Twaalf generaties D’Oliveira

Van Moseh tot Ulli

De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira door historicus Jaap Cohen, over twaalf generaties van een Portugees-joodse familie in Nederland, laat zien dat identiteit niet zomaar weg te moffelen is. Dat bleek helaas ook tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De historicus Jaap Cohen schreef een fascinerend boek over twaalf generaties van een Portugees-joodse familie. Zeven jaar geleden kwam hij in aanraking met de nazaten van Eli Jesserun d’Oliveira, een markante persoonlijkheid die de oorlog, ondanks talrijke inspanningen om aan vervolging door de Duitsers te ontsnappen, niet overleefde.

Kleinzoon Ulli d’Oliveira, publicist en hoogleraar en bekende Amsterdammer, wilde samen met zijn nicht Suzanne Pereira een boek over Eli en zijn familie laten maken. Ulli d’Oliveira had zijn grootvader tot zijn elfde jaar meegemaakt en voelde een diepe band met hem. Sterker nog: hij besefte dat hij op zijn grootvader leek en had soms het idee dat hij het leven van Eli moest afmaken. Beide mannen zijn intelligent, veelzijdig, uitgesproken, hebben geldingsdrang en zijn niet bang om het conflict aan te gaan.

Na wat omzwervingen langs mogelijke schrijvers kwamen Ulli en Suzanne uit bij Jaap Cohen, die als een soort proef begon met het hoofdstuk over kleinzoon Ulli. Cohen besefte dat zo’n intiem verhaal confronterend kan zijn, maar de familie was tevreden en Cohen kon door. Uiteindelijk mondde het project zelfs uit in een promotieonderzoek. Deze week verdedigt Cohen zijn proefschrift De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira aan de Universiteit van Amsterdam.

De eerste voorouder van Eli d’Oliveira in Nederland was de Hebreeuwse dichter en schrijver van religieuze documenten Moseh d’Oliveira. Waarschijnlijk arriveerde hij in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw in Amsterdam en werd hij jaren later, net als Spinoza, in de ban gedaan; hij had zich in de bestuurskamer van de synagoge onbehoorlijk gedragen. Bij iedere nieuwe generatie ontdekte Cohen excentrieke familieleden die opvielen doordat ze zich opstandig gedroegen, meerdere keren trouwden, of doordat ze in het oudemannenhuis de medebewoners tegen het bestuur opstookten. ‘Dankbare figuren die ik tot leven kon wekken omdat er zoveel materiaal bewaard was gebleven.’

De vroege geschiedenis van de Portugese joden was er een van vervolging. In 1492 werden alle joden van het Iberisch Schiereiland verdreven, ook de familie D’Oliveira. Ze moesten het land uit tenzij ze zich tot het christendom bekeerden. Dat laatste gebeurde veelvuldig, al voerden sommigen binnenskamers stiekem nog joodse rituelen uit. Spanjaarden en Portugezen bleven de bekeerden, de conversos, wantrouwen.

Deze bekering zou honderden jaren later opnieuw een cruciale rol gaan spelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hoopten de Portugezen dat het hun leven zou redden. Ze beriepen zich erop dat hun voorvaderen zich verplicht tot het christendom hadden bekeerd en benadrukten dat velen van hen in de tussenliggende periode christelijk waren getrouwd en zelfs tot de christelijke aristocratie waren toegetreden. Hun bloed kon vanwege deze ‘vermenging’ dus niet meer als joods worden aangemerkt, stelden ze.

Jaap Cohen realiseerde zich steeds meer dat niet alleen Eli, maar een groot aantal van oorsprong Portugese joden hun jodendom destijds probeerden te ontkennen. Intrigerend vond hij dat, vertelt hij als we elkaar spreken in het Niod aan de Amsterdamse Herengracht, waar hij de afgelopen jaren aan zijn proefschrift werkte. ‘De Portugese joden bleken een aantal interessante aannames over hun verleden te hebben. Ze vonden dat ze een verfijnde, hoog culturele ontwikkeling hadden gehad. Onder hun voorouders bevonden zich veel artsen, denkers en musici. Ze vonden zichzelf om die reden bijzonder.’

