Homerus, de bijbel en Jean-Jacques Rousseau

Van krijger tot dominee/handelaar

Homerus

Ilias & Odyssee

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 679 blz., € 14,95

Bijbel

NBG-vertaling 1951, 1163 blz., € 12,25

Jean-Jacques Rousseau

Bekentenissen

De Arbeiderspers, 770 blz., € 44,90

De homo balkenendus komt niet uit de lucht vallen. Het is een ideaaltype dat zwaar leunt op de voorbeeldige mens zoals die door stoïcijnse denkers is geïntroduceerd en die in het christendom grote navolging heeft gekregen. Het is de barmhartige Samaritaan, de altijd liefdevolle en goedhartige slappeling. Als je hem slaat, draait hij zijn andere wang toe, het vizier strak naar boven gericht. Hij is in een voortdurend zelfonderzoek verwikkeld over zijn zondige drijfveren. Van de mening van anderen trekt hij zich niets aan, die zijn immers ook zondig. Nietzsche heeft hem bont en blauw geslagen en sprak van een «slavenmoraal». Ethici spreken wel van een «domineesmoraal», of van «gewetensethiek».

De gewetensethiek van de dominee staat tegenover de eerethiek van de klassieke mens. In de geschiedenis van de westerse beschaving heeft de dominee zijn plaats moeten veroveren op een ander ideaaltypisch mens: de homerische held, de krijger. In de Ilias is te lezen hoe het morele systeem van de krijger er uitziet. Alles draait om aanzien. «Goed» betekent voor hem respect, roem en angst. «Slecht» betekent geminacht, vernederd en bespot worden. Het is de eerethiek van de homerische held, van de samoerai, de voetbalvandaal en de corpsbal. Dit morele systeem, met zijn eigen deugden en waarden, was gemeengoed onder de Romeinen. Voor de Romein was het laagste leven niet een «zondig» leven, zoals in de gewetensethiek, maar een «obscuur» leven. Voor de Romein was eerloosheid de hel.

In de eerethiek vergaar je aanzien door macht en kracht. Al in de oudste teksten vinden we de schrandere en vernuftige mens, die door list en intelligentie roem weet te vergaren. Odysseus was geen krachtpatser, maar een slimmerik. Voor Odysseus’ tijdgenoten was intelligentie pas van gewicht als je anderen er de loef mee kon afsteken. Mijmeren — als profeet of monnik — is tijdverspilling. Wat anderen van je handelen vinden is voor de eerzuchtige mens maatstaf. Daden en woorden zijn van belang, gedachten niet. Alleen wat zichtbaar is, kan bron van trots of schaamte zijn. De innerlijke gedachtewereld is ethisch gezien van geen belang.

Voor de homo religiosus zijn gedachten wel van groot belang. In Mattheüs 5: 5-6 staat dat het gevaar bij het gebed is dat er wordt «geveinsd». De «hypocritai», schrijft de evangelist, bidden graag zo dat anderen het zien, maar de gelovige dient zijn «binnenkamer» in te gaan, en zijn deur in het slot te gooien. In de domineesmoraal gaat het om het individuele geloof, waarvan de oprechtheid slechts door God is te beoordelen. Pas met de opkomst van de burgerij hebben beide ideaaltypen een geduchte concurrent gekregen: de handelaar, ofwel de homo economicus.

In Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus laat Max Weber zien hoe de nieuwe handelaarsmoraal is voortgekomen uit de domineesmoraal van de homo religiosus, maar daar tegelijk afstand van neemt. Vergaarde rijkdom mag, vooral bij calvinisten, niet meer worden verspild of geconsumeerd, maar behoort tot meerdere eer en glorie van God te worden vergroot. Van kwaad wordt het erger. Snel wordt liegen een deugd. De ondernemer die een slechte tandenborstel weet te verkopen als een goede, wordt geprezen. Mededogen en solidariteit, beide uit de gewetensethiek, zijn plotseling «domme» deugden. Liegen heet marketing en onmatigheid (een klassieke ondeugd) draagt bij aan de economische groei.

