Michael Ignatief, gil Courtemanche& Stendhal

Van het slagveld

Regelmatig verschijnen er boeken van oorlogsverslaggevers die menen dat ze naast de gewone berichtgeving zelf ook nog een verhaal te vertellen hebben dat een groter publiek verdient. Maar had Stendhal de literatuur inzake oorlogsverhalen lang geleden niet al een lesje geleerd?

Zeker als een roman veel omvat is de titel soms een handige gebruiksaanwijzing, maar aan De kartuize van Parma is niet af te lezen dat er in het begin een hele oorlogs roman in voorkomt. Terecht heeft Theo Kars de likeurgeur van La chartreuse de Parma afgehaald, het gaat inderdaad om een kartuizer klooster. Maar pas op de laatste pagina blijkt dat dit klooster staat voor vrijwillige gevangenschap.

Nadat de jonge edelman Fabrizio allerlei gevangenissen van binnen heeft gezien, loopt hij vast in de fuik der liefde en trekt zich terug uit de wereld. Na één jaar zal hij er sterven, zomaar, want zo gedetailleerd Stendhal allerlei situaties uiteenrafelt, zo haastig raffelt hij op het laatst hele jaren af, waarbij hij kwansuis zowat alle personages om zeep helpt. De schrijver had tijd- en ademnood, in 1839; hij dicteerde de zeshonderd pagina’s in 52 dagen en de uitgever drong aan. Georges Perec verwijst ernaar met zijn boek 53 dagen, maar dat kwam niet af omdat hij voortijdig doodging.

Stendhal, die er zelf van uitging dat hij pas door een lezer van 1880 begrepen zou worden, wat een juiste voorspelling was, heeft meer schrijvers geïnspireerd. Leo Tolstoj verklapte in 1901 dat hij alles wat hij over de oorlog wist ontleende aan Stendhals beschrijving van de Slag bij Waterloo. Ook bij Tolstoj is de oorlog een warboel waar iemand op het slagveld rondloopt zonder ook maar iets te begrijpen. En inderdaad, ook als lezer weet je niet wat je ziet. Als je deze vijftig pagina’s (in de vertaling 42 tot en met 93) uit de roman zonder naam van de auteur voorgezet krijgt, zou je denken dat het om een schelmenroman gaat. Ik hoorde echo’s van Jacques le fataliste van Diderot: ook Fabrizio ziet telkens tekens dat zijn plan van boven komt, waar alles al geschreven staat. Als er plagiaat bij anticipatie bestaat, dan is het Waterloo in De kartuize een voorafspiegeling van De brave soldaat Schweik of eerder nog van de naïeve personages van Andrej Platonov.

Hoe begint het? Fabrizio, de meer met fantasie dan met intelligentie gezegende zoon van een Milanese markies, besluit op zestienjarige leeftijd uit protest tegen zijn reactionaire vader in Parijs de bewonderde Napoleon op te gaan zoeken. Daar loopt hij meteen verloren rond en raakt hij zijn geld kwijt aan jonge mannen in wie hij geestverwanten ziet. Dan gaat hij richting keizerlijke troepen maar wordt, vanwege zijn accent, voor spion aangezien en ruim een maand opgesloten. Vrouwen zijn, ook later, zijn redding. De vrouw van de cipier helpt hem, vervolgens leert hij van een marketentster de beginselen van het soldatenvak.

«De volgende dag zou de slag bij Waterloo plaatsvinden.» Dat zinnetje zet de toon én geeft het perspectief aan. Tegen het middaguur «hoorde Fabrizio kanongebulder in de stortregen» — de lezer weet dan dat hier een historische gebeurtenis in het water gaat vallen. «Dit was het voorspel van Waterloo.» Voor de hoofdpersoon bestaat die datum in de geschiedenis vooral uit veel lawaai en heen en weer geren. In de hoek van een akker voorbij een bosje vangt hij een glimp van het strijdtoneel op. Hij schrikt bij het zien van de eerste lijken maar een bloedend paard brengt hem in verrukking: «Ha, eindelijk is het dan zover. Ik lig onder vuur! dacht hij. Er wordt op mij geschoten, herhaalde hij voldaan. Nu ben ik een echte soldaat.»