De Portugese (sefardische) joden kwamen eerder in Nederland dan de Hoogduitse (asjkenazische) joden op wie ze een beetje neerkeken. Vanaf het eind van de zestiende eeuw kwamen de sefardim naar Amsterdam, de handelsstad. Ze waren welkom, hier heerste een relatieve geloofsvrijheid. Deze Portugezen trouwden altijd onderling, ze vermengden zich niet met joden uit Duitsland en Oost-Europa. Dat was zelfs verboden.

‘Ik vond het boeiend om te zien hoe mensen hun eigen identiteit construeerden’, zegt Cohen, ‘dat ze in de oorlog probeerden te bewijzen dat ze niet joods waren en dat ze dat bovendien met rassentheorieën deden, de wapens van de vijand. Ze beriepen zich bij deze “Aktie Portugesia”, zoals deze poging tot ontsnapping aan de Duitsers is gaan heten, op culturele, historische, genealogische, psychologische, linguïstische en politieke argumenten. Er werd een hele organisatie opgezet met deskundigen die wilden aantonen dat deze groep Portugezen niet joods genoemd kon worden.’

Ook Eli d’Oliveira hoopte op die manier het leven van hemzelf en zijn familie te redden. Hij was schrijver, stenograaf. Cohen noemt hem ‘hyperintelligent, (over)ambitieus en een compromisloze autodidact’. Zoon van een diamantslijper die belangstelling had voor het socialisme, een stroming waar hij zijn goede vriend, de latere premier Willem Drees ook voor wist te interesseren. D’Oliveira had het geloof van zich afgeschud, hij schreef zich in 1927 zelfs uit bij de Portugees-joodse gemeente, wat in die tijd ongebruikelijk was.

Die radicale stap verhinderde niet dat hij in de oorlog zou worden vervolgd. D’Oliveira maakte in 1942 dagelijks de gang naar de Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam. Daar, in een kamertje dat de Sterrenwacht werd genoemd omdat de joden er allemaal een jodenster moesten dragen, verzamelden Portugese joden documenten over hun familiegeschiedenis. Ze stelden alles in het werk om aan te tonen dat ze niet joods waren.

Was het geen onzinnig plan? Teruggrijpen naar een stamboom uit 1492?

Jaap Cohen: ‘Hoezo? Als je de Duitse definitie van “ras” toepaste, kon je inderdaad beargumenteren dat de Portugezen qua afkomst maar voor een heel klein percentage joods waren.’

Een zwak punt, zegt Cohen, was dat de Portugezen in de negentiende eeuw verarmd raakten. Dat zie je ook goed terug bij de familie D’Oliveira. Abraham d’Oliveira (1749-1823) was geboren in de wereld van sefardische renteniers en buitenhuizen aan de Vecht, maar na de slechte economische ontwikkelingen aan het eind van de achttiende eeuw raakte hij aan lager wal. Op relatief jonge leeftijd kwam hij in een oudemannenhuis van de gemeente terecht omdat hij niet meer in zijn eigen onderhoud kon voorzien. Op het moment dat het financieel minder gaat, trouwen sefardische joden wél met asjkenazische joden en dat feit proberen ze in de oorlog weg te moffelen.

In de oorlog beweerde iedereen met verve dat ze al die eeuwen Portugees waren gebleven, zegt Cohen. ‘Dat gold misschien voor een paar families in de bovenlaag, maar zeker niet voor de hele groep, uiteindelijk was dat ook de bevinding van een Duits rassenkundige die zich erover heeft gebogen.’

Hoe is die Aktie Portugesia begonnen?

‘Ik ontdekte dat leden van de familie Texeira de Mattos en de familie Mendes de Leon als eersten protest hebben aangetekend bij de Duitsers. Zij waren bekeerde joden, wat betreft religie waren ze al lang niet meer joods en toen ze zich in de oorlog toch moesten melden weigerden ze dat. Ze stelden dat ze ook qua afkomst niet joods waren. Hans Calmeyer, een Duitse jurist bij wie joden zich moesten registreren, onderzocht deze twee gevallen en gaf ze gelijk. Ze werden “Arisch” verklaard. Toen was er een precedent geschapen, ook anderen dachten op deze manier een kans te maken.’

