Theater - Shakespeare volgens Lanoye

Van Lear naar Lear

In Koningin Lear van Tom Lanoye worden de moderne sjacheraars, marktdenkende gokkers en dobbelende hufters de tempels van de wereldwijd opererende economie uit gebezemd.

Medium lear

Bij Tom Lanoye is Koning Lear geen feodale heerser maar een zakenvrouw met kenau-haar op haar tanden en scheermessen in haar Thatcher-bontje.

De openingsmonoloog lijkt een mengeling van dementerende schemerpathetiek en gehaaid ondernemerscalcuul.

Om te beginnen is Betty Lear blij een kroon te kunnen plaatsen op de familie-onderneming van haar ouders.

‘Zij leerden mij dat men succes eerst smeedt
In het geheim, om dan pas toe te slaan
Op een moment suprême. Vergeef me dus
Dat ik u niet verklappen kon waarom
Ik u hier samenriep en dank dat u
De tijd wou vinden om uw oude moeder
Te assisteren in wat niet alleen …
Voor haar, maar elk van u … Een wending wordt
Die ons nog lang zal heugen … én vérheugen …’

Dan komt ze terzake. Er naderen geen natuurrampen, zoals in King Lear, er nadert iets ergers. Het is crisis.

‘Er doemt een monster aan de einder op
Waarvan geen mens de omvang kan beschrijven.
De markt wordt volatiel als nooit tevoren.
De wisselkoersen raken in het slop.
De ene bubbel spat de andere kapot.
Door ons gewicht zijn wij de eerste prooi
Wanneer de deining een tsunami wordt.
Klassieke strategieën zijn passé!
Wie nu nog kapitalen stapelt op
Eén plek, wordt straks de branding in geblazen.
We hebben maar één plicht. De ballast spreiden
Indien wij onze lading willen redden.’

Bij Lanoye is het blanke vers van she-Lear veilig, geilig, zielsbedronken goed opgeborgen én thuis zoals de zuiplap thuis is in zijn bruine kroeg. De jamben zuigen zich vol spiritualiën, ze wasemen een grillige energie uit en in de regels dreunt de harteklop van brutaal leven in de gek geworden metropool tijdens de global economy. Het vers herbergt ook een plezierige vleug melancholische goesting naar die oude, nukkige, alzheimerpatiënt, de he-Lear, die indertijd gewoon overal vanaf wou en eens goed uit wilde rusten.

‘Ik deel ons patrimonium in drieën,
Rotsvast besloten alle sleur en stress
Van mijn vermoeide schouders af te schuiven
Op die van jonger, sterker volk, om vrij
En blij te kunnen kruipen naar mijn graf.’

Voilà, dit is wat misschien wel de kern van King Lear genoemd mag worden. We zijn vertrokken!

Koning Lear in de global economy? William Shakespeare meets Joris Luyendijk? Het is eerder geprobeerd. Niet zo lang geleden nog. Door een angry young man, de Britse toneel- en scenarioschrijver Dennis Kelly (1970). Die in 2010 The Gods Weep schreef voor de Royal Shakespeare Company. Een stuk waarin Lear werd getransponeerd naar de City of London. De oude ondernemer Colm (Jeremy Irons indertijd) verdeelt zijn monopolistische multinational in drinkwatervoorzieningen onder enkele zelfgekozen opvolgers, die het beter, menselijker en vooral democratischer moeten doen dan hij. De verdeling van het bedrijf leidt tot een economische burgeroorlog onder het gesternte van een kersvers oplierende internationale bankencrisis. De tekst was misschien een sterke poging, niet heel veel meer, een beetje blufpoker ook. The Gods Weep kon zich, als stuk en als voorstelling, op den duur niet handhaven of bewijzen.

