Louis Paul Boon, Verzameld werk deel 5: ‘Te oud voor kamperen?’ en andere verhalen

Van het azuur naar de stront

Louis Paul Boon

Verzameld werk deel 5: ‹Te oud voor kamperen?› en andere verhalen

De Arbeiderspers, 268 blz., € 18,95

Louis Paul Boon (1912-1979) was de tegendraadsheid in persoon. De tegenspraak zat ’m in het bloed, de weerbarstigheid woekerde in elke vezel, de anarchie ademde door elke porie. Dat blijkt ook uit een van zijn meest bekende oneliners: «Ik ben geen socialist, ik ben geen communist, ik ben een viezentist.» Die uitspraak was een directe aanval op wat Boon de apothekers noemde: literatuurspecialisten, recensenten en professoren die hem zo vaak met allerlei etiketten te lijf gingen dat de schrijver geregeld klaagde zich een apothekers flesje te voelen. Zijn afkeer van apothekers, zijn vrolijk bloeiende ironie en zijn inventieve averechtsheid hebben Boons carrière geen goed gedaan: niet alleen heeft het lang geduurd voor hij ten volle erkenning mocht genieten, ook heeft zijn dwarsigheid lang het zicht ontnomen op het ware genie van de schrijver. Het is zeer symptomatisch dat pas nu, ruim vijfentwintig jaar na zijn dood, een aanvang wordt gemaakt met het Verzameld werk van de wellicht grootste Nederlandstalige schrijver aller tijden.

Dat Verzameld werk (uitgegeven door De Arbeiderspers, Boons vaste uitgever sinds begin jaren vijftig) is begroot op 24 banden – alles samen naar schatting 92 centimeter Boon. Volgens plan moet het Verzameld werk volledig op de plank staan in 2012, het jaar waarin Boon honderd zou zijn geworden. Als laatste moeten De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren in één band ver schijnen, helemaal zoals de schrijver het be doeld en gedroomd had.

En er is meer gedaan om de bedoelingen en de dromen van Boon tegemoet te komen. Zo zou hij het in zijn tegendraadsheid vast geweldig gevonden hebben dat het vijfde deel van die 24 banden, Te oud voor kamperen? en andere verhalen, als eerste gepubliceerd wordt. Wellicht zou hij de slimme zet van de tekstbezorgers onder leiding van Boon-biograaf Kris Humbeeck ook meteen doorzien hebben: door de chronologie los te laten, ontdoen ze dit Verzameld werk van zijn marmer en wordt het nu eens géén grafsteen die een schrijver definitief naar het verleden verwijst, maar integendeel een vitale stimulans om Boon te (her)lezen. Voor elk deel van dit Verzameld werk wordt – min of meer thematisch, min of meer chronologisch, maar vooral erg à la Boon – gegraaid in de klassieke Boon-titels, minder bekend werk en nagelaten teksten.

Het nu verschenen deel 5 bundelt de klassieker Menuet, de eerder als Twee spoken verschenen verhalen Maagpijn en Uitleen bibliotheek en het nauwelijks bekende Te oud voor kamperen? De laatste drie verhalen (geschreven tussen 1944 en 1946) zijn genadeloos autobiografisch, even geestig als wrang. Boon heeft het achtereenvolgens over zijn slecht functionerende spijsverteringsstelsel, zijn mislukte poging een uitleenbibliotheek te starten, en een kampeertrip in mineur. Telkens zet hij zichzelf neer als een loser, een voorloper van het schlemielige boontje, dat wat knullige personage waarmee de schrijver later in De Kapellekensbaan drie vliegen in één klap sloeg: hij ontkende om het even welke vorm van eigenheid, wees elk imago en apothekersetiket af, en creëerde een medium waarmee hij vanop een ironische af stand de wereld kon gadeslaan en becommentariëren.

Ook in Menuet is de schrijver een door onzekerheid verteerde twijfelaar. Hij, een arbeider in een vrieskelder, is – naast zijn vrouw en hun hulpje in het huishouden – een van de drie vertellers die zijn versie geeft van een donkere geschiedenis. De claustrofobie die van dit verhaal uitgaat, wordt nog versterkt door de band met gruwelijke krantencitaten die aan de bovenkant van de bladzijden op de tekst weegt. Menuet, een dansje op het graf van de belegen moraal, is na een halve eeuw nog altijd een mokerslag.

