De nieuwe armoede

Van koophuis naar Mongoolse tent

Het aantal mensen met problematische schulden groeit gestaag, ook in de hoogopgeleide middenklasse, die armoede lang beschouwde als iets wat alleen anderen overkomt. ‘Langzamerhand komt er meer openheid en raken mensen de ergste schaamte voorbij.’

Medium 2 op maat

Armoede, in Nederland, in een van de welvarendste landen van het westelijk halfrond? Bestaat dat echt? Je kunt het bijna niet geloven, en vooral: je kunt je er geen concreet beeld van vormen. De enige aanwijsbare ‘arme sloebers’ die je ooit ziet – ruim voorzien van warme mutsen en sjaals, met dank aan het Leger des Heils – staan bij de ingang van Albert Heijn met het daklozenkrantje, en wensen je beleefd een prettige dag. Dat zijn geen evidente crepeergevallen, voorzover je dat als toevallige passant kunt beoordelen. En als je eenmaal binnen bent kun je aan de volgeladen karretjes bij de kassa ook niet bepaald afzien dat het crisis is en dat menigeen inmiddels moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen.

Wat moet je je er eigenlijk bij voorstellen, als er in de krant of op tv over de ‘nieuwe armoede’ wordt gesproken, die vooral slachtoffers maakt in de tot voor kort onaantastbaar gewaande, hoogopgeleide middenklasse? Bijvoorbeeld onder universitair geschoolde jongeren die geen baan kunnen vinden, bij ouderen die hun huis niet kunnen verkopen om hun pensioen aan te vullen, of bij de groeiende schare noodlijdende zzp’ers, die al dan niet noodgedwongen ooit voor zichzelf zijn begonnen, daartoe aangemoedigd door de overheid, die alle heil verwachtte van de vrije markt en het particuliere initiatief.

In de huiskamer van Sascha Meijer (47) stond in de week voor Kerst een meer dan manshoge spar, die haar vader zelf had uitgestoken bij een kweker, want dan kost zo’n indrukwekkende boom maar een paar euro. En dat is een besparing die ertoe doet als je – zoals Sascha – werkloos bent, van een bijstandsuitkering leeft en voor de wekelijkse boodschappen, min of meer toereikend voor een alleenstaande moeder met drie kinderen, naar de voedselbank moet.

Geldgebrek maakt vindingrijk, zoals ze beschrijft in haar boek De nieuwe arme: Blijven lachen in tijden van nood. Maar het maakt tevens schatplichtig, angstig en afhankelijk, wat ze óók beschrijft, vol weerzin over het feit dat ze tegenwoordig overal ‘dankbaar’ voor schijnt te moeten zijn. Ook voor spullen die ze niet nodig heeft en die ze niet wil gebruiken, zoals sommige levensmiddelen in de kratten van de voedselbank, die volgens het etiket propvol zitten met E-nummers. Haar kinderen lusten namelijk geen E-nummers.

Bij wijze van opmaat voor ons gesprek vertel ik meteen dat ik er in financieel opzicht al bijna net zo beroerd voor sta als zij, als oudere freelancer in de voortdurend krimpende markt van de geschreven journalistiek, zodat ik inmiddels uit eigen ervaring weet hoe beschamend het is om – terwijl het klamme zweet je uitbreekt – bij de kassa van de supermarkt te moeten constateren dat al je pinpasjes geweigerd worden wegens gebrek aan saldo, waarna je je hele karretje weer moet uitladen, voor het front van een smalende caissière en een lange rij ongeduldige klanten achter je.