En nee, Tom Lanoye is met zijn eigen bewerking van King Lear niet uit op blufpoker en al helemaal niet op een modieuze foef. Zijn vrouwelijke Lear is een door de wol geverfde ondernemer én moeder van drie volwassen zonen. De oudste twee (Gregory en Hendrik) hebben zich in de NV Lear altijd en eeuwig gekleineerd gevoeld. Ten detrimente van hun positie binnen het bedrijf en hun desastreus verlopende huwelijken. En ten faveure van de benjamin van de familie, moeders mooiste, ijverigste en liefste, Cornald, met zijn ziekenfondsbril, zijn rugzakjes en zijn microkrediet-projecten in de Derde Wereld. Moeders, zoons, schoondochters. Mooi bijproduct van deze ingreep is het aloude conflict van de bejaarde, sterke en valse vrouw met schoondochters, die het in de ogen van de oermoeder nooit en te nimmer goed zullen of kunnen doen. Hoofdproduct is natuurlijk het sterke drama in het verlaten en verscheurde nest van de oermoeder: het basale gevecht van de in het rond krioelende mannetjesputters die opeens een (economische) macht moeten gaan omarmen, die ze net zo min aankunnen als het dagelijkse gevecht met hun serpentige amazones. En dan is er nog die rottige angel in het stuk.

‘Wie durft een vrouw te slaan wanneer ze nog feller uithaalt dan een man?’

Wie King Lear gaat doen (of zien) krijgt altijd twee plotvertellingen voor één geld. Lear en zijn dochters. Plus: Gloster met zijn beide zonen, de ene biologisch verwekt in het echtelijke bed, de andere via de bastaardige kromming van een maîtresse naar binnen gewinkeld. Welaan, dat gebeurt hier dus niet. De Gloster-(bij)plot is geschrapt. Lanoye schrijft in zijn verantwoording van deze ingreep: ‘De twee stukken-in-het-stuk, Lear en Gloster, zijn bedoeld om elkaar te verdiepen. Na een tijdje vertonen ze echter de neiging om elkaar onderuit te halen.’

De Gloster-plot uit King Lear weghalen, dat gaat niet zomaar. De Japanse cineast Akira Kurosawa deed het in zijn grootse Lear-verfilming Ran (1985) – hij vlocht een eerwraaktragedie naar binnen in de vertellijn van de oude heerser Hidetora en zijn drie zonen. Lanoye doet in zijn Lear-bewerking iets anders. Hij maakt van de Lear-vertrouweling Kent een ex-lover van Betty Lear. Van haar jongste zoon Cornald maakt hij een liefdesbaby van haar en Kent. Gloster wordt dus Kent. Cornald wordt een verloren zoon. De blindmarteling van de oude kompaan van Lear, bij Lanoye dus de blindmaking van Kent, gebeurt hier min of meer per ongeluk, door de oudste zoon. Hij springt gewoon wat te ruw om met dat verweerde gezicht, hij pakt hem iets te hard aan, voor de onbesuisde zoon Gregory het weet is het gezichtsvermogen van Kent foetsie.

Alle parels uit de oude Gloster-(bij)plot worden vervolgens spelenderwijs ‘geïncasseerd’. Inclusief de zwerftocht over de vlakten, de poging tot zelfmoord door de oude Lear-kompaan en de tragikomische hereniging van de twee bejaarde, afgezette heersers, de een blind, de ander buiten zinnen, beiden een soort van wijs. De vertelling is opgeschreven met de dramatische kracht en de poëtische luister die het origineel meer dan waardig is. Lanoye leert gretig en goed van zijn leermeester, de Grote Constructeur William Shakespeare.

Het alomtegenwoordige natuurgeweld heeft in Shakespeare’s King Lear oudtestamentische proporties. In Koningin Lear van Tom Lanoye worden de moderne sjacheraars, marktdenkende gokkers en dobbelende hufters de tempels van de wereldwijd opererende economie uit gebezemd. Van het penthouse ‘with a view to kill’ uit de openingsscène zakken ze via het darmstelsel van de macht af naar de jungle van de steden. Betty Lear rent met alle protagonisten in haar kielzog naar buiten, van de bescherming door airco en het getinte glas naar een heel andere werkelijkheid. Lanoye schrijft: ‘Die van verlaten straten en morsige stegen, in het business district van een grootstad die ten prooi valt aan uitzonderlijk natuurgeweld. Hier biedt niets bescherming tegen striemende wind en hagelstenen, tegen hels verkeer en scheldpartijen, tegen gek geworden junkies en stinkende bedelaars in wie de dementerende Lear opeens haar gelijken meent te herkennen.’