‘In de oorlog probeerden ze te bewijzen dat ze niet joods waren, en dat deden ze met rassentheorieën’

Vervolgens klopte de hele groep Portugese joden, 4500 mannen, vrouwen en kinderen, bij Calmeyer aan. Omdat Calmeyer niet de macht had om hen als collectief te ‘ariseren’, vroeg hij om een oordeel uit Berlijn. In de tussentijd stelde hij een ‘Portugezen-lijst’ op die voorlopige vrijstelling van deportatie betekende. Daar kon je op komen als je een ‘zuivere’ Portugese afstamming had en dit met een stamboom kon aantonen. Adellijke en patriciërfamilies hadden zo’n stamboom wel liggen, maar voor andere families was het een heel uitzoekwerk. Dat moest grondig gedaan worden, want de Duitsers hadden zelf genealogen in dienst en die keken alles na. Intussen werkte de Portugees-joodse gemeenschap aan verder bewijsmateriaal. De prominente Portugees-joodse oud-rechter Nochem de Beneditty smeedde samen met advocaten een plan om de Portugezen als collectief te redden. Ze stelden een commissie in die assisteerde bij het uitzoeken van genealogische gegevens.

375 vrijwilligers werden op alle mogelijke manieren opgemeten, de afstand tussen de neus en de wenkbrauwen, het voorhoofd, de schedel, alles om aan te tonen dat ze niet joods waren. In het onderzoek werden foto’s opgenomen, gemaakt door Jaap d’Oliveira, de zoon van Eli. Ook de omschrijving van hun gezichten – ‘een sprekende intelligente blik’, ‘hun Moorse uiterlijk’ – moest de nazi’s overtuigen.

Wat laat dat zien?

‘Dat het een kwestie van leven en dood was. Men nam het heel serieus, bij de Aktie Portugesia waren vooraanstaande mensen betrokken. Elsa, de dochter van Eli, was in 1934 als student-assistente betrokken bij een fysisch-antropologisch onderzoek van de befaamde hoogleraar C.U. Ariëns Kappers. Dit onderzoek zou aan de basis staan van de fysisch-antropologische component van de Aktie Portugesia. Huisarts en antropoloog Arie de Froe, die na de oorlog rector magnificus zou worden van de Universiteit van Amsterdam, voerde het onderzoek uit naar fysieke verschillen. Ze geloofden werkelijk dat ze valide en rationele argumenten hadden.’

Medium jaap cohen1

Uiteindelijk keerde die grote schaal zich tegen hen. Ze hadden niet op tijd door dat het ze niet zou lukken. Cohen: ‘Ze geloofden zo in wat ze deden dat de meesten van hen niet onderdoken en dat werd ze uiteindelijk fataal toen de Duitsers op 1 februari 1944 besloten dat alle mensen op de lijst alsnog op transport moesten, eerst naar Westerbork, vandaar naar Theresienstadt en Auschwitz.’ Eli d’Oliveira heeft tot op het laatst gehoopt dat hij de oorlog zou overleven.

Hoe kan het dat ze zo zeker van hun zaak waren?

‘Ze hadden al hun hoop op deze route gevestigd. Ze dachten de Duitsers met rationele argumenten te kunnen overtuigen en hadden kennelijk niet in de gaten hoezeer de ideologie van de Duitsers op irrationaliteit was gebaseerd.’

Wat heeft u zelf het meest verbaasd aan deze Aktie Portugesia?

‘De grootschaligheid, het aantal mensen dat erbij betrokken was. De deskundigen, de hoeveelheid van argumenten, de grondigheid van de uitwerking ervan. Er werd psychologisch onderzoek gedaan, er werden schedels gemeten. Het belangrijkste onderscheid was dat de schedels van de sefardim langer zouden zijn dan die van de asjkenazim. Ook zouden de sefardim niet “de kenmerkende neus der joden” hebben.