Dit had een zin van Platonov kunnen zijn. De rest is je reinste slapstick: vlak bij hem hebben vier generaals een onderonsje, in een voorbij stuivende stofwolk blijkt de keizer schuil te gaan. De Italiaanse vrijwilliger heeft het zalige gevoel door vriendschap met strijdmakkers verbonden te zijn; schiet, bijna per ongeluk, iemand dood — weet hij veel wie vriend en vijand is. Het is alsof hij een stuk wild heeft geschoten. En al die tijd heeft hij maar één vraag: «Mijnheer», vraagt hij aan een wachtmeester, «dit is de eerste keer dat ik een veldslag meemaak. Is dit nu een echte veldslag?»

Hij mag dan denken dat het bloedverlies hem ook van romantische ideeën bevrijdt, maar in feite leert hij niets. Pas in de krant leest hij wat hij heeft meegemaakt. In het verdere leven van Fabrizio spelen de oorlogservaringen geen enkele rol. Hij heeft alleen last van zijn avontuur omdat zijn oudere broer hem bij de politie heeft aan gegeven en hij als aanhanger van de liberale ideeën waarvan Napoleon toen nog de schutspatroon was, wordt nagezeten.

Na deze potsierlijke en daarom zo realistische oorlogsscènes is in de literatuur elke serieuze beschrijving die suggereert dat een deelnemer aan oorlogshandelingen op het moment zelf enige notie heeft van wat hij doet, laat staan van wat daar in groter (historisch) perspectief gebeurt, domweg bedrog. Bijvoorbeeld de slagveldscènes in de laatste roman van Ian McEwan, Atonement (Boetekleed), een bloedserieus gebrachte potpourri van louter clichébeelden: invuloefeningen.

Ik stuitte onlangs op een verwijzing naar Stendhals Waterloo in het dagboek van de Poolse schrijver Gustaw Herling, die van 1940 tot 1942 in een Sovjetrussisch kamp heeft gezeten en in 1944 met een Poolse divisie in Italië aan een langdurige strijd van de geallieerden met de Duitsers deelnam. Pas toen hij veel later Stendhal over Waterloo las, begreep hij wat hij in de nachtelijke slag bij Monte Cassino had meegemaakt. Zelfs de Poolse generaal wist de volgende dag niet wie er gewonnen had.

Met die vijftig pagina’s over een op het slagveld verdwaald romantisch gemoed heeft Stendhal de literatuur inzake oorlogsverhalen een lesje geleerd, zou je mogen denken. Maar De kartuize van Parma is behalve een oorlogsroman ook nog een boek over het politieke machtsspel — en een handleiding voor de spelregels. Balzac schijnt in een brief aan Stendhal gezegd te hebben dat de roman een nieuwe versie van Machiavelli’s vorstenspiegel was. Dat is niets te veel gezegd. Bovendien gaf hij een genadeloze schets van het opportunisme van voormalige liberalen, jakobijnen en bonapartisten die zich in de tijd van restauratie ontpopten als fervente handhavers van de nieuwe orde. De portretten van sommige ministers onder de absolute monarch van Parma lijken voorafschaduwingen van het moderne type Schreibtischmörder.