Rekende Plato de producerende mens nog tot het laagste gremium van de homo sapiens (op 1 en 2 stonden de denker en de krijger), in de achttiende, negentiende en vooral twintigste eeuw wordt de succesvolle handelaar een nieuw ideaaltype mens. Zijn moraal wordt die van het maatschappelijk ordeningsprincipe met als grondregel: trek je eigen levensplan, daar «gaat» niemand anders over dan jijzelf, zolang je je maar aan de wet houdt.

Je hoeft geen moraalfilosoof te zijn om in te zien dat deze moraal zichzelf in rap tempo uitholt. Als de deugden en waarden die andere ideaaltypen met zich meebrachten en die in de wet zijn geconcretiseerd wel worden nageleefd maar niet meer worden beleefd noch onderwezen, verdwijnen ze uit het collectief bewustzijn. Terwijl moraal onderhoud behoeft. En dus bleef de strijd onbeslist tussen de handelaar, de dominee en de krijger.

Hoe belangrijk de handelaar als ideaaltype ook werd, in de Romantiek kreeg hij nog een geduchte tegenstander. Een nieuw type mens zag het licht: de kunstenaar. De kunstenaarsmoraal heeft zijn eigen set van waarden, normen en betekenissen. De autoriteit van God en de speciale relatie met Hem zoals die vooral bij Augustinus en in het protestantisme gestalte kreeg, wordt vervangen door de autoriteit van de innerlijke stem. De dichter is in zekere zin de geradicaliseerde, seculiere variant van de dominee. Ook bij hem doet de mening van anderen er niet toe, al kijkt hij niet meer naar boven, maar alleen nog maar naar binnen. Een twintigste-eeuwse representant van deze moraal, Jean-Paul Sartre, zei letterlijk: «De hel, dat zijn de anderen.»

In de meest zuivere vorm zijn de deugden van de «self-actualising personality» te vinden bij Jean-Jacques Rousseau, vooral in zijn boeken Bekentenissen en Emile. De eigen, innerlijke stem is het morele richtsnoer. De kunstenaar vaart op zijn eigen kompas en zet zich af tegen de holheid en platvloersheid van de handelaar, maar ook tegen de eerzucht van de krijger. Het streven naar een goede naam vindt Rousseau «burgerlijk», een woord dat door dit ideaaltype een negatieve connotatie krijgt. Alleen hij die zijn eigen aard volgt, houdt zichzelf en anderen niet voor de gek en probeert niet iets te lijken dat hij niet is. Eerbewijzen, status, prestige en zelfs de liefde van anderen zijn voor dit autonoom denkend en levend wezen van minder belang dan zelfontwikkeling en persoonlijke groei.

Populaire denkers (als Fromm, Sartre, Marcuse en Maslov), kunstenaars (Warhol en Beuys) en een leger aan kunstcritici hebben deze kunstenaarsmoraal verankerd in de huidige samenleving. Iedereen is een kunstenaar, en niet alleen in het diepst van zijn gedachten. «Iedereen is mooi, je bent wie je bent», was de eindeloos herhaalde zin in de openings tune van Big Brother, het televisieprogramma dat de ultieme consequentie is van de uniciteitscultus die de kunstenaarsmoraal creëerde. Maar de mooiste illustratie van de verspreiding en populariteit van dit ideaaltype mens dateert alweer van twee decennia geleden, toen VVD-lijsttrekker Ed Nijpels de verkiezingen inging met de leus «Gewoon jezelf zijn!»

Door de kunstenaarsmoraal kon het gebeuren dat een spijkerbroek met het pleonasme «authentic original» op de achterzak een miljoenenpubliek van bijzondere een lingen vond.

