DE ONSTUITBARE OPMARS VAN EEN VAGE TERM

Van het volk, voor het volk

Pragmatisme, smart governance, hollanditis: een tijdlang zijn de termen niet weg te slaan uit de media om vervolgens langzaam weer weg te zakken. Het nieuwste modewoord in het publieke en politieke debat is onmiskenbaar populisme.

DE ACTUALITEITENRUBRIEK Netwerk riep 2008 uit tot het jaar van het populisme. Journalist Hans Wansink voorspelde in een essay met de titel ‘Volkstribuun is teken van nieuwe tijd’ in de Volkskrant dat het populisme de toekomst heeft. Het begrip populisme is populair, maar ook onduidelijk. Dat bleek onlangs weer op twee momenten. Allereerst was daar het afscheid van Jan Marijnissen als fractievoorzitter van de SP. Was Jan nu wel of geen populist, zo luidde meteen de vraag. Gelukkig voor de SP-voorman nam de nestor van de Tweede Kamer, Bas van der Vlies, het voor hem op. Marijnissen was beslist geen populist, aldus de SGP-leider in de Volkskrant, want hij onderbouwde zijn betogen altijd met boeken. De populist herkent men blijkbaar aan zijn gebrek aan belezenheid. Bij de presentatie van de biografie van Dries van Agt dook de term populisme wederom op. Was de oud-premier een boekenhater? Nee, bij Van Agt, zo legden zijn biografen uit, had het populisme te maken met zijn gestileerde imago van de antipoliticus die graag de ernstige bevlogenheid van linkse politici relativeerde.
Het zijn twee recente voorbeelden, die aangeven dat populisme tamelijk lukraak wordt gebruikt. Andere voorbeelden liggen voor het oprapen. De opmars van het begrip laat zich misschien nog het best illustreren door een onderzoekje in de krantendatabase Lexis Nexis. In 1990 wordt de term in de grote landelijke kranten nog slechts in 23 artikelen gebruikt. Als populisten gelden dan met name postcommunistische leiders als Boris Jeltsin, Lech Walesa en Ion Iliescu. Voor Hans Janmaat en de CD volstaat nog de term extreem-rechts. Pas met de opkomst van de Socialistische Partij, de lokale Leefbaar-partijen en ten slotte Pim Fortuyn wordt de term populisme ook voor binnenlandse consumptie geschikt geacht. Extreem-links en extreem-rechts volstaan hier niet meer: rechts-populisme en links-populisme worden de nieuwe etiketten. Die naamsverandering lijkt niet alleen een gevolg van een minder extreme positie van deze partijen, maar ook van hun populariteit. Extreem staat in de Nederlandse context voor marginaal. En van marginaal was hier al lang geen sprake meer.
In de jaren na 2002 neemt het gebruik van de term een hoge vlucht. In 2006 wordt de term in dezelfde kranten al in 246 artikelen gebruikt, in 2007 in 276 artikelen en alleen al in de eerste zes maanden van 2008 duikt ‘populisme’ reeds in 222 artikelen op. We komen de benaming tegen bij allerhande politici – van Rita Verdonk tot Wouter Bos en van Nicolas Sarkozy tot Oskar Lafontaine – maar ook meer algemeen ter aanduiding van een nieuwe stijl in de politiek of zelfs van een nieuwe tijdgeest. Maar ook vinden we de term in stukken over commerciële tv-programma’s, verzet tegen de Europese eenwording, onverantwoordelijk geachte kortetermijnplanning, kritiek op het integratiebeleid en rumoerige talkshowgasten. Wat populisme precies is en wat dus precies bedoeld wordt, blijft echter onduidelijk. Daarmee lijkt populisme te zijn verworden tot een containerbegrip, een betekenisloze term die voor zeer uiteenlopende zaken wordt gebruikt.
Het verschil met de meeste andere containerbegrippen (als duurzaamheid of progressief) is dat populisme een sterk negatieve connotatie heeft. Het is iets waar men zelf over het algemeen niet mee geassocieerd wil worden en waartegen men zelfs vol vuur ten strijde wil trekken. In die zin lijkt populisme op fascisme, ook zo’n begrip dat na 1945 is verworden tot een soort vergaarbak, naar believen te gebruiken voor extreem-rechtse politici, strenge politiemannen, Amerikaanse presidenten of Arabische dictators. Toch is er een belangrijk verschil. Bij fascisme is in elk geval voor 1945 sprake geweest van een fascistische stroming die zichzelf ook als zodanig bestempelde en die in Benito Mussolini ook een grondlegger heeft. Het populisme kent geen grondlegger, geen Mussolini of Marx, en er bestaan geen partijen die zichzelf nadrukkelijk populistisch noemen. Het ontbreekt kortom aan een standaard-populisme, waartegen politici en partijen kunnen worden afgezet.

