Lijdend aan een snel voortschrijdende verlamming noteert hij zijn ontdekking dat de hele kosmos een grote oester is. Ook hij zelf is bezig te veroesteren. In een visioen heeft hij de oeroester gezien en dat moet hij de wereld vertellen. De twee andere verhalen zijn aangeklede misverstanden. De beste schaker in de Jardin du Luxembourg wordt uitgedaagd door een geheimzinnige jongeman in wie de omstanders en de uitgedaagde onmiddellijk het onweerstaanbare genie herkennen, met als gevolg dat achter de onnozelste zet een meesterplan wordt vermoed. In het derde verhaal raakt een begaafde tekenares geheel van streek wanneer een lovende kritiek besluit met de opmerking dat zij geen diepgang heeft. Zij op zoek naar diepgang, de vergeefse tocht besluitend met een sprong van een televisietoren; waarna dezelfde criticus nietsvermoedend in zijn uitlui spreekt over het ‘genadeloze dictaat van de diepgang’.
Een aardig boekje, maar het haalt in de verste verte niet het niveau van Het parfum, de roman waarmee Suskind bekend werd. Er was een nieuwe titel nodig en daartoe harkte hij deze verhalen uit een periode van twintig jaar bijeen.
Heel wat moeilijker samen te vatten is de plot van de verhalen waarmee de in Wenen wonende, in het Duits schrijvende en in Warschau geboren Radek Knapp (1964) debuteert. Van een plot is geen sprake, de verhalen zijn vooral interessant om hun sfeer. In het eerste verhaal belandt een licht ontvlambare stationschef in een klein stadje vijftig kilometer van Warschau. Hij wordt er verliefd op een lerares, in die uithoek neergestreken op haar vlucht voor de duivel die haar tot zelfmoord wil dwingen. Onze held redt haar bij een van haar zelfmoordpogingen uit de plomp, maar als zij ten slotte toch het onderspit delft, heeft de duivel het, gedreven door jaloezie, op hem gemunt. Ook in het laatste verhaal gaat het om iemand, een tandarts dit keer, die van zichzelf af wil. Hij huurt daarvoor twee schurken in, zo blijkt achteraf, die er bij verschillende pogingen alleen maar ten dele in slagen hem uit de wereld te helpen.
Verschillende manieren om afscheid van het leven te nemen, zo zou je het thema van de verhalenbundel kunnen noemen. Het mooiste afscheid is dat van de figuur waarnaar de bundel is genoemd, Franio, die op z'n vijftigste nog in korte broek rondloopt, met een strohoed op, en na twintig jaar te hebben rondgezworven zijn broer en schoonzus komt opzoeken. Graag leest hij mensen uit de krant voor, niet gehinderd door het feit dat hij analfabeet is. ‘Als de mensen de waarheid niet kennen, verzinnen ze die wel.’ Dat geldt voor meer mensen in de bundel, maar in het bijzonder voor deze Franio: voor de reden waarom hij ooit ging zwerven, voor de reden waarom hij is teruggekeerd.
Het zal duidelijk zijn dat de verhalen van Knapp me beter bevallen dan de gelegenheidsbundel van Suskind. Ze zijn misschien wat ouderwets van stijl en stof, maar Knapp heeft gevoel voor details en hij durft op z'n tijd de hoofdlijn te laten rusten om wat zijpaden te bewandelen, zoals in het titelverhaal de ruzie tussen twee buurmannen van het jongetje dat de geschiedenis van Franio volgt. Van deze Radek Knapp horen we nog wel meer.