Van konfrontaties naar oriëntaties

In 1972 hekelde Jacq Vogelaar de ‘Nieuwe Lulligheid’ in de Nederlandse literatuur. Hij maakte er geen vrienden mee. Tijd voor napraten en herlezen.

Nee, ik ga geen recensie van een artikel uit 1972 schrijven, ik zal wel gek zijn. Mijn stuk Restauratie van de Nederlandse Literatuur (zie pagina 63 en 64) verscheen 35 jaar geleden, is dus geschiedenis en, bijna onvermijdelijk, een curiositeit. Hoe het ook zij, geschreven is geschreven, zeker als het gedrukt staat. Wat zal ik er nu over zeggen? Geen tekst zonder kontekst, ook al schrijven we nu weer context; daarom eerst ’n paar summiere feiten. Ik was 27 en schreef sinds begin 1971 in De Groene Amsterdammer wekelijks recensies over Nederlandse literatuur, regelmatig afgewisseld met stukken over het literaire bedrijfsleven, van boekenbal, centralisatie van bibliotheken en renaissance van de arbeidersliteratuur tot het uitgeverswezen en overheidsbeleid.

Had ik, toen ik als criticus begon, een program? Nee, als ik er een had dan ontwikkelde zich dat gaandeweg. Waar ik mee begon was te prikken in het heilig ontzag voor opgeblazen grote namen (Mulisch, Hermans, Van het Reve). Daar was maar één remedie tegen: lezen, gewoon lezen wat ze publiceerden. Dat deed ik overigens ook met werk van bevriende auteurs (De Wispelaere, Schierbeek, Polet, Michiels). Erg goed kwamen ze er niet van af, de boeken die zij toevallig op dat moment schreven: een criticus werkt nu eenmaal aan de lopende band en heeft in de eerste plaats te maken met de boeken die hij op zijn bordje krijgt. Inspraak vond ik een vergissing van Schierbeek, gelukkig kon ik over zijn volgende boek, Weerwerk, enthousiast zijn. Als ik nu de bundel Konfrontaties. Kritieken en kommentaren (1974) doorblader, waarin hoofdzakelijk _Groene-_stukken uit die jaren zijn opgenomen – geschreven is geschreven – blijken er weinig schrijvers te zijn geweest over wie ik goed te spreken was: L.P. Boon, Vaandrager, Arion, Cortázar, Enzensberger. De laatste twee namen geven al aan dat ik graag elders zocht. Ik heb maar vijf jaar lang nieuwe Nederlandse literatuur besproken. Een rol speelde ook dat ik zelf publiceerde, sinds 1964.

Toen al was ik ervan overtuigd dat je niet over Nederlandse literatuur kon schrijven zonder op z’n minst af en toe een vergelijking met de buitenlandse te maken. Na 1975 heb ik in deze krant bijna uitsluitend over vertaalde literatuur geschreven.

Een strikt programma had ik in het begin niet, zei ik; dat neemt niet weg dat ik een paar keer uitgesproken programmatische stukken heb geschreven, zoals eind 1973, Pleidooi voor een tegendraadse literatuurkritiek, in antwoord op de toneelmedewerkster van De Groene, Jeanne van Schaik-Willing (zie pagina 39 t/m 41). Diep verontwaardigd over een negatief oordeel van mij over een roman van Kooiman, schoof zij mij van alles in de schoenen. Ik zou er zulke puriteinse, autoritaire eisen op nahouden dat ‘schrijvers alleen schijnen te deugen, wanneer zij de door henzelf beleden principes steunen…’ In mijn reactie keerde ik me nog maar weer eens tegen een politieke benadering van literatuur die boeken reduceerde tot meningen en standpunten. Toch raar, hoe gemakkelijk strengheid voor dogmatisme wordt aangezien. Dat moet iets met slecht geweten te maken hebben gehad.

Het zou niet de enige keer zijn dat ik met redacteuren en medewerkers van deze krant in de clinch lag. Wie kaatst kan de bal verwachten, zo erg was dat allemaal niet. Wat ik jammer vond – en vind – is dat er in de jaren zeventig nooit een serieuze discussie is geweest. Kennelijk hield men meer van het spel landjepik – vooral in kranten en bladen – dan van debatteren en argumenteren. Op mijn stelling dat er met name in de literatuur van een regelrechte restauratie sprake was, heeft niemand serieus gereageerd, of toch wel: door jarenlang door te gaan met die restauratie. In het begin nog gepikeerd door kritiek, vervolgens onverhuld vijandig en grof – weg ermee, uit de literatuur die types – daarna onverschillig. Negeren is altijd het effectiefst.

