Koen Peeters

Van huis

Koen Peeters, <>Acacialaan Uitg. Meulenhoff, 175 blz., ƒ34,90

«Kun je wonen in het huis van een ander zonder je daarvan een voertuig te voelen?» Dit is een van de «honderdzeventig existentiële vragen» die worden gesteld in de nieuwste roman van Koen Peeters, Acacialaan. Robert, de ik figuur, op zoek naar een nieuw huis voor hem en zijn gezin, ziet bij zijn makelaar een foto van een witte villa en weet dat deze voor hem bestemd is: Villa La Chasse. Hij sluit een fictief pact met de bewoner, aangesproken met Marchand (een verwijzing naar de hoofdfiguur uit eerdere romans van Peeters: Robert Marchand) en eigent zich het huis met het torentje toe. De vorige bewoner blijkt eigenlijk Maurice Gilliams te heten en Robert wordt langzamerhand het voertuig van deze dode schrijver — omdat hij Gilliams’ bewegingen overneemt, zijn routes.
Voor hij in de villa aan de Elizabethlaan ging wonen, hield Robert zich voornamelijk bezig met een «stratenonderzoek» naar Louis Paul Boon, een telkens hervatte wandeling door alle straten die in de boeken van deze schrijver een rol spelen. De Elizabethlaan — als je het snel opschrijft heeft het wel iets weg van Kapellekensbaan, vindt Robert — wordt nu zijn nieuwe vertrekpunt, het middelpunt van een zoektocht naar de uiterste randen van Gilliams’ werk, waar Robert steeds meer in verdiept raakt: «De aristocraat met het kleine, geraffineerde oeuvre dat zo tegengesteld was aan Boon, wilde ik terugzoeken in de Antwerp se straten. Alles was daartoe geschikt, niets was onbenullig voor mijn waarheidsmachine.»
Het wandelen is een schijnbaar nutteloze bezigheid, maar de notities die hij onderweg maakt zijn onderdeel van een groot project: «Alles is bruikbaar om een kunstwerk te reconstrueren.» (Let op: niet deconstrueren!)
Het (kunst)werk van Koen Peeters zelf, de roman, is voortdurend under (re)construction. Het verhaal verbergt zich in «pogingen tot een gesprek», met dode schrijvers (citaten), met nieuwe lezers (de tekst wordt geredigeerd), met de jonge mensen die in zijn tuin een «litera tuur cursus» volgen (ingevoegde teksten van hen), met de Belgische actualiteit (kranten berichten), en ook: met zijn vader.
De verteller wordt het voertuig, ook, van zijn overleden vader, wiens woorden hij erft in de vorm van dagboekaantekeningen en een enorm archief. Het zijn niet zomaar woorden, maar de woorden van de generatie die het land na de Tweede Wereldoorlog zou wederopbouwen. Zijn woorden zijn anders dan die van zijn zoon: «nooit ironisch», maar vol hoop en vol verwachting. Het is aan Robert om, niet naar de letter maar naar de geest van zijn vader, het verhaal van vroeger aan te kno pen bij een hopeloos heden, en «ongetwijfeld was het niet-letterlijke citaat het meest accurate». Want de letter bedriegt: zoals ook straatnamen niet meer dan een tijdelijke behuizing van betekenis zijn (de Elizabethlaan wordt Acacialaan), zo zijn de personages ook maar tijdelijke omhulsels van wat «de kunstenaar amper voor zichzelf kan zeggen». Robert laat ze vragen stellen waarop hij het antwoord niet weet, maar ontkent daarmee niet de mógelijkheid antwoorden te geven. «Kunst is een restwaarde, een relict van een poging om thuis te geraken», en daarom is het noodzakelijk om telkens weer, verder van huis te raken, zodat je steeds opnieuw, wel honderdzeventig keer, de weg kunt vragen.
Zo lukt het Koen Peeters ondanks, of misschien wel dankzij een woud aan kunstgrepen een waarschijnlijke wereld weer te geven. Door vragen te stellen aan de Literatuur, de Lezer, de Werkelijkheid en de Geschiedenis probeert hij verbindingen te maken, «de ander» te vinden en daarmee ook zichzelf. Maar: «Hoe diep kun je doordringen in een bos?» Simpel: «Tot in het midden.» Ligt de waarheid niet altijd daar, op die plek verborgen?