Wat is de toegevoegde tragiek in de ombouw van de bejaarde vorst Lear naar de oude heerseres Lear? Ze is van meet af aan trots én onzeker, ze is bitter, rancuneus op het cynische af en tegelijkertijd koket en charmant – dat is een grote winst van aan elkaar gespiegelde en elkaar tegensprekende eigenschappen. Ze kan vanuit haar hautaine hoogten brallen en striemen en vanuit haar zwakzinnige diepten schreeuwen en krijsen, zoals mannen dat haar niet zo snel en intens na zullen doen. Dat zijn meer kleuren op het palet – en dat is ook winst! Lanoye: ‘En dan: wie durft een vrouw te slaan wanneer ze nog feller uithaalt dan een man?’

Haar nar, hier Oleg geheten, een van de mooiste fools uit het oeuvre van Shakespeare, krijgt er bij Lanoye als Lears verpleger drie lagen bij, die hun werking voor een belangrijk deel ontlenen aan het feit dat Lear hier een vrouw is. Vooreerst is Oleg een buitenstaander met een geestig soort overlevingshumor in een vreemde, Zuid-Europese taal, die met grappige uitspraakblundertjes is gekruid. Dan is Oleg ook de vertrouweling, hij weet precies hoe ver de geestelijke aftakeling van Betty Lear is gevorderd, hij dient haar placebo-medicatie toe, hij is haar geestelijke thermometer en koortsgrafiek. En tot slot is Oleg haar toyboy, die haar verloren schoonheid, haar nooit gedoofde libido en haar sterke behoefte aan tederheid wakker masseert – een geweldige ingreep die mooie scènes oplevert tussen titelrolvertolkster Frieda Pittoors en de nar van Vanja Rukavina.

Oleg bemiddelt wanneer Lear en Kent (mooie rol van Gijs Scholten van Aschat) bij het einde van hun tijden zijn aangekomen, op het onherbergzame dak van het zakenpand. De nar draagt de verpleging van de blinde Kent over aan Cornald, Lears jongste, Kents verloren zoon (Alwin Pulinckx), die voor het gemak Olegs accent eventjes overneemt, zodat Kent geen wantrouwen kent. Cornald vraagt aan zijn bastaardvader waarom hij nooit de waarheid durfde te spreken.

Kent: ‘Omdat hij, de grootste vreugde in mijn leven, misschien ontstond uit het bedriegen van mijn beste vriend. Zo! Dat is eruit! (hij lacht en weent) Zie mij hier zitten. Geluk en schaamte, verenigd in een oud en snotterend scharminkel. O kon ik hem – slechts één keer in mijn leven nog – bekijken op de tast! Ik had geen oog en geen herstel meer nodig. Waar blijft hij toch? Is hij in leven? Is hij gezond? Kom ik het ooit te weten? Wat kevers voor kwajongens zijn, zijn wij voor onze wrede goden – ze pletten ons voor hun plezier.’ Hier is de dichter/schrijver Tom Lanoye misschien wel dichter bij de status van onovertroffen buikspreker van God Shakespeare dan hij ooit geweest is.

Betty Elisabeth Lear, in de vertolking van Frieda Pittoors, hangt tegen die tijd over een stoel als een natte vaatdoek aan een verwaaid waslijntje. De haren los, de blik ver weg, de stem grijsgedraaid. Haar tekst van dat moment wordt niet in het tekstboek vermeld. Het is een rijmpje, naar ik meende te horen in plat Antwerps, dat ik in schoongeboend Hollands heb onthouden:

‘Onder een stenen brug
lag ze op haren rug
De benen wijd en haar broekje gescheurd
Je kunt wel raden wat daar is gebeurd.’

Het was in de eerste try-out dat ik het hoorde. Ik hoop dat ze het niet meer weg doen.


Koningin Lear speelt tot 19 april in Amsterdam en reist naar Maastricht, Den Bosch, Utrecht, Eindhoven, Rotterdam en Groningen; toneelgroepamsterdam.nl


Beeld: Alwin Pulinckx, Janni Goslinga, Roeland Fernhout, Hélène Devos, Jip van den Dool, Vanja Rukavina en Frieda Pittoors (Jan Versweyveld).