Wat tot nu toe helemaal onbekend was, en wat ik heel interessant vond, was het psychologische aspect. Ik gaf eens een lezing over De Froe en vertelde over een intrigerende zin die ik in zijn rapport ontdekte, namelijk dat de Portugezen zich anders gedroegen, waardiger, statiger, introverter waren dan de opgewonden asjkenazim. In het publiek zat de zoon van de psychiater Van Emde Boas en die sprak me aan. In het ouderlijk huis stonden drie dozen met archiefmateriaal. Van Emde Boas had in de oorlog psychologisch onderzoek gedaan naar Portugese joden die op de Calmeyer-lijst wilden komen. Alle mensen die door De Froe werden opgemeten, had Van Emde Boas enquêtes afgenomen over hun gedrag en karakter. Hij had de Portugezen bovendien uitgenodigd om de Rorschach-test te doen, een psychologische test waarbij je inktvlekken moet interpreteren, alles om te bewijzen dat ze anders waren dan de asjkenazische joden.

Ik ben al zijn materiaal gaan nalezen en had het gevoel dat hij er niet uit is gekomen. Zijn onderzoek is ook uiteindelijk niet bij Calmeyer ingediend. Van Emde Boas’ hypothese dat de Portugezen anders waren dan de asjkenazim, rustiger en meer naar binnen gekeerd, kon hij kennelijk niet bewijzen. Inmiddels weten we dat het niet vol te houden is om psychologische kenmerken aan een groep toe te dichten, er zijn altijd mensen bij die zich anders gedragen. Jaap d’Oliveira bijvoorbeeld, de zoon van Eli, was juist enorm opvliegend. De onderzoeken van De Froe en Van Emde Boas gaven mij het idee dat ze geloofden in wat ze deden, ze wilden werkelijk goed wetenschappelijk onderzoek overleggen.’

Zo’n onderzoek zou nu een grote rel veroorzaken.

‘Die tak van wetenschap is door de oorlog helemaal besmet geraakt. Er bestaan geen zuivere rassen en je kunt bevolkingsgroepen niet bepaalde psychologische kenmerken toekennen.’ Ter verdediging van de goed bedoelende De Froe en Van Emde Boas zegt hij: ‘Het is wel belangrijk om voor ogen te houden dat het toen de stand van de wetenschap was, dus we moeten er niet lacherig over doen.’

Na de oorlog wilde vrijwel niemand aan deze mislukte reddingspoging herinnerd worden, ook omdat het impliciet de rassenideologie van de nazi’s onderschreef. Arie de Froe heeft er wel met Jacques Presser over gesproken, die dat gesprek verwerkte in zijn boek De ondergang.

De familie D’Oliveira wist niet dat Eli zich zo intensief bezig had gehouden met de Aktie Portugesia, vertelt Cohen: ‘Ik ben daar door toeval op gestuit toen ik de Calmeyer-archieven in Den Haag ging inzien. Een medewerker van het archief attendeerde me op een niet geïnventariseerde doos in de kelder, afkomstig van Eli’s advocaat. En wat bleek? Alle stambomen die Eli had gemaakt zaten erin, aangevuld met talloze argumenten die zijn advocaat kon gebruiken. Hij had er zoveel werk van gemaakt! In de brieven aan zijn advocaat stond ook dat hij aan een soort oogverlamming leed, misschien was dat wel door het turen naar de kleine lettertjes.’

‘Ook de omschrijving van hun gezichten – ‘hun Moorse uiterlijk’ – moest de nazi’s overtuigen’

Uiteindelijk heeft al die inspanning niet geholpen, Eli d’Oliveira is net als de meeste anderen van de Portugezen-lijst in 1944 op transport gezet en in Auschwitz vermoord.

Hoe zijn de kinderen van Eli uit de oorlog gekomen?

‘Zijn dochter Elsa is op miraculeuze wijze uit Westerbork weg gekomen en zij heeft daarna een enorm rijk leven gehad, ze is arts geworden, had veel patiënten en was actief in veel clubs. Zoon Jaap heeft het moeilijker gehad, hij had een moeizaam huwelijk en was een ingewikkelder persoonlijkheid. Het gezin van Jaap was wat rommeliger, nogal vrijgevochten. Zijn dochter van vijftien kreeg bijvoorbeeld een relatie met haar leraar en dat werd niet alleen gewoon gevonden, de man kwam ook bij hen in huis wonen. En dat in de jaren vijftig!’