‘O, aan dat soort gêne ben ik al lang voorbij’, verklaart ze luchtig. ‘Je leert je grenzen verleggen, in elk opzicht. In mijn boek geef ik bijvoorbeeld een paar tips voor manieren om gratis en voor niks te voorzien in enige luxe. Zo heb ik tegenwoordig altijd een schaartje in mijn tas, om in het voorbijgaan wat bloemen te knippen uit het plantsoen of uit de tuinen van mensen in de buurt. Geen haan die daarnaar kraait, en als er iemand thuis is vraag ik altijd netjes of het mag. Ik vraag ook wel eens of ik wat tijm of rozemarijn mag plukken, als ik zie dat ze daar een hele bos van in de voortuin hebben staan, en dat vinden ze altijd goed. De schooltuintjes van de kinderen hier in de buurt vormen ook een rijke vindplaats, als je wat uien of peterselie nodig hebt. Daar ga ik wel eens op roof uit. En nog niet zo lang geleden kwam ik ineens op het lumineuze idee om zo nu en dan een paar emmers water te tappen uit de buitenkraan van mijn buurvrouw, die overdag toch naar haar werk is en daar dus nooit iets van zal merken. Dat vertelde ik aan een vriendin, die zich nogal geshockeerd betoonde. Bij haar zou zoiets niet opkomen, zei ze. Maar bij mij dus wel. Ik heb het niet echt gedáán, maar dat ik het überhaupt kon bedenken is veelzeggend genoeg. Geldgebrek verandert je kijk op de basisdingen in het leven.’

Ik vertel dat ik me de onderscheiden momenten nog kan herinneren waarop het plotseling tot me doordrong dat ik ‘arm’ begon te worden. Of beter: dat ik dat in feite al wás, terwijl ik het eigenlijk nog niet echt kon geloven. Dat ging schoksgewijs.

Toen ik een jaar geleden op een prachtige lentedag naar huis reed bijvoorbeeld, met een fleurige lading nieuwe balkonplantjes uit het tuincentrum op de achterbank van mijn auto, terwijl ik alle raampjes had opengedraaid en met mijn elleboog naar buiten leunde. ‘Zij gelooft in mij’, zong André Hazes op de autoradio, en ik zong mee en voelde me gelukkig, totdat ik opeens werd overvallen door het besef dat zulke alledaagse genoegens me binnenkort wel eens afgepakt zouden kunnen worden. Want als ik niet snel een list verzon, moest ik dat autootje waarschijnlijk verkopen, en die potten met bloeiende hortensia’s van vijftien euro per stuk kon ik me toen ook al amper veroorloven. Maar het echte realiteitsbesef kwam toch pas een paar maanden later, toen ik voor de tweede keer op rij de huur niet kon betalen en geld moest gaan lenen van een vriendin.

‘Ik besefte meteen dat het goed mis was toen mijn ex, die inmiddels ook werkloos is en van een uitkering leeft, me liet weten dat hij de alimentatie voor de kinderen niet meer kon betalen’, zegt Sascha Meijer. ‘Ik heb Nederlands gestudeerd, maar ook vormgeving aan de kunstacademie, en heb in feite altijd mijn brood verdiend als modestyliste bij publieksbladen. Eerst als freelancer, wat aanvankelijk prima ging, tot ik een baan aannam als lifestyle-redactrice bij een groot tijdschrift, waar ik na twee jaar – zonder opgaaf van redenen – pardoes ontslagen werd. Tot overmaat van ramp brak ik toen ook nog mijn enkel, en du moment dat ik die gedwongen rustperiode ging gebruiken om sollicitatiebrieven te schrijven bleken er voor iemand van mijn leeftijd helemaal geen banen meer te zijn. Te oud, te duur. Ik kreeg meestal niet eens antwoord, of zo’n obligaat voorgeprogrammeerd briefje in de trant van: tot onze grote spijt… enzovoort.

Ik was er na mijn ontslag financieel al heel erg op achteruit gegaan, want ik belandde binnen een jaar in de WW, en toen de alimentatie van mijn ex ook nog wegviel – 625 euro in de maand – bleef er zowat niks over.