Net zoals Boons schijnbare willekeur meestal leep georkestreerd was en net zoals zijn stugge dwarsigheid vaak een welbepaald doel diende, zo blijkt het allerminst toeval te zijn dat net dit vijfde deel van het Verzameld werk als eerste in de winkel ligt. Dit boek etaleert een cruciale overgang in Boons schrijverij. In Maagpijn, een onderschat en ondergewaardeerd verhaal, maakt Boon immers komaf met zijn zucht naar het Schone en het Verhevene die zijn productie tot dan toe beheerst had. Spottend blikt Boon terug op zijn plannen om de wereld te verbazen, en maakt meteen ook het al te verheven wereldbeeld van zijn vrouw belachelijk: «Zij heeft ook haar verlangens naar iets Hoogers, zij is kwaad op iemand die eet, vreet zegt ze. De menschen moeten voor haar kunnen leven zonder eten, en kinderen hebben zonder man.» Met dat streven naar het hogere begraaft Boon zijn (zwart-)romantische literatuuropvattingen. Die spraken het duidelijkst uit zijn tweede roman, Abel Gholaerts, waarin de schrijvende god Boon zich spiegelde aan Vincent van Gogh, die andere geniale maar miskende artiest – niet toevallig signeerde de jonge Boon zijn schilderwerk, Vincent achterna, met «Lowie». Volgens Boon kon de kunstenaar, gezegend met het vermogen diep te denken en voelen, zich als profeet en verlosser opwerpen.

De uiterst romantische artiest Boon kon zich voor de Tweede Wereldoorlog nog wel eens aan de aarde ontheven wanen, maar al gauw werd hij ingehaald door de harde dagelijkse werkelijkheid. De pijnlijke maag waarmee hij uit krijgsgevangenschap in het Noord-Duitse Fallingbostel teruggekeerd was, dwong hem tot een meer nuchtere kijk op het schrijven. Voortaan vond hij dat een schrijver een seismograaf moest zijn: al schrijvende moest hij vatten wat er om hem heen gebeurde en de mensen werkelijk bewoog, zijn pen moest de ondergrondse trillingen en schokken in de samenleving registreren. Boons focus verschuift van het azuur naar de stront. Voortaan is het alledaagse zijn terrein. Deze evolutie zou in de hand werken, zoals Willem Frederik Hermans (die andere gigant die dezer dagen met een Verzameld werk vereerd wordt) terecht opmerkte, dat Boon «een der weinig werkelijk grote auteurs is die toegankelijk zijn voor velen».

Boons duik in de modder van het-leven-zoals-het-is werd destijds nochtans niet bepaald op gejuich onthaald: de criticus Albert Westerlinck, priester en hoogleraar, duidde Menuet als «opzettelijk-vulgaire, stupide smeerlapperij, met een ziekelijke en pretentieus-stupiede behoefte om te ergeren door viezigheden». Nochtans krijgt de provocerende banaliteit van Maagpijn, Uitleenbibliotheek en Te oud voor kamperen? in Menuet een bijzondere dimensie: voor wie verder kijkt dan zijn priesterlijke neus lang is, is deze novelle een meesterlijke doorlichting van de naoorlogse samen leving. Voor het gemak heeft Boon een bijsluiter bijgeleverd, in de Gentse socialistische krant Vooruit. Hij was er nog geen jaar vast in dienst toen hij in juni 1955 schreef: «Wat nu volgt zal u misschien tegen de borst stuiten, maar ik moet zelf over mijn laatste boek beginnen schrijven.» Om vervolgens de relatie tussen de arbeider, zijn vrouw en hun dienstmeisje in Menuet te duiden als «een driehoeksverhouding zoals die in onze samenleving te vinden is. De botsing tussen dezen die zich uitsloven om iets te bewerkstellingen, dezen die aan dat bewerkstelligde kapotgaan, en de steeds meer opduikende soort mensen die zich individueel de handen warmen aan deze ‹brand van Rome›.»

De driehoeksverhouding in Menuet verbeeldt het dode punt waarop de naoorlogse samenleving beland is: er zijn geen lessen getrokken uit de oorlog, het oude leven wordt hervat, en tegelijk worden ook de oorzaken van de gruwel gerestaureerd. Het verval woekert volop achter de façade: het geweld verovert zelfs het huiselijke leven van alledag. Dat wordt geïllustreerd door de gebeurtenissen in de novelle en ten overvloede gekaderd door de band met krantencitaten boven aan de bladzijden. In Menuet wroet Boon, net zoals in zijn twee boeken over de Kapellekensbaan (die hij voor deze novelle voltooide, maar die pas later gepubliceerd raakten) aan de oppervlakte wat in het dagelijkse leven in naam van Vrijheid en Vooruitgang verdonkeremaand wordt.

Die dimensie maakt Boons werk uitermate actueel. De trillingen die de literaire seismograaf heeft geregistreerd, zijn intussen aangezwollen tot kleine schokgolven die onze wereld flink dooreenschudden. Het valt niet te ontkennen dat Louis Paul Boon een schrijver van en voor deze ontwrichte tijd is. Hij wacht dan ook op massale (her)ontdekking, en dit Verzameld werk biedt daartoe een uitgelezen gelegenheid. Het is aanbevolen voort te maken met de lectuur van Te oud voor kamperen? en andere verhalen, want in januari verschijnt al weer een volgend deel.