Romanfiguren als de kille maar hoogst intelligente en culturele graaf Mosca en de door hem aanbeden impulsieve maar uiterst berekenende hertogin Sanseverina, vind ik zeker als paar vele malen interessanter dan de officiële hoofdpersoon Fabrizio del Dongo. De jongeman die steevast zegt dat hij voor de liefde onvoldoende gevoel heeft en daarom zo onhandig is, wordt ten slotte slachtoffer van een onmogelijke liefde. Dat deel van de roman is smartlap. Maar ook daar is meer over te zeggen als je de tragi komedie leest met het oog op het bedrieg lijke waarheidsidee dat Stendhal voor zijn meer autobiografische werk tot uitgangspunt nam. Het is dan oppassen met het begrip realisme als je beseft dat voor Stendhal herinneringen oftewel de herbeleving belangrijker waren dan de reële feiten. Fabrizio leert van de oorlog niets, hij komt er ook nooit op terug, maar dat deel was waarschijnlijk ook meer een reflectie van Stendhal over zijn eigen ervaringen.

Oorlog en eigen ervaringen; als het rijtje Stendhal-Tolstoj-Herling van zojuist één ding leert is het dat juist de janboel van slagveld en front het beroep op eigen ervaringen, van de betrokkene of waarnemer, twijfelachtig maakt. En er verschijnen wat boeken die uit het leven gegrepen zijn. Ettelijke ervan worden geschreven door oorlogsverslaggevers die menen dat ze naast de gewone berichtgeving zelf ook nog een verhaal te vertellen hebben dat een groter publiek verdient. Ze kiezen voor hun boodschap de romanvorm alsof het om een cadeauverpakking gaat. Sommigen van hen schijnen nog steeds te geloven dat roman en romantisch hetzelfde is, anders zouden ze niet alles aan de waslijn van een liefdes geschiedenis ophangen. Zelfs die is tweedehands, om niet te zeggen antiquarisch. Niet alleen op tv wordt de oorlogsverslaggever — liefst de veteraan die het ene slagveld na het andere afwerkt — zelf hoofdpersoon.

Het toeval zette twee Canadezen op mijn lezenaar die zich voor hun goede doel van de roman bediend hebben. Michael Ignatieff, schrijver van essays over de grote wereld, schreef een roman over een geharde maar nog niet compleet gelouterde verslaggever, Charlie. Na Vietnam, Cambodja et cetera gaat hij in Kosovo over de rooie wanneer hij ziet hoe een commandant een vrouw in brand steekt. De veilige afstand, hoe miniem soms ook, is op slag verdwenen. «Wat hij ten diepste voelde was niet in woorden te vatten.»

Het is flauw om te zeggen, maar als Charlie van iets genoeg heeft is het woorden, vooral grote woorden, waarvan «slecht geweten» er een is. Vervelend alleen dat het zielenleed te midden van stoer geweld en martiale urgentie volstrekt ongeloofwaardig is en het vooral de bedoeling lijkt de lezer een slecht geweten aan te praten, de lezer als vertegenwoordiger van de lijdzaam toeziende wereld. De verslaggever doet in elk geval iets: zijn werk. Voor Charlie wordt dat, als zelfbenoemd vertegenwoor diger van de wereld, niet minder dan een roeping.

Ik zal de roman niet verwijten dat de situatie in Kosovo niet wordt uitgelegd, niet eens dat de burgeroorlog alleen maar decor voor een uiteraard ook heroïsch gewetensconflict is. Ik ben trouwens zo fout als wat: ik blijk hetzelfde gedacht te hebben als de moordenaar. Charlie gaat in het begin met zijn crew op oorlogspad, onduidelijk waarheen en waar het om gaat. De groep verschuilt zich in een kelder bij een onbekende familie. De schurken ontdekken de schuilplaats en daarbij wordt de dochter in brand gestoken.

Uiteraard vraag je je af wat de journalist daar te zoeken heeft en waarom hij het leven van die mensen op het spel heeft gezet. Laat dezelfde vraag nu worden gesteld door de commandant met wie de journalist op het eind een dramatische confrontatie aangaat. De moordenaar is voor geen rede vatbaar, hij waagt het zelfs de verslaggever aan te vallen. En heeft die een weerwoord? Ja, zegt de roman: zijn beroep plaatst hem boven alle kritiek; waar de verslaggever verschijnt kijkt de hele wereld mee en dat gaat voor.