Jij hebt het over de momenten dat je je opeens wild schrok, omdat je begreep dat het menens werd met dat geldgebrek. Instant paniek. Bij mij sloeg de emotionele ontreddering toe toen mijn kat hier voor de deur werd doodgereden – dat was al de derde verongelukte poes in twee jaar tijd! Op dat moment ging het licht uit. Mijn accu was finaal leeg: ik heb nog nooit in mijn leven zo hard gehuild. Want ja, als je toch al labiel bent en veel te verstouwen hebt gekregen, is elke klap en elke nieuwe afwijzing er soms opeens eentje te veel. Mijn huisarts constateerde in die periode dat mijn schildklier niet goed werkte, en raadde me aan om eerst maar eens even rustig “tot mezelf te komen”. Maar hoe doe je dat, als elke zekerheid je ontvallen is? Toen ben ik maar op de bank gaan liggen om een hele stapel zelfhulpboeken door te werken, alsof ik mijn eigen psychotherapeut was, want ik was onderhand veel te ver van mezelf af geraakt. Dat hielp nog ook, althans een beetje, want in de stilte kun je jezelf weer ontmoeten. En bovendien heb ik fantastische ouders die financieel bijspringen en van meet af aan hebben gezegd: jij blijft in dat huis, wat er ook gebeurt! Zonder hun steun kon ik niet in dit koophuis blijven wonen. Al begin ik zo langzamerhand wel te wennen aan het idee dat je ook nog op andere manieren kunt leven dan de manier waarop je het gewend was. Een van mijn vriendinnen heeft bijvoorbeeld een weilandje bij haar huis waar je in geval van nood een caravan zou kunnen neerzetten om in te wonen. Dat lijkt me eigenlijk best gezellig.’

Dit jaar kunnen we het vijfjarig jubileum van de economische crisis tegemoet zien, en het einde is volgens de meest recente prognoses nog lang niet in zicht. Het aantal mensen met problematische schulden is groot en groeit gestaag. Een op de tien gezinnen (naar schatting ongeveer 693.000 personen) kampt ermee, en 248.000 mensen zitten ertegenaan en stoppen het ene gat met het andere. Schulden worden een steeds algemener verschijnsel: 76.000 burgers hebben een achterstand op de hypotheekbetaling, en deurwaarders leggen jaarlijks zo’n vierhonderdduizend keer beslag op loon of toelages.

Waarbij nog aangetekend moet worden dat deze zogenaamde ‘risicodebiteuren’ waarschijnlijk te maken krijgen met een volslagen chaos op financieel gebied, omdat de ene schuldeiser niet weet wat de andere doet. Dat betekent dat er van alle kanten tegelijk aan zo’n in het ongerede geraakt gezin wordt getrokken, waarbij de overheid voorop loopt, want overheidsinstanties – zoals de belastingdienst en het waterschap – mogen naar eigen goeddunken geld van iemands rekening afschrijven zonder dat de rekeninghouder daarmee heeft ingestemd.

De gedupeerden raken het financiële overzicht dan al gauw kwijt. In theorie zou hun inkomen niet verder mogen dalen dan de zogenaamde ‘beslagvrije voet’ – negentig procent van het wettelijk minimum inkomen – maar in de praktijk komt daar weinig of niets van terecht. Dat constateert Alex Brenninkmeijer, de nationale ombudsman, die in januari van dit jaar scherpe kritiek liet horen op de voorrangspositie bij het innen van schulden die de overheid zich inmiddels heeft toegeëigend, in zijn rapport In het krijt bij de overheid. En hij is de enige niet die alarm slaat, want in 2012 verscheen bij de Hogeschool Utrecht al Paritas Passé, het resultaat van een onderzoek dat in opdracht van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders werd ingesteld, waarin eveneens werd gewezen op de benarde positie waarin mensen met langlopende schulden terecht kunnen komen door het eigenmachtige en vaak slecht gecoördineerde optreden van de overheid.

