Van je -orst, -orst, -orst

Wiel Kusters
Zielverstand
Querido, 96 blz., € 16,95

Mocht u geïnteresseerd zijn in hoe ‘door dunne bladeren’ licht wordt ‘gezeefd/ tot teer bezinksel op een weg die daalt/ en een rivier belooft die, niet vertaald/ in water, als zacht ruisen vóór ons beeft’, of in hoe tijd ‘als fijn weefsel in de lucht’ om de ik-figuur en zijn metgezellen heen hangt en ‘niet meer (wil) verstrijken./ Een waas van woorden die aan licht bezwijken;/ een fluistering, als bladgeruis; een zucht’, dan raad ik u de bundel Zielverstand van Wiel Kusters aan. Kusters is al bijna dertig jaar actief als publicerend dichter en heeft weer een fijne bundel vol wonderlijke observaties van ogenschijnlijk eenvoudige, aardse zaken afgeleverd. Zoals over de tijd die voorbij tikt en als moreel vrijheidsbegrenzer werkt, in het besef van het onvermijdelijke verschijnen van Magere Hein.

Wak

En later komen dan de jaren

waarin we wie wij samen waren

ontredderd in een wak zien staren

omdat de kou die ons niet sloeg

ons beiden ook niet samen droeg

het vlies verbrak zich veel te vroeg

ik wil niet wedden dat ik leef

ik wil jou warmen die mij wreef

als ik ons wak straks wijder beef

Die één na laatste regel is natuurlijk hilarisch. ‘Ik wil jou warmen die mij wreef’. Wat is dat voor een stoplap? Ik bedoel, het wak als metafoor voor een fikse dip, die kan ik hebben. Dat je dan in dat wak gaat liggen om meer ruimte te maken, alsof je het desillusionerende besef van eindigheid met je psych bespreekt en ’t in perspectief plaatst en te behapstukken maakt, vooruit. Maar dan komt de man dus weer uit dat spreekwoordelijke wak en gaat dan degene die met de warme deken klaar staat, staan warmen? Of nee: dat wil hij. Straks, nadat hij zijn midlifecrisis heeft omgebogen tot een uitdaging.

Maar waarom wil hij dat eigenlijk? Omdat hij niet ‘wil wedden dat ik leef’? Wat gebeurt er met iemand die die weddenschap niet aan wil gaan? Die wedt dus niet? Of wenst de dichter eenvoudigweg uit te komen op dat wak dat wijder wordt gebeefd, en moeten er daarom twee -eefjes voor die uitsmijter postvatten?

Het is ontluisterend als duidelijk wordt dat bovenstaand gedicht een van de beter te verteren gedichten in de bundel is. Want als Kusters zijn rijmkorset nog eens aansnoert en ook nog gevat wil zijn, zoals in het gedicht In gesprek, ga je terstond uien snijden om je huisgenoten op een dwaalspoor te brengen.

Het begint zo: ‘Mijn moeder huilde aan de telefoon./ “Waar ben je toch, je bent steeds in gesprek.”/ Ik was haar uitkomst, want ik was haar zoon./ “Dat tuut-tuut-tuut van jou, dat maakt me gek.”’ Wat blijkt is dat de moeder steeds haar eigen nummer belt en dan de ingesprektoon hoort. Kan de beste gebeuren, natuurlijk.

Maar in de laatste twee-maal-drie-regels van dit sonnet gaat Kusters het rijmschema cde-edc aanwenden, en dat leidt tot dit:

Je had gelijk, ik was een schamele korst,

terwijl jij in je angst geen brood meer had,

zo leeg je kast, zo hongerig je hoofd.

‘Ik kom straks langs,’ heb ik je gauw beloofd.

‘Ik heb nog wel, ik breng je dadelijk wat.’

Ik was jouw zoon, ik gaf jou nooit de borst.

Mannen die de borst geven is typisch een geval van werkverschaffing. Het lijkt alsof er iets gebeurt, maar geproduceerd wordt er niets. Maar hier is het de omdraaiing die effect moet sorteren: de zoon gaf de moeder nooit de borst, maar omgekeerd wél! Het zou grappig zijn, ware het niet dat het serieus bedoeld is. Het gedicht zou een mooi sloopobject zijn voor tijdens een schrijfworkshop, omdat er best iets te maken valt van het beeld van de zoon als droge broodkorst die als rauwe bonen zoet smaakt op de hongerige, van liefde gespeende maag van een verlaten moeder. Maar dat schrijf je dan toch niet zo op, en zeker niet met gebruikmaking van dergelijk potsierlijk rijm, dat verleidt tot het inzetten van een ‘van je -orst, -orst, -orst’.

Kan het nog erger? Ja hoor, het kan nog erger. Lees het gedicht Endymion anders:

Rechts boven je schouder

glimlacht de maan

uit nachtelijke zoelte.

Hoe graag zou hij buigen,

je schouderlijn kussen

met niets dan een ochtendlijk koeltje

ertussen.

Het droevigste van dit gedicht is niet het clichématige ochtendbriesje, niet het perspectiefgeintje van een vrouw met achter haar de maan en dat die maan de vrouw dan zogenaamd aanraakt, niet de vaagheid van het ‘schouderlijn’ (sleutelbeen?), niet de ‘nachtelijke zoelte’, wat een soort janpeterbalkendende-erotiek is, nee: dat een dichter in 2007 nog steeds een maan meent te moeten laten glimlachen, dat is het aller-, allerergste.

Doe maar, Wiel Kusters. Teken er twee oogjes, een neusje en een glimlachend mondje op. En haal de maan maar naar beneden, als een rolgordijn van Ikea. Tot-ie met een bons de ‘schouderlijn’ van je geliefde kust.

Smmmmmmmak!