Van invloed

Ik was bij Esther, de jonge beeldhouwster, op het atelier.

Ik rook klei en gips. Ik keek naar een muur waarop honderden uitgeknipte foto’s van hoofden, landschappen en kunstwerken waren geplakt. Her en der lagen boeken. Kunstboeken, literatuur, stripverhalen. Haar beelden stonden door het atelier verspreid.

‘Rotzooitje?’ vroeg ze.

‘Een gezellig rotzooitje’, zei ik.

We gingen, nadat ik een kop oploskoffie had gekregen, zitten in twee stoelen die van de straat geraapt leken.

‘Ik kan dit niet meer blijven doen, ik heb werk nodig’, zei ze.

‘Wat ben je van plan?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik ben beeldhouwster en eigenlijk niets anders… Maar misschien kan ik hier in het buurtcentrum tegen betaling les gaan geven… Zwart.’

Ik reageerde niet.

‘Jij neemt mij dat kwalijk? Dat ik zwart werk?’ vroeg ze.

‘Nee… mijn vriendin is ontslagen. 58 jaar is ze. Ze heeft volgens de statistieken 0,8 procent kans om nieuw werk te vinden. Ze speelt in een orkest. Ik heb haar WW-regeling bekeken. Om gek van te worden, zo ingewikkeld. Eén ding weet ik wel: die regeling is geen aanmoediging om werk te zoeken.’

‘Zielig voor je vriendin’, was de reactie.

Ik stond op om haar beeldhouwwerken te bekijken. Ik vroeg hoe duur een en ander was en hoorde bedragen die ik nooit zou kunnen betalen. Ik vroeg haar waarom het zo duur was. Ze rekende voor: ‘Ik ben een twee maanden met zo’n beeld bezig, dan moet het naar de brons­gieter, dat moet ik betalen. Dan gaat het naar een galerie. Die vraagt dertig, soms veertig procent. Ik hou er echt heel weinig aan over.’

We begonnen weer over De Kunst te spreken. Hoe kwam het dat fotografie zo populair was en literatuur z’n invloed had verloren, waarom was tien jaar geleden moderne muziek nog invloedrijk en waarom wilde het met opera en klassieke muziek maar niet lukken?

‘Ik heb daar een eenvoudige theorie over, waar je het waarschijnlijk niet mee eens zult zijn’, zei ik. ‘Ik denk dat het te maken heeft met geld, met welvaart. Een land waar de kunst in hoog aanzien staat, is een land waar het economisch goed gaat.’

Ze haalde haar schouders op.

‘Je zei vorige keer dat film en televisieseries van grotere invloed zijn op de mensen dan beeldhouwen of literatuur. Die series komen meestal uit Amerika. Daar gaat het economisch toch niet goed?’

‘Klopt. Maar ik bedoel eigenlijk dat kunst alleen gedijt als er geld mee verdiend kan worden. Met die films en televisieseries kan geld worden verdiend. Net als met sport. Rembrandt zelf was niet zo rijk. Maar Nederland wel. Snap je?’

‘Nee… onzin. Ik was in Afrika. Daar waren ze zo arm… Maar ze maakten prachtige tekeningen en schitterende houten beelden.’

‘Afrika is booming.’

‘Toen niet.’

We lachten de discussie weg. Ik bekeek een tekening die aan de muur hing van een man en een vrouw die aan het copuleren waren.

‘Als ik iets heb zien veranderen in mijn leven is het wel de seksualiteit’, zei ik. ‘In de jaren zestig was van alles mogelijk. Iedereen met iedereen. Veel experimenten met het huwelijk die allemaal zijn mislukt. Tegenwoordig zijn we weer burgerlijk geworden en wil iedereen bij elkaar blijven, maar is er een enorme toename aan hulpstukken. Van viagra tot handboeien. Hieraan zie je wat ik bedoel: de invloed van Vijftig tinten grijs is groter dan het laatste boek van Ian McEwan, Suikertand, terwijl dat boek toch echt beter is.’

‘Je hebt het altijd maar over invloed. Invloed is niks. Misschien ben ik beïnvloed door mijn volstrekt onbekende vader, en misschien is mijn eigen invloed nul, dat maakt toch niet uit. Wat is invloed?’

‘Een opgedrongen ideologie die de indruk wekt dat je zelf hebt gekozen. Doodeng, eigenlijk!’