Voorheen konden mensen namelijk nog een beetje schuiven met hun geld, en hun eigen prioriteiten bepalen, in volgorde van urgentie. Altijd de huur betalen uiteraard, en gas en licht, want je kunt nu eenmaal niet zonder, en daarna – zodra het er weer eventjes af kan – zorgvuldig kiezen welk deel van de resterende schulden aan de beurt is. Maar met zo’n voorzichtige, gefaseerde aanpak kom je tegenwoordig niet ver meer, aangezien de overheid de vrijheid heeft genomen om daar dwars doorheen te banjeren.

Er is dan ook weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat de statistische cijfers die ik net noemde nog een geflatteerd beeld geven van de werkelijkheid, want die hebben betrekking op de financiële probleemgevallen die al ergens geregistreerd staan, bijvoorbeeld bij een voedselbank of bij een instantie die zich bezighoudt met schuldhulpverlening. Maar voor een ongeteld aantal anderen geldt dat ze zich nog nét staande kunnen houden, vaak met hulp van familie en/of vrienden die het beter hebben getroffen, en die het moment dat ze de gevreesde gang naar de instanties moeten maken liever nog eventjes voor zich uitschuiven.

Hetzij uit schaamte, hetzij omdat ze de weg erheen niet kunnen vinden. Uit onwennigheid, wegens gebrek aan ervaring met de loketten van de sociale dienst. Of soms gewoon uit overmoed, en uit gewoonte, omdat ze denken: ach, hoe erg kan het nou helemaal worden? We zijn tot op heden nog steeds in staat gebleken om onszelf te redden, op eigen kracht, dus dat moet nu toch ook wel weer kunnen lukken. We verzinnen er heus nog wel wat op.

Zo heb ik er zelf ook nog heel lang over gedacht, als ik er überhaupt al over na durfde te denken, want geldgebrek is een sluipmoordenaar. Niemand zit van de ene dag op de andere totaal aan de grond: dat gaat met horten en stoten. Ik had bijvoorbeeld al vele jaren een tamelijk ‘safe’ contract voor twintig uur per week bij een dagblad, totdat mijn wekelijkse column opeens werd wegbezuinigd. Die klap deed weinig voor mijn professionele zelfvertrouwen, maar werd in materieel opzicht verzacht door het feit dat de krant in kwestie altijd WW-premies had ingehouden, zodat ik het nog een jaartje of twee kon uitzingen tot ik de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt en aow kreeg. Wat bij lange na niet genoeg is als je een appartement huurt in de vrije sector, maar geen nood, want ik had gelukkig nóg een belangrijke opdrachtgever. Totdat ook die bron van inkomsten opdroogde, als gevolg van een bezuinigingsronde.

De eerste vlagen van paniek dienden zich aan, maar met lange tussenpozen, want ik beschikte toch nog steeds over enige naamsbekendheid en een veelzijdig sociaal netwerk? Nou dan. Weliswaar werd ik een dagje ouder, om niet te zeggen gewoon oud, maar wat kon nu minder leeftijdsgevoelig zijn dan de vaardigheid om leesbaar te schrijven? Maar zo werkt het helaas niet in de journalistiek, en in de meeste andere creatieve bedrijfstakken ook niet, want daar staat ‘jong’ gelijk aan interessant en veelbelovend, en word je na je veertigste al met groeiende argwaan bekeken.

Daar kwam ik achter en wat toen volgde leek nog het meest op een rouwproces, compleet met alle stadia van dien: ongeloof, ontkenning en ettelijke pogingen om te marchanderen en het op een akkoordje te gooien met het lot. Gevolgd door vlagen van boze opstandigheid, depressie en schaamte en – gek genoeg misschien – ook door een hardnekkig schuldgevoel. Ja hoor, het is crisis, blablabla en nog zowat, maar niet iedereen wordt daardoor in gelijke mate getroffen. Ik ken genoeg mensen die nog steeds vier keer per jaar op vakantie gaan en zonder met hun ogen te knipperen een paar honderd euro uitgeven aan een nieuwe jurk of een paar designerlaarzen, dus het kan gewoon niet anders of ik moet een paar hopeloos verkeerde carrière-afslagen hebben genomen.