Ondanks het air van urgentie — waar oorlog heerst wordt al het andere onbelangrijk — is het boek als roman een volstrekt overbodig product. Een oorlogsroman van een andere Canadees, Een zondag aan het zwembad in Kigali, het debuut van Gil Courtemanche, is een schandalig prulboek. Dat het verhaal op feiten berust — de massamoord in Rwanda in 1994 en de aidsepidemie — maakt het alleen maar erger. Rond het zwembad van een hotel hangen alle buitenlanders rond die om zakelijke of humanitaire redenen in een land als Rwanda belanden.

Een beschrijving van die vliegenvanger had een mooi satirisch verhaal kunnen opleveren. Het lijkt er even op dat de televisieverslaggever Valcourt zich tot zulke kant tekeningen wil beperken, maar hij wordt verliefd op een dienstertje. Prompt raakt ook deze journalist zijn veilige afstand kwijt en in het kielzog van haar kont, om in zijn taal te spreken, raakt hij midden in de burgeroorlog verzeild. Gentille is een Hutu maar uiterlijk heeft ze alles van een Tutsi.

Alles aan deze roman is fout en niet alleen omdat hij van effecten aan elkaar hangt. Alleen al hoe de aidsepidemie hoofdzakelijk dient om de slachtpartijen aan te dikken, en omgekeerd. Eén voorbeeld: als een vriend van de journalist Cyprien, schuinsmarcheerder en een van de velen die vrolijk anderen besmetten, op een avond thuiskomt, wordt hij opgewacht door een bende paramilitairen die hem dwingt zijn vrouw die door hen verkracht en verminkt is nog eens te nemen. Onder het motto «Ik zal jullie laten zien hoe het moet» gaat hij aan de slag: «Hij zou niet sterven aan zijn ziekte maar aan genot.»

Ook de vrouw met wie Valcourt trouwt wordt op het eind verkracht en doet moeite het zo genotvol mogelijk te maken — dat is geen beschrijving, maar zo stelt de schrijver zich dat in de roman voor, in geuren en kleuren. Is dat wat ze vroeger «fel-realistisch» noemden? En wat is de boodschap? «Elk van ons, zelfs het meest vredelievende, onschuldige wezen, kan veranderen in een moordenaar.» Natuurlijk gaat het dan weer over de vernislaag van de beschaving waaronder het prehistorische roofdier in elk van ons op de loer ligt.

Je moet maar durven, zoals er ook enige moed en vooral domheid voor nodig is om het over de «tropische holocaust» te hebben. Als ze geld voor gaskamers hadden gehad zouden de massamoordenaars niet zo primitief te werk zijn gegaan. Belgische missionarissen hebben het nazisme ingevoerd, maar de schuldigen zijn wij. Na u, zou ik tegen de schrijver willen zeggen. Als tegengif wil ik behalve Stendhal het notitieboek van de front schrijver Ryszard Kapuciski aanbevelen.