Wil ik nu van mijn oude stuk beweren dat het voorspellende waarde had? Een beetje, en dat ondanks mij. Ook als het niet allemaal onzin is wat er staat, zoals het er staat klopt het niet, inhoudelijk maar vooral qua dictie, en daar is verband tussen. Om bepaalde termen moet ik nu zelf lachen – ‘door de plaatsing van deze experimenten in het kader van de revolutionaire arbeidersbeweging’ of ‘ontpolitisering van de subcultuur’ – maar wat mij meer bevreemdt is de toon en de parmantige zelfverzekerdheid. Degene die het schreef leek in commissie te spreken, namens een groot gelijk. Je kunt erom lachen, een generatie later. Je kunt die zichzelf overstemmende grootspraak ook proberen te plaatsen – in een context, inderdaad.

De jaren zestig woedden nog flink in het begin van de jaren zeventig. Toen pas begon men op diverse gebieden echt werk van nieuwe ideeën te maken. Toen werd ook het verschil zichtbaar tussen enerzijds degenen voor wie het oproer allemaal een spelletje was geweest (provo, popmuziek, tv, spektakel) en anderzijds degenen die op hun eigen gebied – universiteit, onderwijs, vakbeweging, vormingswerk en kunst – iets concreet wilden veranderen. Demonstreren tegen Vietnam was gemakkelijker dan dichter bij huis problemen zien die structureel met de grote samenhingen – ik vereenvoudig het maar even. Je kon het hoogdravend over de taak van de Schrijver hebben, je kon ook aan de materiële voorwaarden van het schrijven werken. Jammer genoeg is de geschiedenis van die jaren niet geschreven, of alleen oppervlakkig, met alleen oog voor het zichtbare, en dat waren vooral de beelden.

Voor een meer sociologische benadering van kunst en literatuur bestond in Nederland geen traditie – de maatstaf was nog steeds het Forum van Ter Braak en Du Perron. Zeker in de literatuur – in de kritiek, maar meer nog bij schrijvers – bestond er een regelrechte aversie tegen theorie, van welk soort dan ook; noem het rustig anti-intellectualisme. De agressie waarop ik stuitte werd, denk ik achteraf, opgewekt door het samenstel van dingen waaraan men een broertje dood had: het experiment (in de jaren zestig had niemand het over ‘moeilijke boeken’, in de jaren zeventig was dat strijk en zet); theorie, zowel die over literatuur als die over geschiedenis en maatschappij (zeker de ingewikkelde als die van de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule, waar ik de mosterd vandaan had); én politiek. Die driecomponenten-aversie werd genuanceerd uitgedrukt als: niet zo moeilijk doen… Om misverstanden te vermijden: het was niet direct een tegenstelling tussen links en rechts, veel meer een confrontatie tussen traditioneel en modern – toen hadden die begrippen nog een zekere lading.

Zoals uit mijn stuk uit 1972 spreekt, dacht ik indertijd nog in termen van een sociale beweging, een bredere dan alleen een politieke. Wat ik in de Nederlandse literatuur zag was inhoudelijk een terugkeer naar de huiskamer, de binnenwereld, het kleine persoonlijke wereldje, de ironische verkleining; en de daarbij passende conventionele vormen van het impressionistische verhaal, praatgedicht en romans, bij voorkeur over kinderjaren; het hobbyisme van het ‘jeugdsentiment’. Ik vatte het maar samen als Hollands realisme, de traditie Nescio, Carmiggelt, Campert. Tegenover het ‘aub, niet moeilijk doen’ stond ‘doe maar gewoon’. Voor iemand die zoals ik tot over zijn oren in de theorie zat, was het een lachertje dat het cursiefje (de opmars van de column is toen begonnen) ongeveer de enige plaats leek waar men vrijelijk z’n zegje over van alles en nog wat kon doen, vrijblijvend, ironisch gedistantieerd, pedant. Tamar werd als een groot filosoof beschouwd.

De schrijvers die ik toen in mijn stuk onder de noemer ‘Hollands realisme’ op één hoop gooide, van wie de meeste begin jaren zeventig debuteerden, hadden zich in de jaren zestig allemaal gedeisd gehouden. Over opstandigheid deden ze wat meewarig, ironisch vooral. En voor het eerst stapten schrijvers de literatuur in met het idee van een carrière – dat was nieuw. Ettelijke van de namen die ik noemde waren ook in de Vereniging van Letterkundigen actief, dat wil zeggen met stoken tegen de progressieven, zoals zij zeiden, die van een standsvereniging een vakvereniging probeerden te maken. Ontwaak, dames en heren, was de oproep van Heeresma c.s.: maak van de vvl weer een vereniging van echt creatieve literatoren. Het waren de hoogtijdagen van Propria Cures. Ook dat hoort bij de context.