Elsa ging na de oorlog meermalen naar Israël, maar voelde zich niet joods in religieuze zin. Haar dochter Suzanne Pereira is inmiddels lid van de Portugees-Israëlietische Gemeente en haar dochter Berthe is orthodox joods geworden en trouwde vorig jaar in de Portugese synagoge, op dezelfde plek waar Moseh d’Oliveira 337 jaar eerder in het huwelijk trad.

Ulli d’Oliveira verhoudt zich op zijn eigen, speciale manier tot het jodendom, hij moet er net als zijn grootvader niets van hebben. ‘Toch speelt die oorlog wel een belangrijke rol in zijn leven en anderen wijzen hem regelmatig op zijn achtergrond’, zegt Cohen. ‘Vanwege zijn joodse achternaam wordt hij door de buitenwereld als joods gezien. Maar hij heeft niets met religie en ook niets met Israël bijvoorbeeld. Als ik het analyseer heeft hij op een bepaalde manier wel een joodse identiteit omdat hij de oorlog en zijn opa Eli zo bewust heeft meegemaakt. Hij was een lastig jongetje en ging elke week bij zijn grootvader langs die ook pedagoog was en die een goede invloed op hem had. Tijdens lange wandelingen voerde hij gesprekken met zijn kleinzoon. Ulli keek op tegen Eli. Dat die man zomaar werd vermoord heeft een enorme impact op hem gehad.’

De onontkoombaarheid van je identiteit is wel een belangrijke lijn in uw boek.

‘Er zijn drie elementen die door het boek heen spelen: de joodse afkomst, de Spaans-Portugese afkomst en het integratieproces in de Nederlandse samenleving.’

Maar toen puntje bij paaltje kwam had Eli niets aan die integratie, want hij werd op een lijst gezet en gedeporteerd.

‘Dat is ook het schrijnende. Van al die generaties redde degene die het meest was geïntegreerd het niet. Want dat was Eli. Hij was de eerste in acht generaties die zich had uitgeschreven bij de Portugees-joodse gemeente en juist hij werd om zijn joodse afkomst vermoord.’

Wat leert ons dat?

‘Dat die afkomst inderdaad onderdeel van je blijft, ook al wil je dat eigenlijk niet. Je kunt je niet helemaal van je achtergrond ontdoen. Kijk naar mij, ik ben niet joods maar ik heb een enorm joodse achternaam, dus ik word vaak zo gezien. Het maakt op die manier toch deel uit van mijn identiteit.’ (Jaap Cohen is de zoon van oud-burgemeester Job Cohen.)

Maar u hebt toch een joodse vader? Uw grootouders van die kant hebben ook de oorlog meegemaakt en familie verloren?

‘Ik ben niet religieus, ik ben vroeger nooit in de synagoge geweest. Maar door mijn naam en familieachtergrond speelt het toch mee en maakt het deel uit van wie ik ben.’

Uw grootvader werkte toch ook hier toen het Niod nog Riod heette?

‘Ja. Hij werkte hier vrijwel vanaf de oprichting na de oorlog. Hij wilde dit instituut goed inrichten, hij heeft daar hard voor gewerkt, ik heb ook over hem geschreven.’

Was het uw grootvader die u inspireerde om deze thema’s te onderzoeken?

‘Ik herinner me dat ik als kind met een cassetterecorder naar mijn opa en oma ging om hen te interviewen. Vervolgens hield ik op school spreekbeurten over de oorlog. Mijn grootouders lieten ook de gele sterren zien die ze in de oorlog moesten dragen en gaven die aan mij en mijn zusje. Zeker ben ik door hen geïnspireerd, mijn opa en oma vonden het belangrijk om door te geven wat ze hadden meegemaakt.’


Jaap Cohen, De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira (Querido, 608 blz., € 32,50)

Beeld: (1) Afbeeldingen uit Arie de Froe’s rapport ‘Die Anthropologie der sogenannten portugiesischen Juden in den Niederlanden’, 1943 (Foto’s Jaap D’Oliveira / Collectie Niod)