Maar waar zat dan toch de fout? Op welk moment had ik wakker moeten worden?

Joop Lahaise (56), sinds 2007 directeur en hoofdredacteur van het gedeeltelijk door de Dienst Werk en Inkomen gesponsorde maandblad MUG, dat dit jaar 25 jaar bestaat – een orgaan dat een stem wil geven aan al diegenen die wat minder vlot mee kunnen komen in de samenleving – merkt dagelijks dat hij nu een ander soort lezers aantrekt dan een paar jaar geleden. ‘Ons lezersbestand is veel breder geworden, we krijgen inmiddels feedback van mensen uit de middenklasse, die tot voor kort niet eens wisten wat afkortingen als dwi, WW en awb betékenden. Dat heeft soms iets kafkaësks, naar hun gevoel, alsof ze opeens in hun eigen meest angstaanjagende nachtmerrie verzeild zijn geraakt.

Dat soort mensen beschouwde armoede altijd als iets wat alleen anderen trof – luie bijstandstrekkers, werkschuw tuig, migranten, alcoholisten, junks, of anderszins zwak-sociale randfiguren – maar moeten nu ineens ervaren dat het henzelf ook kan overkomen, dat het de eigen groep raakt. Hetzelfde geldt uiteraard voor mij. Als ik volgend jaar op straat kom te staan, bijvoorbeeld omdat we MUG financieel niet langer rond kunnen krijgen, kan ik nog zo’n indrukwekkende vrachtlading aan journalistieke ervaring en diploma’s tot mijn beschikking hebben, maar dat levert mij, als 56-jarige, echt geen nieuwe baan op. Dan val je dus al gauw terug naar bijstandsniveau, en intussen tikt de hypotheek door.

Het klinkt een beetje wrang, maar het voordeel van die ontwikkeling is wel dat er meer begrip komt voor de situatie waarin mensen het niet meer redden. Als er in je eigen omgeving klappen beginnen te vallen is het moeilijk vol te houden dat al die pechvogels het aan zichzelf te wijten hebben. En voor degenen die nu door de vloer zakken is het een troost als ze ons blad lezen en merken dat ze bepaald niet de enigen zijn. Langzamerhand komt er wat meer openheid en raken mensen de ergste schaamte gelukkig een beetje voorbij.’

In mijn eigen kennissenkring – overwegend schrijvers, freelance journalisten en andere sappelende zzp’ers met een machtig interessant beroep, glamourous zelfs, maar helaas ook behept met een uiterst wisselvallige opdrachtenportefeuille – bestaat in ieder geval geen gebrek aan geschikte ‘probleemgevallen’ die de huidige crisis kunnen illustreren.

Neem Peter C. (35), een getalenteerde projectbeheerder bij een internetbedrijf, tweeverdiener en vader van twee dochtertjes, een gelukkig mens, die een paar maanden voor het uitbreken van de crisis besloot om een nieuw en groter huis te kopen – in verband met de komst van het tweede kind – terwijl hij zijn oude huis in IJburg nog steeds niet had verkocht. Wat vier jaar later nog steeds het geval was, omdat de huizenmarkt reddeloos instortte en de makelaar niet eens gegadigden kon vinden die naar het huis wilden komen kíjken. Dat betekende dus dubbele woonlasten, en het totaalbedrag van de hypotheekschuld bij de bank bedroeg inmiddels maar liefst zeven ton. Hij liet de prijs van het oude huis flink zakken – van 350.000 naar 250.000 – maar dat maakte geen enkel verschil. Er hingen nog tien bordjes ‘Te Koop’ op de huizen in zijn voormalige straat, en ook daar bestond geen enkele animo voor.

‘Het was uitzichtloos’, vertelt hij, ‘we kregen het er stikbenauwd van. Mijn vrouw en ik hadden dat financieel nooit vol kunnen houden als mijn schoonvader toen de hypotheek niet had overgenomen, want er viel gewoon niet tegenop te verdienen. Daarna zaten we overigens nog steeds heel krap, want we moesten wél de gemeentebelasting en de servicekosten betalen, maar godzijdank draaiden we niet op voor de volle mep.