Stendhal

De kartuize van Parma

Vertaald door Theo Kars

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 608 blz., € 36,90

Michael Ignatieff

Charlie Johnsons laatste woord

Vertaald door Irving Pardoen

Cossee, 186 blz., € 19,90

Gil Courtemanche

Een zondag aan het zwembad in Kigali

Vertaald door Manik Sarkar

De Bezige Bij, 288 blz., € 19,50

__________________________

Alessandro Baricco

Zonder bloed

Hoe mensen in een extreme situatie reageren kan getoond worden zonder precies tijd en plaats te noemen — zie de film Temps du loup van Haneke. Dat is ook het probleem niet met dit bloederige boekje van de populaire Italiaanse schrijver Baricco (1958). Drie mannen (op pagina 1 zijn het er vier) komen in een Mercedes bij een boerderij aanrijden. Niet het begin van een western maar het einde van een burgeroorlog. De winnaars komen afrekenen: een dokter en zijn zoon worden vermoord, het dochtertje dat zich heeft verstopt wordt door de jongste van de killers gespaard. In deel twee vindt zij als oudere vrouw haar redder in een kiosk en neemt met hem in een café het verleden door, vooral het rijtje wraakacties. Waarom ze indertijd moordden? Voor een betere wereld. En de man gelooft dat nóg. Daarna wil de vrouw met de moordenaar die haar spaarde naar bed. Oorlogen zijn niet altijd even schoon; maar smartlappen, ook literaire, maken ze er niet mooier op.

Uit het Italiaans (2002) vertaald door Manon Smits. De Geus, 128 blz., € 15,-

John Murray

Enkele korte notities over tropische vlinders

Dat alle acht verhalen met de medische wereld te maken hebben, komt natuurlijk doordat de Australische Murray (1963) van huis uit arts is, bovendien een die in de Derde Wereld heeft gewerkt. Wetenschap stoffeert de verhalen met een overvloed aan interessante details, maar de beoefenaars ervan staan niet minder hulpeloos in het leven. De verhalen die op heel verschillende plaatsen en tijdstippen spelen, kun je ook lezen als versies van één familiegeschiedenis. Daarbij gaat het om breuken, tussen ouders en generaties, en met het geboorteland (nogal eens India) et cetera. Wetenschap staat dan voor discipline in de strijd tegen wanorde en verval. Op het laatst lijken principes en aanvaarding van het lot dé thema’s van het boek. Gelukkig heeft Murray genoeg van Nabokov geleerd — zie de titel — om niet al te moralistisch te worden. De verhalen in Afrika maken goed wat Courtemanche (zie hiernaast) verpest.

Uit het Engels (2003) vertaald door Jan Fastenau. De Bezige Bij, 352 blz., € 21,90

Erich Hackl

De bruiloft van Auschwitz

Op 18 maart 1944 trouwen in Auschwitz een Oostenrijkse gevangene en een Spaanse die op bezoek mag komen. Hun huwelijksnacht brengen ze in het kampbordeel door. Of het bizarre feit verder iets te betekenen had, is de vraag (maar waarom dat lidwoord in de titel?), in het boek is het een datum in een groter historisch verhaal. De Weense Friemel ontmoette de Spaanse antifaciste tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Na in Frankrijk geïnterneerd te zijn, scheiden zich hun wegen: hij komt in Dachau en Auschwitz terecht, waar hij eind 1944 na een vlucht poging wordt opgehangen; zij belandt uiteindelijk in Frankrijk. De Oostenrijkse schrijver Hackl (1954) reconstrueert de levenslopen uit allerlei berichten en meningen, zonder er per se een sluitend geheel van te willen maken; het is soms onduidelijk wie iets vertelt. De achtergrond van politiek verzet van communisten, socialisten en anarchisten is minstens even belangrijk.

Uit het Duits (2002) vertaald door Gerrit Bussink. Ambo, 176 blz., € 17,95

Åsne Seierstad

De boekhandelaar van Kaboel

De Noorse Åsne Seierstad (1970) bediende in Bagdad vorig jaar de Nederlandse tv, daarvoor was ze in Afghanistan en nam ze in 2002 de tijd om de familie van een boekhandelaar in Kaboel te leren kennen. Dat geeft een weinig hoopvol beeld, vooral voor de sociale tweederangspositie van vrouwen, die in dit verslag ook voor ontwikkelde mannen én vrouwen vanzelfsprekend lijkt. En de familie is een natie op zich. Seierstad is goed gedocumenteerd, is voldoende nieuwsgierig (ze loopt ook zelf soms onder de kap) én weet dat ze met een Engels sprekende boekhandelaar geen doorsnee familie laat zien. Zulke reportages zijn helaas zeldzaam.