In het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal kent populisme drie betekenissen: een literaire stroming die het leven van gewone mensen centraal stelt, een antikapitalistische agrarische beweging (met name in Zuid-Amerika) en een populaire, oppervlakkige (enigszins) demagogische betoogtrant. De eerste betekenis lijkt behalve bij literatuurwetenschappers geheel en al vergeten. Bij de tweede betekenis moet men in de Nederlandse context vanzelf terugdenken aan boerenleiders als Boer Braat van de Plattelandersbond, Boer Koekoek van de Boerenpartij of meer recentelijk Boer Wien van den Brink, die het verzet van de varkenshouders tegen de ruimingen leidde en die later opdook als Tweede-Kamerlid van de LPF. Alle drie gaven luidkeels blijk van hun afkeer van de stijl en procedures in een politiek die in hun ogen stelselmatig de boeren besodemieterde. Maar buiten hun eigen kleine kringetje nam eigenlijk niemand ze serieus. Met het huidige populisme lijken ze weinig van doen te hebben.
Bij de derde betekenis komen we al dichter in de buurt. Populistisch wordt dan de betiteling van voorstellen die altijd wel op applaus kunnen rekenen. De wegen verdubbelen ter bestrijding van de files of de uitgaven voor defensie gebruiken om de pensioenen te verhogen. Als het maar populair is (en dus stemmen oplevert), oppervlakkig is (en dus door iedereen kan worden begrepen) en bovendien demagogisch is (hoewel de Dikke Van Dale daar veiligheidshalve tussen haakjes ‘enigszins’ aan heeft toegevoegd). Zeker is – afgaande op de Dikke Van Dale – in ieder geval dat populisme een negatief label is.
Gezien deze definitie wekt het weinig verbazing dat populisme vooral een term is waarmee tegenstanders gediskwalificeerd kunnen worden. Dat is ook precies de reden waarom de term zo populair is geworden. Doekle Terpstra bijvoorbeeld heeft zich opgeworpen als de bestrijder van populisme, dat hij blijkens een interview in de Provinciale Zeeuwse Courant definieert als ‘een politiek waarin maar van alles gezegd mag worden zonder dat er verantwoordelijkheid wordt genomen’. Een andere erkende antipopulist, Job Cohen, noemde populisme in de Volkskrant ‘geschreeuw van de bühne waar niemand iets mee opschiet’. Populisten zijn kortom schreeuwers aan de zijlijn, opportunisten zonder verantwoordelijkheidsgevoel, zonder principes of idealen en vooral ook zonder oplossingen. Zij spelen in op de onderbuikgevoelens van het klootjesvolk, het gesundes Volksempfinden, en bedrijven stamtafelpolitiek. Het gebruik van de term populisme is hier een uitsluitingsmechanisme, een middel om te bepalen wie er wel en wie er niet toe doet in de politiek. Net als eerdere termen als extreem-rechts en extreem-links lijkt de term daarmee de huidige graadmeter voor wat binnen een politieke cultuur als acceptabel geldt.
Voor de overzichtelijkheid van het debat zou deze eenduidig negatieve connotatie een zegen zijn geweest. Maar de term blijkt rekbaar en glibberig genoeg te zijn om aan dit lot te ontsnappen. In toenemende mate wordt ‘populist’ de laatste tijd als geuzennaam gebruikt. Populisme wordt de betiteling van een eerlijke politiek waarin heldere keuzes worden gemaakt en waarin de problemen en de oplossingen van gewone mensen serieus worden genomen. PVDA-leider Wouter Bos bijvoorbeeld heeft meermalen gepleit voor een ‘positief populisme’: een politiek waarin niet de macrowerkelijkheid van ambtenaren en politici maar de microwerkelijkheid van gewone mensen centraal zou moeten staan. En Rita Verdonk wijst er tegenwoordig steeds op dat populisme van het Latijnse populus, volk, komt, en juist om de populus moet politiek toch gaan? Op deze wijze gepareerd wordt de beschuldiging van populisme een soort boemerang: zij die de ander van populisme beschuldigen, geven zelf blijkbaar weinig om wat het volk meent.