Sinds een maand is het huis nu verhuurd, voor een bedrag dat de hypotheekrente bijna dekt, en wij zijn er al met al nog goed vanaf gekomen, met een restschuld van 52.000 euro die we aan mijn schoonvader terug moeten betalen. Ik voelde me wel enigszins genaaid, want we moesten indertijd van de overheid toch allemaal zo nodig een eigen huis kopen, als investering? Maar du moment dat we daarmee het schip in gingen moest de familie ons komen redden.’

Het merendeel van zijn vrienden – allemaal afgestudeerd – heeft het beter aangepakt, vindt hij, want die zijn veiligheidshalve in huurhuizen blijven wonen.

Stephan L. (37), vader van twee kinderen en een van de vrienden uit Peters studietijd, heeft inderdaad zo’n relatief betaalbare huuretage aangehouden (waar zijn gezin onderhand uit barst, dat dan weer wel), maar is op een andere manier financieel in het slop geraakt. Na zijn afstuderen in de communicatiewetenschappen koos hij ervoor om ‘iets met zijn handen’ te gaan doen: hij werd meubelontwerper en vervaardigt exclusieve kasten en tafels in zijn eigen werkplaats. Een riskante stap. ‘Ik vond het spannend om dingen te maken waar ik wat van mezelf in kon leggen, iets oorspronkelijks, dat was de uitdaging. En daar was ik aanvankelijk best succesvol in ook. Mijn vader is kunstenaar en die ging ’s avonds gewoon de straat op en de cafés langs om zijn werk te verkopen. Wat verkopen inhoudt heb ik dus wel geleerd, want als jongetje ging ik vaak met hem mee op zo’n kroegentocht.

Ik heb overigens nog steeds geen spijt van de keus die ik toen gemaakt heb, want ik vind het geweldig dat ik me in dit vak kan blijven ontwikkelen. Je wórdt namelijk wat je doet, maar dan moet je ook durven en zelf iets ondernemen. En dat het knokken zou worden wist ik uiteraard van tevoren, maar dat ik zó’n hard gevecht zou moeten leveren had ik toch niet voorzien. Soms werk ik me echt kapot voor een langlopend project dat uiteindelijk toch niet doorgaat – dat moet ik allemaal voorfinancieren! – en als de telefoon dan ook nog maandenlang zwijgt slaat de schrik me wel eens om het hart. Mijn afnemers – de betere interieurwinkels, meubelfabrikanten – hangen bijna allemaal tegen een faillissement aan, of moeten in ieder geval inkrimpen: die bedenken zich dus wel twee keer voordat ze zo’n duur, handgemaakt stuk van mij aankopen en in de etalage zetten. Dat snap ik wel. Als de economie niet gauw aantrekt, weet ik echt niet hoe lang ik dit nog ga redden, al kan ik me ook niet voorstellen dat al mijn harde werk van de afgelopen veertien jaar voor niets zou zijn geweest.’

Sascha Meijer windt zich soms behoorlijk op over het feit dat mensen zoals zij erop aangekeken worden dat ze werkloos thuis zitten en hun levensmiddelen elke week gratis bij de voedselbank halen, want, zoals zij het verwoordt: ‘Mijn ex en ik hebben altijd alles goed gedaan. Precies volgens het boekje! Een praktische studie gekozen na de middelbare school, vervolgens braaf afgestudeerd, een goede baan gezocht en die ook gevonden, getrouwd, drie kinderen gekregen, en een huis in een mooie, groene buitenwijk van Utrecht gekocht. Al die dingen die in een middenklassemilieu ook van ijverige, oppassende kinderen worden verwacht, en dan ineens ben je niks meer waard en word je beschouwd als een sociale parasiet. Een nutteloze kostenpost voor de gemeenschap. Daar kan ik me zo hels kwaad over maken! Alsof het mijn eigen stomme schuld is dat ik hier zit te niksen en dat ik mijn kinderen onderhand een paar pakken melk mee moet geven als ze hun vader gaan opzoeken, zodat die ook weer even voort kan. Ik bedoel: wat hadden we dan wél moeten doen? Of anders? Er is geen mens die je dat kan vertellen.’

