Emmer, Ratelband en Van der Zee

Van handelswaar tot handelaar

P.C. Emmer, De Nederlandse slavenhandel 1500-1850. Uitg. De Arbeiderspers, 259 blz.;

Klaas Ratelband, Nederlanders in West-Afrika 1600-1650: Angola, Kongo en Sao Tomé. Uitg. Walburg Pers, 319 blz.;

Henri van der Zee, ’sHeeren slaaf: Het dramatische leven van Jacobus Capitein. Uitg. Balans, 176 blz.

Met zijn film Amistad (1997) bedroog Steven Spielberg een miljoenenpubliek. Het verhaal van het slavenschip Amistad, waarop in 1839 een opstand uitbrak, is waar gebeurd, maar de film besluit met de vrijlating van de slaven en verzwijgt het vervolg: als vrij man keerde opstandleider Cinque terug naar Afrika, waar hij zelf slaven ging verhandelen.

Cinques bekering van handelswaar tot handelaar is veelzeggend voor het morele moeras waaruit de abolitionisten de slavernij trachtten te trekken. Vooral in Afrika bleek het een hardnekkige praktijk, die toen de Hollanders er aankwamen al een geschiedenis van meer dan tien eeuwen kende. De Leidse hoogleraar Pieter Emmer wijst er in zijn onlangs verschenen boek De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 op dat ‘slechts’ veertig procent van de verhandelde slaven aan blanken werd verkocht. De overige zestig procent diende een zwarte heer.

Ook andere auteurs van de recentelijk in Nederland verschenen boeken over slavernij en slavenhandel maken de morele complexiteit duidelijk. Wel is het storend dat de bekendste van hen, Emmer, zich meer op de beeldvorming rond de slavernij (en het Nederlandse aandeel daarin) concentreert dan op die slavenhandel zelf. Hij voert voortdurend gemeenplaatsen op om die vervolgens effectief te ontzenuwen, zoals dat Afrika door de slavenhandel ontvolkt en dus ontwricht raakte. De belangrijkste misvatting is volgens Emmer wel de gedachte dat de Nederlandse economie floreerde dankzij het bloed, zweet en de tranen van de Afrikaanse slaven.

Het is een prestatie van Emmer dat hij aannemelijk weet te maken dat de slavernij en de planterseconomie in Suriname slechts een marginaal effect hadden op de economie van Nederland. Schokkend is het om te lezen dat de verliesgevende handel in slaven door de Franse regering zelfs jarenlang is gesubsidieerd, en in Nederland fiscaal aantrekkelijk werd gemaakt. Toch is zijn lezing niet zo heel revolutionair. Opvallend is dat de voorstelling van zaken zoals Heinrich Heine die in 1853 in het meesterlijke gedicht 'Das Sklavenschiff’ gaf in niets verschilt van de gegevens en bevindingen van Emmer. De winst per overlevende, de sterfte, het zingen en trommelen aan boord, de ruilwaar; alles is al bij Heine te vinden.

Hoe hij inhoudelijk ook met hem van mening verschilde, het is mede aan Emmer te danken dat het prachtige boek van Klaas Ratelband het licht heeft gezien. Ratelband was geen wetenschapper maar een zakenman en hij dreef jarenlang handel in de landen van West-Afrika, vooral de voormalige Portugese koloniën. In de Tweede Wereldoorlog, toen hij 'vast zat’ in Nederland, schreef hij een groot deel van het manuscript dat nu is uitgegeven als Nederlanders in West-Afrika 1600-1650: Angola, Kongo en Sao Tomé. Ratelband, een door zelfstudie gelouterde Afrika-ganger, schetst aan de hand van vele bronnen – waaronder Portugese – een beeld van de situatie waarin handel werd gedreven met de Afrikanen. Hij bedient zich van een merkwaardige maar zeer effectieve en aanstekelijke stijl, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor het uitroepteken. Ratelband voltooide het manuscript in 1945. Toen hij in 1981 overleed was het manuscript nog altijd onuitgegeven. Volgens Ratelband begonnen de Nederlanders later dan de Portugezen en Spanjaarden met de slavenhandel, niet uit morele overwegingen, maar omdat ze niet wisten aan wie ze de slaven konden verkopen. Emmer daarentegen schrijft dat de Nederlandse opinie een ommezwaai heeft doorgemaakt: de Nederlanders waren 'eerst tegen, dan voor’. Bovendien meent Ratelband dat de winsten op 'het nieuwe handelsartikel’ 'buitensporig hoog’ waren, het misverstand dat Emmer bij uitstek bestrijdt.

De Nederlandse Cinque, held van Amistad, heet ondertussen Jacobus Capitein. Zijn leven wordt in weer een ander boek over de slaventijd beschreven. Na de roman die Guus Kuijer aan diens roerige levensgeschiedenis wijdde, koos Henri van der Zee voor een meer journalistiek verslag. Als achtjarig jongetje werd Jacobus Capitein gekocht door een Nederlander, die hem cadeau deed aan een vriend in Den Haag. Daar kreeg Capitein een uitstekende opvoeding. Hij doorliep de Latijnse school en werd de eerste zwarte student aan de Universiteit van Leiden, waar hij zijn studie theologie afrondde met een scriptie over, nota bene, de slavernij. Voor zijn openbare voorlezing en verdediging van de studie liep Leiden in groten getale uit: een geleerde neger die delibereert over de slavernij!

De studie van Capitein, in korte tijd vier keer herdrukt, werd een sensatie. Iedereen bejubelde de 'Afrikaansche Moor’, die waar hij ook kwam met 'seer veel lov en toejuychinge’ werd binnengehaald. Niet de afschaffing van de slavernij was volgens Capitein een daad in de geest van het christendom, maar juist het behoud ervan. Had God niet na de zondvloed Cham tot eeuwig knechtschap veroordeeld en daarmee de 'dienstbaarheid’ in de wereld gebracht? En waarom was de slavernij in Nederland eigenlijk afgeschaft?, vroeg Capitein zich af. Het zou juist een goede oplossing zijn geweest voor alle landloperij.

Eenmaal teruggekeerd naar Afrika als zendeling en predikant van fort Elmina wachtte Capitein slechts tegenstand en vijandigheid van de Hollandse kolonisten. En ook de Afrikanen, van wie hij er maar één wist te bekeren, ontvingen hem met onbegrip en lacherigheid. Gedesillusioneerd zocht Capitein uiteindelijk zijn heil in zaken. Hij stak zich tot zijn nek in de schulden en maakte, zoals Van der Zee veronderstelt, reeds op dertigjarige leeftijd een einde aan zijn leven. Koren op de molen van de slavenhandelaars, die geloofden dat 'het levend ebbenhout van nature aan melancholie lijdt’.