In de Dikke Van Dale is niet de betekenis opgenomen die in de wetenschap in zwang is gekomen. Populisme wordt hier niet zozeer opgevat als stijl, geuzennaam of diskwalificatie maar als een ideologie. Populisme-theoretici voegen daar haastig aan toe dat het in vergelijking met liberalisme of socialisme natuurlijk wel een uiterst ‘dunne ideologie’ is, die eigenlijk slechts bestaat uit een aantal noties. Zonder twijfel de twee voornaamste daarvan zijn een felle afkeer van de elite, en de pretentie namens het ware volk te spreken en te handelen. Deze twee kenmerken zijn bij populisme onlosmakelijk met elkaar verbonden. Belangrijk is dat alleen verzet tegen de heersende machtsstructuren nog niet voldoende is om het etiket populistisch te gebruiken. Het verzet van Provo of van de kraakbeweging tegen het establishment kan bijvoorbeeld moeilijk populistisch genoemd worden, omdat enige verwijzing, in positieve zin, naar het echte volk ontbreekt (of men zou het zogenaamde provotariaat als zodanig moeten beschouwen). Hetzelfde geldt ook voor de Partij voor de Dieren, die door Hans Wansink merkwaardig genoeg wel als populistisch wordt bestempeld. Het predikaat past hooguit als populisme ook naar het ‘dierenvolk’ kan verwijzen, maar dat zou een typisch voorbeeld zijn van conceptual stretching.
We komen de term ‘het echte volk’ in het populistische discours wel in allerlei vormen en gedaantes tegen: bijvoorbeeld als ‘de gewone mensen in het land’, ‘de zwijgende meerderheid’, ‘de hardwerkende Nederlander’ of – meer historisch – ‘de volksgemeenschap’, ‘het volk achter de kiezers’ of ‘de kleine luyden’. In alle gevallen wordt over het volk gesproken alsof het een eenheid is: de talrijke tegenstellingen in bijvoorbeeld religie, klasse, tijdverdrijf en smaak worden door het populisme niet of nauwelijks erkend. Het volk is in het populistisch universum een soort metapersonage met een eigen karakter, stem en wil. Dat geldt evenzeer voor de elite, die eveneens als één enkele gesloten kaste wordt beschouwd. Hier wordt dikwijls gebruik gemaakt van een lood-om-oud-ijzer-logica: hoewel ze anders beloven, handelen alle partijen op dezelfde corrupte wijze en spelen meestal onder één hoedje met andere met de politieke elite verwant geachte sectoren (bijvoorbeeld de journalistiek, de rechtspraak, de militaire top, de kerkleiding, de hoge ambtenarij). Als de politieke elite al andere belangen behartigt dan die van haarzelf, dan zijn het slechts de belangen van een minderheid, die niet bij het ‘echte volk’ hoort: deze out-group kan in etnische of religieuze termen worden gedefinieerd (allochtonen, joden, moslims), maar ook in sociaal-economische termen (werklozen en profiteurs van de welvaartsstaat of juist rijke ondernemers en bankiers, die vette bonussen opstrijken).
Op deze populistische enscenering van een good guy (het volk) tegen de bad guy (de elite) kunnen verschillende stappen volgen. In zijn meest gematigde vorm zien we het populisme in partijen die zich uitdrukkelijk presenteren als de ‘gewone-mensen-partij’ die met een ‘gewone-mensen-programma’ het overheidsbeleid wil beïnvloeden. Ondanks de kritiek op elites wordt de bestaande representatieve democratie feitelijk wel geaccepteerd, alleen de richting van het overheidsbeleid en de bemensing van de elite moet veranderen. Het populisme is hier dan van voorbijgaande aard: zogauw de gewone-mensen-partij eenmaal met de elite verweven raakt, ebt ook het populisme enigszins weg.
In een radicalere variant zien we het populisme in pleidooien om de hele democratie om te vormen. In een ware democratie zou de elite immers de belangen van het volk behartigen, dus is er iets fundamenteel mis met het democratische systeem. Hier komen vaak pleidooien voor een meer directe vorm van democratie en een sterk anti-partijen-sentiment om de hoek kijken. De politieke partijen, zo heet het dan, vormen niet zozeer noodzakelijke intermediairs als wel stoorzenders in de representatie van de volkswil. Zij hebben de democratie als het ware gekaapt, bijvoorbeeld door ingewikkelde procedurele barrières op te werpen, door de marges van het politieke handelen uiterst smal te maken (bijvoorbeeld door Europese verdragen af te sluiten) of door het volk allerlei tegenstellingen aan te praten. Het verklaart volgens de populisme-theoretici waarom populistische politici vaak een diepe afkeer hebben van instituties, procedures, wetten en verdragen die de speelruimte beperken.