Nadja Jungmann, lector schulden en incasso aan de Hogeschool Utrecht en co-auteur van het al genoemde Paritas Passé, plus het overzichtelijke boekje Schuldenproblematiek, een vraagstuk in transitie, benadrukt dat de huidige situatie er een is van grijstinten: ‘Door de crisis raken er mensen in de problemen die altijd verstandige keuzen maakten. Maar er wordt ook een andere groep zichtbaar. Namelijk degenen die tot voor kort leefden zonder voorbehoud. Die alles wat ze verdienden direct uitgaven en bij een eerste tegenslag daardoor al in financiële problemen komen. Veertig procent van de Nederlanders heeft geen financiële buffer opgebouwd om een tegenvaller te kunnen opvangen. Dat wreekt zich nu, en niet alleen bij de sociale minima maar met name bij een veel grotere groep van mensen die in principe de keuzevrijheid hebben – of die althans hebben gehád in de loop van hun werkende leven – om zich op een tegenslag voor te bereiden. Is dat gewoon pech of kortzichtigheid en nonchalance? Dat is een legitieme vraag.

In de schuldhulpverlening constateren we dat er een grote diversiteit is van aanvragers. Je moet concessies doen op je bestedingspatroon. Helaas is lang niet iedereen die om hulp vraagt bereid om dat te doen. Een auto de deur uit of niet op vakantie is een consequentie die niet iedereen wil nemen. Tegen deze achtergrond besteedt de schuldhulpverlening tegenwoordig nadrukkelijk aandacht aan gedrag. Voorwaarde om voor hulp in aanmerking te komen is dat je bereid bent je tot het maximale in te spannen gedurende een periode van drie jaar. Daar staat tegenover dat schuldeisers je dan een kwijtschelding moeten geven die wel kan oplopen tot tachtig of negentig procent van de aanvankelijke schuld.’

Die benadering is begrijpelijk, als je je verplaatst in de dilemma’s waarmee de schuldhulpverlening te maken heeft. Maar toch hebben die woorden ook iets onwezenlijks, alsof ze zijn neergedwarreld uit een andere wereld, een onbestaanbaar universum van economische abstracties en onaantastbare maar ook enigszins onbarmhartige logica. Want wat er in doorklinkt is niet alleen nuchterheid en gezond verstand, maar ook iets van de zelfgenoegzaamheid waarmee brave burgers, veelal welgestelde dames, op het eind van de negentiende eeuw en ook nog aan het begin van de twintigste, bij het verpauperde industrieproletariaat op huisbezoek gingen, gewapend met een pannetje soep en allerhande adviezen die erop berekend waren om de ‘armen’ van toen enig verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen. Goed protestants-christelijke deugden als reinheid en regelmaat, alcoholabstinentie, en het nut van spaarzaamheid en uitgestelde behoeftenbevrediging. Een ‘beschavingsoffensief’ wordt dat genoemd door sociologen.

Maar of die ietwat neerbuigende aanpak nog steeds spoort met de beleving van een totaal ander soort clientèle, de aanzienlijk mondiger en vele malen beter opgeleide ‘armen’ van nu, is nog maar helemaal de vraag.

Dat onbehaaglijke gevoel van discrepantie, van de kloof tussen de manier waarop de hulpverleners hun taak nog steeds opvatten, educatief, als vanouds, en wat de doelgroep van nu meent te mogen verwachten, dringt zich nogal dwingend aan me op als ik bij Linda van D. (46) over de vloer kom. Want haar werkelijkheid bestaat uit een Mongoolse ger op een modderige camping, en de vloer wordt gevormd door een zwart plastic grondzeil. Er zijn wel mollige berbers en oosterse tapijten uit de kringloopwinkel overheen gelegd, want Linda is druk bezig om van haar exotische tent een echt ‘huis’ te maken.

