stap naar dat expressieve modernisme maakte, in Parijs, en daarna in Arles, Saint-Rémy en Auvers, was hij im Grunde een ouderwetse schilder. Het is niet zo eenvoudig Van Gogh te zien als een Herman van Veen, en niet als een Hans Teeuwen. Dat heeft ook te maken met het feit dat wij door alles wat er na Van Gogh kwam ontwend zijn om nog onbedorven naar een schilder als Jozef Israels te kijken. De enorme spirituele dimensie en de grote schilderkunstige power die Israels in zijn Verdronken visser of zijn Als men oud wordt… legde, worden niet meer op waarde geschat. Het is pathos; die emoties lijken ons vals. Voor Van Gogh waren ze waar. En dan is er nog een punt in de tentoonstelling: het idee dat Van Gogh tot ver in de jaren tachtig te zien is als een beginnend kunstenaar, iemand die toen hij Anton Kerssemakers in zijn atelier ontving pas een jaar of drie, vier serieus aan het schilderen was en die zich – met grote haast, dat wel – de technische en theoretische aspecten van het werk probeerde eigen te maken. Bij zijn vertrek naar Parijs in 1886 was Van Gogh au fond niet meer dan een fanatieke, ongeduldige autodidact.

OVER DIE aspecten van de ontwikkeling van Van Goghs carrière schrijft Sjraar van Heugten, hoofd Collecties van het Van Gogh Museum, behartigenswaardige woorden. Dat het een hardnekkige misvatting is te denken dat Van Gogh ‘een brute en impulsieve schilder was, die, gedreven door zijn hartstochten, onmiddellijk en snel op het doek zette wat hij zag’. Dat hij daarentegen ‘in zijn manier van werken zeer doordacht en gedisciplineerd’ was. In zijn artistieke ontwikkeling ‘stonden inventiviteit en associatievermogen centraal, terwijl tegelijkertijd weinig aan het toeval werd overgelaten’. Van Gogh zocht ‘intensief naar de juiste verhoudingen in het kleurgebruik, een bepaalde penseelvoering en een samenhangende, uitgebalanceerde compositie. Daarbij was zijn aanzienlijke kennis van de theorie een belangrijke steun, maar nooit een keurslijf.’ Die karakterisering is, droog genomen, ook van toepassing op Mondriaan. Van Gogh was ‘gewoon’ een schilder, en schilderijen maken is problemen oplossen. Hoe je ‘het donker’ schildert, bijvoorbeeld, zonder van je schilderij één zwarte massa te maken.
Met die gedachte toont de tentoonstelling De Aardappeleters, als nieuw, als een schilderij dat eerst en vooral gezien moet worden als een ‘meesterproef’, een project waarin Van Gogh alles wat hij tot dan toe aan schilderen had geleerd bij elkaar wilde laten komen. De Aardappeleters is, om te beginnen, het moment waarop Van Gogh de theorieën over kleur van Eugène Delacroix in praktijk bracht, theorieën die hij kende uit boeken als Grammaire des arts du dessin van Charles Blanc (1867). Delacroix werkte met een ‘gebroken toon’, die wordt verkregen door sterke, complementaire kleuren (rood en groen, blauw en oranje) met elkaar te mengen. Deze tinten doven elkaar als het ware, schrijft Van Heugten (die met zijn neus op het doek gezeten heeft) en daardoor ontstaat een grijs, dat in het donker toch enige tint heeft. Het is treffend dat de tentoonstelling recht tegenover De Aardappeleters een reproductie van een Delacroix laat zien, Christus op het meer van Genesareth, een schilderij dat Van Gogh zelf ook gezien heeft. Hij schreef over het ‘zacht citroengele aureool’, de ‘dramatisch violette, donkerblauwe, bloedrode vlek van de groep discipelen’ en ‘de vreselijke smaragdgroene zee, die stijgt, steeds hoger tot helemaal bovenaan de lijst’. Dat was heel andere koek dan het ‘kleurloze grijs’ van de Haagse School, van Israels en Mauve. Het is opmerkelijk, aldus Van Heugten, dat Van Gogh de theorie die hij in die donkere Nederlandse schilderijen gebruikte ook in zijn latere, moderne, kleurrijke werk toepaste. Er was echter een sprong nodig om de volle potentie van die kleuren ook werkelijk te kunnen ontketenen.

DIE STAP maakte Van Gogh, grofweg, toen hij naar Arles vertrok. Hij wist inmiddels dat de benadering van de impressionisten tekortschoot. Hij citeerde zijn tijdgenoot Camille Pisarro: een schilder moest niet nastreven precies de juiste kleur weer te geven, omdat dat alleen maar ‘de weergave van de werkelijkheid in de spiegel’ was, en geen kunst. ‘De effecten die de kleuren door hun harmonie of disharmonie veroorzaken’ moesten juist worden versterkt. De meesterproef van dat nieuwe coloristische slagveld was Het Nachtcafé, in Arles, dat helaas op de tentoonstelling ontbreekt. Dat café is een nare bedoening, een hangplek voor mensen die te arm of te dronken zijn voor een hotel; en dus is het schilderij een slagveld van roden en groenen en gelen, van olielamplicht en gaslicht, van harmonie en disharmonie. Niet de werkelijkheid telde, maar de waarheid van het coloristisch avontuur. En dus heeft de barman in het café groen haar.
Daarmee werd, zou je kunnen zeggen, het expressionisme geboren, maar dat zegt nog niet dat Van Gogh dus een bruut en impulsief kunstenaar was. Kijk nog eens goed naar die Sterrennacht, zegt Van Heugten. Die nacht is niet zwart, maar blauw, en Van Gogh kende zijn blauw inmiddels zo goed dat hij ‘een scala van samenhangende tonen’ kon gebruiken, en daarmee kon hij de donkere compositie levendig en in balans houden. Dat was hem bij De Aardappeleters nog niet echt gelukt, daar moest hij met krachtige kleuraccenten, likjes roze op de vingers, krachtig oranje en roze in de vlam van de lamp, de zaak uit de duisternis trekken. Het was juist zijn begrip van de theorie waardoor hij gewaagde oplossingen voor de weergave van zo’n sterrennacht kon vinden – stormachtig, diep-gevoeld, zeker, en God God wat is dat mooi, maar zoals de dichter al zei: zonder techniek geen emotie.

Van Gogh en de kleuren van de nacht. Van Gogh Museum, t/m 7 juni. www.vangoghmuseum.nl/nacht. Catalogus: Sjraar van Heugten, Joachim Pisarro e.a., Van Gogh en de kleuren van de nacht, 160 blz., € 24,95