Wat populisme volgens theoretici nu tot zo’n glibberig en verwarrend concept maakt, is dat het op zichzelf eigenlijk nauwelijks kan bestaan. Daarvoor is het eenvoudigweg te mager. De bekende populisme-theoreticus Paul Taggart noemt populisme dan ook een ‘empty shell’, die gevuld wordt met noties uit andere ideologieën, zoals het liberalisme, fascisme of socialisme. Populisme kan daarom links of rechts zijn, democratisch of antidemocratisch; afhankelijk van met welke andere noties het gecombineerd wordt.
Wie concreet op zoek gaat naar populisme gaat kortom op zoek naar een ingrediënt waarvan allerlei partijen in mindere of meerdere mate gebruik maken. Populisme is niet zoals socialisme of liberalisme een zelfstandige stroming. De Vlaamse politicoloog Jan Jagers laat dit zien in zijn proefschrift De Stem van het Volk! Populisme als concept getest bij Vlaamse politieke partijen. Jagers doet hierin verslag van zijn onderzoek naar het populistische gehalte van het discours van een aantal Vlaamse partijen. Zijn conclusie luidt – niet geheel verrassend – dat populistische noties het meest voorkomen bij het Vlaams Belang van Filip Dewinter. Verrassender aan het onderzoek is dat blijkt hoezeer ook andere Vlaamse partijen er gebruik van maken. Vooral de socialisten van Steve Stevaert presenteren zich als de partij van de gewone mensen, die vaak veel beter dan allerlei experts weten wat het beste is voor het land.
Een dergelijk onderzoek zou in Nederland naar alle waarschijnlijkheid eveneens aantonen hoe wijdverbreid bepaalde populistische noties zijn. Van de SP tot het CDA en van de PVDA tot de VVD: alle benadrukken graag dat de gewone mensen het zo veel beter zien dan de politieke elites. Andere noties als het sterke anti-partijen-sentiment, de voorkeur voor vormen van directe democratie en de neiging een zondebok te zoeken lijken daarentegen alleen bij de ledenloze bewegingen van Wilders en Verdonk in meerdere of mindere mate te bestaan. Voor hen is het populisme de ideologische smaakmaker in een voor het overige neoconservatief (vooral Wilders) dan wel liberaal (vooral Verdonk) recept. Vanuit politiek-theoretisch perspectief komen zij waarschijnlijk het dichtst in de buurt van het ideaaltype van de populistische beweging.

Is populisme dan toch een term met een analytische meerwaarde? Ja, maar vooralsnog alleen als ze vergezeld gaat van een specifieke definitie. Wat dat betreft kan Wansinks essay in de Volkskrant gezien worden als voorbeeld van hoe het niet moet. Zich baserend op de Amerikaanse historicus Morton Keller voorspelt Wansink dat populistische politiek de norm zal zijn in de toekomst. Een op het eerste gezicht prikkelende stelling, die bij nader inzien echter tamelijk nietszeggend is door de wel erg ruime populisme-definitie die Wansink hanteert. Populisme verwijst volgens Wansink, die hierin Keller volgt, naar ‘alle agitatie van onderop en van buiten de traditionele partijen’. Het verklaart waarom Wansink de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme rekent tot de populistische beweging, waarin verder Wilders, Verdonk en Marijnissen thuishoren. Ook andere nieuwe partijen en bewegingen zullen aldus bij voorbaat worden voorzien van het etiket populistisch, ook al treden ze in het krijt voor ouderen, islamieten, rokers of lokale belangen. Het populisme-concept barst hier uit zijn voegen en verwordt tot een containerbegrip, waarmee heel veel verklaard lijkt te worden. Zolang het populisme niet specifieker wordt gedefinieerd, wordt echter niets verklaard. Voor de lezer blijft onduidelijk of populisme gebruikt wordt als diskwalificatie, als stijlomschrijving of in meer politiek-theoretische zin als (dunne) ideologie. Ieder zal het begrip dan naar eigen believen vullen, waarop de verwarring alleen maar toeneemt. Als begrip gaat populisme waarschijnlijk dan dezelfde weg op als de typisch-jaren-negentig-term pragmatisme: een etiket dat voor van alles en nog wat wordt gebruikt en dat daardoor nauwelijks nog iets betekent.

Koen Vossen is universitair docent politieke wetenschap aan de Universiteit Leiden. Zijn proefschrift (2003) heeft als titel Vrij vissen in het Vondelpark: Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940