Het doek van een traditionele ger hangt over een cirkelvormige constructie van latten en palen en heeft een gat in de nok van het dak, afgesloten door een wiel, waardoor de rook van een houtkachel naar buiten kan. Linda heeft een vierpits kookplaatje – gevoed door butagas – en er is ook nog plek genoeg voor een grote eettafel en een tweepersoonsbed. Beslist niet ongezellig, vooral als je in aanmerking neemt dat ze hier nog maar sinds januari zit en dat de meeste spullen nog niet eens uitgepakt zijn.

Linda vertelt dat ze min of meer op straat kwam te staan toen haar vriend – niet de biologische vader van haar kinderen, wel de wettelijke vader van de jongste – te kennen gaf dat hij hun relatie wilde beëindigen. Een baan had ze niet op dat moment. Na twintig jaar werkzaam geweest te zijn in de human resources was ze een opleiding gaan volgen op het gebied van levensloopcoaching om op termijn voor zichzelf te kunnen beginnen, maar daar verdiende ze nog niets mee. Na negen maanden vergeefs zoeken en instanties aflopen kwam ze tot de conclusie dat een betaalbaar huis in de vrije sector er voorlopig ook niet in zat. ‘Dat was het begin van een heel nare tijd’, zegt ze. ‘Mijn vriend was mede-eigenaar van een florerend technisch tekenbedrijf, maar uitgerekend op het moment dat onze relatie stukging, in 2009, droogden zijn opdrachten op en ik moest mijn studie afbreken, want er speelde al zoveel in mijn leven dat ik dat er toen echt niet bij kon hebben. Mijn hele leven stond op z’n kop en ik had geen flauw idee waar ik heen moest.

Mijn vriend en ik hadden een huis in Amsterdam, ooit samen gekocht, daarin hebben we na de breuk nog een poosje om beurten gewoond. De kinderen zaten inmiddels elders op school, en daar in de buurt hebben we toen in arren moede maar een caravan met een voorzettent neergezet, op een camping, die gebruikt werd door degene die aan de beurt was om de kinderen onder zijn hoede te nemen. Tot ik van kennissen op onze camping hoorde dat ze een Mongoolse tent op de kop hadden getikt, en dat leek toen van alle opties die er waren – of beter gezegd: die er níet waren – nog de meest haalbare. Met geleend geld, vijfduizend euro, heb ik toen ook zo’n ger laten importeren en begin dit jaar hebben we de tweede opgezet.

Sinds vanochtend is er zelfs een koelkast, die een buurman is komen brengen, en ik heb zowaar ook stroom: dat is een ongelooflijke luxe! De kinderen willen hier in ieder geval niet meer weg, want die zijn inmiddels de vrijheid gewend van het bos rondom en de duinen vlakbij. In de zomer staan er natuurlijk nog heel veel meer gezinnen met kinderen op dit terrein – dan is het voor de kinderen net alsof ze permanent vakantie hebben. En wat ik het grootste winstpunt vind, is dat ik hier weer iets heb teruggevonden van gemeenschapszin en oprechte zorg voor elkaar: een soort gezamenlijkheid die ik in Amsterdam node miste. Sinds kort heb ik voor drie dagen in de week een baantje bij de plaatselijke bakker, zodat ik na alle stress en hectiek eindelijk weer een beetje tot rust kom.

Het bestaan dat ik nu met mijn kinderen leid lijkt misschien primitief, en ik heb heel weinig geld, maar ik heb onderhand wel geleerd dat niet alles draait om materieel bezit: ik heb wel degelijk een rijk leven.’


Dit is het eerste deel van een serie over nieuwe armoede, die tot stand komt met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Heeft u ervaringen die u met Emma Brunt wilt delen, mailt u dan naar groene@groene.nl o.v.v. Nieuwe armoede