Ik was in zoverre naïef dat ik niet begreep hoe een aantal vanzelfsprekende ideeën over literatuur voor dogmatische voorschrijverij en verbodsartikelen konden worden aangezien – ook in deze krant dus. Ook had ik niet door dat wat ik voor een objectiverende literatuurbenadering aanzag vooral als oratio pro domo werd gezien, ter verdediging en propaganda van het soort literatuur dat ik zelf schreef en voorstond. Inderdaad heb ik, ook in 1972, in het laatste nummer van Raster oude stijl een stuk geschreven onder de titel Pro domo. Maar daarin zette ik me vooral af tegen de overspannen, om niet te zeggen idiote eisen die aan literatuur werden gesteld: ‘Waar is de Multatuli van 1972?’ Ook was ik weinig geporteerd voor het weer nieuw leven inblazen van ‘arbeidersliteratuur’ en had ik weinig op met literatuursociologie in de geest van Lukács en Goldman; en ik was geen supporter van het vormingstoneel: een politiek onderwerp maakte een toneelstuk of boek nog niet politiek.

Het stuk waarbij ik hier een laat nawoord schrijf, hoorde dus thuis in een wirwar van schermutselingen en een tumult waarin vooroordelen, oordelen en veroordelingen over en weer nauwelijks uit elkaar te houden waren. Wat ik nu een vergissing zou noemen, is de overhaaste manier waarmee ik van verspreide verschijnselen meteen een algemene tendens meende te moeten maken, waarvoor ik meer op overeenkomsten dan op verschillen lette – en kritiek begint toch juist met het zien van verschillen, het maken van onderscheid.

In feite had ik het vooral over de literatuur en daar zou het, zoals gezegd, minstens tien jaar lang een dooie boel blijven. Maar in de muziek, waar naar de krantenkritiek te oordelen de jazz en de elektronische muziek net zo vergeten leken als de Vijftigers in de poëzie, begon juist rond 1972 een stevige beweging; ik hoef alleen maar de Volharding te noemen. Het was misschien waar dat men op allerlei gebieden het experiment zo snel mogelijk wilde vergeten, het experiment dat vooral eind jaren vijftig begon en de eerste vijf jaar van de jaren zestig, dus vóór het grote straattheater dat Jaren Zestig heet. Maar het was niet weg en als het weer opkwam, hoefde het niet per se experimenteel te heten. Dat kon ik in 1972 niet allemaal weten. Als ik veel, te veel over één kam schoor, was dat door de neiging om maatschappelijke ontwikkelingen onmiddellijk in de kunst weerspiegeld te zien. Zo simpel was het niet, al zag het ernaar uit dat vooral de literatuur dienst deed als plaats waar men van maatschappelijke beroeringen ontlast was – in de literatuur was men vrij. Dat leek mij te idealistisch, te romantisch, in elk geval te rooskleurig.

En nu begrijp ik waarom ik zo hoog van de toren blies, waar die zelfverzekerde toon vandaan kwam. Ik geloofde dat er wereldwijd een beweging op gang was gekomen, een experimentele beweging waarvan de literaire en artistieke avant-gardes – oude en nieuwere – een soort voorspel waren geweest. Die beweging zou een aantal dingen onherroepelijk veranderen, ook in de kunst, en vanuit die zekerheid schreef ik zo’n stuk als De Restauratie van de Nederlandse Literatuur, alsof de afkeer van het sociale, de inkeer in een kleine binnenwereld en de terugkeer naar oude vormen en gedachten, een achterhoedegevecht was. Dat moest iedereen die ogen had toch zien! Ik sprak namens een voorhoede, jawel; dat was de andere ruggesteun: het vertrouwen op een traditie van de modernen. In 1974 bundelde ik verspreide ‘kritieken en kommentaren’ onder de titel Konfrontaties; tien jaar later heette de opvolger ervan: Oriëntaties (1983). Dat was er veranderd. De grond onder het vertrouwen op de Beweging en de Traditie van de modernen was aan het wegzakken, en ik zong – zoals het verschil tussen de twee titels al aangeeft – een toontje lager. •

Jacq Vogelaar is schrijver en sinds 1971 literatuurcriticus van De Groene Amsterdammer_. In december 2006 ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre_