Van klein naar groot

Over grootse ervaringen in de theaters en concertzalen hoeft komend seizoen niemand zich zorgen te maken. De tekstschrijvers bij kunstinstellingen kauwen de piekmomenten ronkend voor.

Messiaens Des Canyons aux etoiles is volgens het Muziekgebouw ‘te beschouwen als een hommage aan de goddelijke schepping’. HetConcertgebouworkestkondigt de Alpensymfonie van Richard Strauss aan als ‘een duizelingwekkende tocht door de Alpen’ en de Vijfde symfonie van Sjostakowitsj – alweer? – als ‘de soundtrack bij een nachtmerrie’, die van een kunstenaar onder het juk van Stalin uiteraard. Bij De Nederlandse Operagaat Monteverdi’s Orfeo ‘over thema’s als liefde, verlies, rouw, hoop en overwinning van de dood’ en in Mozarts Zauberflöte willen ‘jonge mensen (…) de oude regels achter zich laten zodat een nieuw tijdperk kan beginnen’. Wat ik betwijfel, maar ik ben geen regisseur. Ten slotte Bergs Lulu: ‘Schuld of onschuld? Dat is de grote vraag.’ De grote. Klein is uit.

Met naïef aplomb drukken de woorden het verlangen naar alles omvattende ervaringen uit. Alles moet groot, erg, duizelingwekkend, beslissend en verpletterend zijn, met antwoorden op al je vragen. Je vindt de drang terug op sociale media waar bureauschrijvers, gewone mensen, tussen de ochtendkoffie en de boodschappen in minder dan 140 tekens de grote verbanden duiden. ‘Nederland haat zijn minderheden’. ‘Rentree islam is rentree van het antisemitisme’. Het beeld is bevestigd: het loopt uit de hand. Nu zijn wij aan zet, de regisseurs.

Maar dat zijn we niet. Ik deel het standpunt dat kunst veel moet willen. Toch is het kunstige misschien een maat te groot geworden. Er zou een nieuw ervaren moeten komen, terug naar het intieme en dan heel voorzichtig terug van klein naar groot, tot we weer Parsifal kunnen beleven als dat wonder. Daarom ga ik in het Amsterdamse Concertgebouw naar een nederig koffieconcert met anachronistisch degelijke kamermuziek door een ad-hoc-ensemble rond de Nederlandse meesterpianist Hannes Minnaar. Het is een Brahms-programma. Na de Vier ballades voor piano Op. 10 van Brahms speelt Minnaar met violiste Maria Milstein, altist Benjamin Marquise Gilmore en cellist Dmitri Ferschtman, vader van Liza, het Derde pianokwartet Op. 60 (1875). Goed aan dat meesterstuk is dat het groot en toch niets anders dan muziek is. Het heeft niks te maken met de Sovjet-Unie, een kwaaie keizer of Schopenhauer, het leven na de dood of de jeugd van de toekomst. Het duidt alleen zichzelf: een half uur roerend intellectuele concentratie op het schone. Na afloop zal ik, als het mooi was, uitsluitend kunnen zeggen dat het mooi was, en ik zal opgetogen zijn over mijn onbeholpenheid.


Derde pianokwartet, 16 november, Concertgebouw Amsterdam