Uit het Noors vertaald door Diederik Grit. De Geus, 256 blz., € 22,50

Marek Hlasko

De uil is de dochter van de bakker

Hlasko (1934) was al in 1956 beroemd, in 1958 schrijver in ballingschap en in 1969 een dode dichter, daarna vooral legende. Hij schreef vier romans, een halve autobiografie en wat verhalen. Van de titels die er vroeger vertaald zijn, staat me alleen De tweede hondedood bij. Ook de hoofdpersoon in de nu vertaalde roman uit 1967, een door zijn krant wegens wangedrag ontslagen praatjesmaker, is vooral poseur. Via via vindt hij een baantje als chauffeur voor een vrouw die zich dagelijks naar de gevangenis laat rijden waar haar man, een luchtmachtkolonel, om politieke redenen in een dodencel zit. De grap is dat onze held vervolgens de rol van de kolonel overneemt, in alles. De rest laat zich denken, voor de schrijver gesneden koek, opgetoeft met wat tof cynisme en glimpen uit het Pools-communistische gekkenhuis. De aardigste malloot is een bijfiguur: de uit de dood herrezen oom voor wie het leven een aanhoudende verkleedpartij is.

Uit het Pools (1967) vertaald door Karol Lesman. Contact, 223 blz., € 14,90

Italo Calvino

Waarom zou je de klassieken lezen

Van deze bundel bestonden uiteenlopende versies in diverse talen. Deze vertaling is gemaakt naar de keuze die Calvino zelf voor ogen stond. Op de vraag van de titel geeft hij vele antwoorden, maar het beste is het boek zelf dat demonstreert hoe Homeros, Xenofon, Ovidius, Defoe, Diderot, Flaubert, Stevenson in zijn bibliotheek net zulke «levende» auteurs zijn als Pasternak, Borges, Gadda, Queneau, Barthes en Pavese. Er staan ook twee stukken over Stendhal in: een groot opstel over de hele Stendhal, vooral zijn manier van denken en schrijven (tevens zelfportret van Calvino); en een stuk, «Handleiding bij de Chartreuse ten behoeve van nieuwe lezers», waarvan de titel ook wordt waargemaakt. Het bijzondere aan Calvino’s essays is dat ze de lezer die het boek of de auteur kent iets te bieden hebben, maar ook uitstekende inleidingen zijn. Atlas heeft ook net Palomar en De onzichtbare steden herdrukt.

Uit het Italiaans (2003) vertaald door Henny Vlot. Atlas, 383 blz., € 25,50

Ryszard Kapuscinski

Lapidarium: Observaties van een wereldreiziger 1980-2000

Volgens mij is dit een van de belangrijkste boeken van de laatste tijd, maar wat te zeggen over tweehonderd pagina’s aantekeningen — «lapidarium» is een verzameling stenen, brokstukken — die ook nog eens een keuze vormen uit vier boeken die twintig jaar bestrijken? Na zijn studie geschiedenis werd Kapuscinski in 1956 buitenlands correspondent en bereisde ongeveer alle werelddelen, vooral Afrika. Drie voorwaarden noemt hij voor het genre dat hij ongeveer uitvond, de reportage als «creatieve non-fictie»: veel lezen (ter voor bereiding), plaatsen verkennen (reizen) en nadenken (reflectie). De notities bewijzen dat hij de derde eis niet heeft verwaarloosd, waarbij hij niet alleen over wereldproblemen, het Polen van de jaren tachtig, de laatste communisten, de media en het reizen et cetera nadenkt, maar ook goed zijn eigen doen en laten als verslaggever en waarnemer in de gaten houdt. Een verademing naast alle amechtige journalistiek én pretentieuze romantiseringen à la Ignatieff. Wat mij betreft mogen alle vier de boeken integraal vertaald worden.

Uit het Pools vertaald door Gerard Rasch. De Arbeiderspers, (privé-domein), 196 blz., € 22,95