Deze vijf ideaaltypen — denker, krijger, dominee, handelaar en kunstenaar — strijden momenteel om de dominantie. De krijger lijkt daarbij het zwaarst in de verdrukking. De dominee, de denker, de handelaar en de kunstenaar hebben de krijger nagenoeg het zwijgen opgelegd. Dat is snel gegaan. Schreef Schopenhauer in de negentiende eeuw nog dat «eer de representant is van onze waarde in de gedachten van anderen», vandaag bundelt Nederlands meest gelezen publieke figuur, cabaretier Youp van ’t Hek, zijn columns als Schijt aan!

Alleen in de oude wereld van de aristocratie zijn de klassieke mores van de krijger altijd in ere gehouden. Want hoewel er in die kringen van oudsher niet veel werd gelezen (dat liet men aan de geestelijken over), werd de overtuiging van Cicero dat het een vorm van «principeloosheid» is om zich niets aan te trekken van de mening van anderen onder hen eeuwenlang geconserveerd. Natuurlijk leidde dit klassieke wereldbeeld tot excessen, zoals het nagenoeg zonder aanleiding duelleren op leven en dood. En dat was koren op de molen van tegenstanders van de krijger. Die zongen in koor dat het overwinnen van schaamte veel gezonder en vruchtbaarder is voor het individu dan het streven naar eer. «Foolish pride» werd een gevleugeld begrip in de Angelsaksische wereld.

Maar de afkeer van eerzucht is vals. Het is vernis, niet meer. In werkelijkheid is de krijger in ons nog altijd springlevend. Al lijkt hij verbannen naar het sportveld, de studentenvereniging en de wereld van CEO’s, hij manifesteert zich overal. Niet alleen bij advocaten en voetbalhooligans, bij iedereen in peuterspeelzaal, yogaklas of sociale dienst jaagt de eerzucht door de aderen. Misschien wel juist bij hen die er prat op gaan (eerzucht!) zich niets aan te trekken van maatschappelijke conventies, die iedere dag «leven alsof het de laatste is». De oude aristocratenmoraal is ondergronds gegaan, maar heeft nog altijd iedereen in de ban. Dat is een zegen. Als mensen werkelijk «zichzelf» gaan zijn, zoals gepropageerd door de huispsychologen van talkshows als Oprah Winfrey, is de beschaving nog niet jarig.

Gelukkig is er de hypocrisie. De mens realiseert zich dat er momenten zijn waarop de waarden van de kunstenaar van pas komen, terwijl er andere momenten zijn dat de deugden van de handelaar uitkomst bieden, of die van de krijger dan wel de dominee. ’s Avonds voor het slapen dient een bepaald ideaaltype zijn doel, op het sportveld en het werk weer een ander. Als een ondergeschikte verslaafd raakt aan heroïne, ontsla je hem. Als hij je zoon is, of een vriend, ga je praten en toon je domineeswaarden als inlevingsvermogen, medelijden en solidariteit. Dan komen zelfs de christelijke deugden geloof, hoop en liefde van pas, die je als ondernemer bij het ochtendkrieken ogenblikkelijk moet vergeten. Als de zoon eindelijk is afgekickt, maar nog slechts op de bank kan hangen waar hij telkens hetzelfde computerspelletje speelt, wordt het tijd om hem gevoel voor eer bij te brengen.

De homo balkenendus is een amalgaam van vooral de dominee en de handelaar. Dat blijkt uit de officiële bronnen: zijn teksten en redevoeringen. Toch zie je ook bij hem de eerethiek door de aderen vloeien. Zag hem glimmen naast Bush en Berlusconi. De nabijheid van deze grote publieke reputaties deden de zijne goed. Hiermee is niets mis. Zonder geloof in God — en van nature tot het slechte geneigd — kan juist het streven naar een goede reputatie de mens op het rechte pad houden. En daar gaat het ook de homo balkenendus uiteindelijk om.