Van nep naar waar gebeurd en vice versa

Memoires zijn een populair literair genre geworden. Vroeger publiceerden alleen gevestigde schrijvers memoires, nu leer je het in de workshop creatief schrijven.

Redelijk in het begin van Just Kids, de memoires waarvoor Patti Smith het afgelopen jaar de National Book Award won, zit een frappante opmerking, niet alleen over Smith, maar over de aard van haar boek: New York, jaren zestig. Smith is zonder geld, zonder spullen en zonder logeeradres naar de grote stad gereisd ‘in the pursuit of art’, wat dat ook mag zijn. Het is zomer. Ze ontmoet een jongen die nog glazig voor zich uit staart, een staartje LSD. In het park vindt ze twee kwartjes, waarvoor beiden koffie, toast met jam en een omelet halen. 'Fifty cents was real money in 1967.’ Hij zwijgt en zij praat, over haar jeugd, over waar ze opgroeide, hoe ze over haar ouders denkt, over haar zus. Ze is verbaasd hoe makkelijk ze het vindt om tegen hem te praten, en wat een genoegen het haar geeft haar familie en haar geschiedenis in een verhaal te vangen. Door haar geschiedenis te vertellen trekt ze hem haar leven in, zegt ze, en duwt ze haar soms harde jeugd haar leven uit.
Daarin schuilt de kern van de memoires, misschien wel het populairste literaire genre van de laatste jaren. In de Verenigde Staten noemen ze het memoires, in Nederland wordt het vaak iets meer eufemistisch aangeduid als 'autobiografische roman’. Vroeger publiceerden alleen gevestigde schrijvers memoires, waarin ze door hun literair talent een misschien meer alledaagse levenservaring onalledaags presenteerden; zeker in de Angelsaksische wereld schreven veel al dan niet gepensioneerde politici en bestuurders memoires waarin ze eens konden vertellen 'hoe het echt zat’.
Dat is niet langer het geval; wie ergens een workshop creatief schrijven volgt, krijgt te horen dat je 'moet schrijven wat je weet’ en dat je op 'autobiofictie’ moet mikken. Binnen de cultus van de bekendheid, waarin we alles van ze willen weten, schrijven sterren hun memoires, en in de gedemocratiseerde media vinden niet-bekendheden ook dat ze recht hebben op hun memoires. Geen levenservaring? Geen probleem! Bent u nooit gedumpt, bent u nooit gescheiden? Nooit anorexia overwonnen of vijftien kilo afgevallen? Leeft uw hond nog? Nooit een marathon gelopen, nooit een alp beklommen in slecht weer? Bent u geen hippe man in de grote stad die, help, vader wordt? Bent u niet opgegroeid in een protestants, katholiek, islamitisch, socialistisch, kapitalistisch, naturalistisch, grootsteeds, agrarisch milieu?
Schrijf uw memoires en zet het van u af!
Just Kids is een boek van een zeldzame kwaliteit, waarin Smith helder over verloren liefde schrijft zonder ooit larmoyant te worden, maar op een manier dat je snapt waarvoor ze de gore hotelkamers, bedden vol luizen, junkies en armoede trotseerde. Iets anders treft je misschien nog wel net zozeer: dat Patti Smith dit boek verdiend heeft. Ze heeft voorop gelopen in een tijd die nu verdwenen is, waarin getalenteerde, vrije zielen bij elkaar kwamen in New York en waarin haar liefdesobject Robert Mapplethorpe aan kunst en liefde ten onder ging. Ze heeft, kortom, iets echts meegemaakt.
In de recent verschenen studie Memoir: A History schrijft de Amerikaanse hoogleraar Ben Yagoda dat alle fictie begon als memoires, namelijk als 'neppe memoires’; al in de achttiende eeuw deed Daniel Defoe alsof Robinson Crusoe waar gebeurd was, en later, in Moll Flanders, deed Defoe alsof hij het niet had geschreven maar slechts geredigeerd. De moderne 'memoir boom’ begon volgens Yagoda in 1989 met This Boy’s Life van Tobias Wolff, over zijn moeilijke jeugd als zoon van een rondreizende, alleenstaande moeder. Van de lezers kon je verwachten dat ze vergevend waren; wat telde was dat de schrijver een confessie deed, iets opbiechtte, en dus was zijn oprechter trouw belangrijker dan of hij elk feitje juist had. En in het anderhalve decennium daarna konden memoires verschijnen in rare afwijkende vormen (Joan Didions The Year of Magical Thinking), zelfs als debuutpublicatie (Dave Eggers, A Heartbreaking Work Of Staggering Genius), waarin sentimentele authenticiteit de enige maatstaf leek te zijn. Met een beetje shocking autobio had je, in de VS, al een voorschot te pakken van zes cijfers, zo ook de inmiddels beruchte James Frey, die in 2003 debuteerde met A Million Little Pieces, een hypergestileerd verslag van zijn drugs- en alcoholverslaving, dat direct de bestsellerlijsten beklom, mede geholpen door Oprah Winfrey die het uitriep tot haar 'boek van de maand’.
De werkelijkheid wilde, o ironie, dat Frey’s memoires niet echt bleken, of ten minste op een aantal plekken waren aangedikt. Live bij Larry King werd Frey ontmaskerd; bij Oprah verscheen Nan Talese, de beroemde uitgever die schoorvoetend toegaf dat ze niets had gedaan om Frey’s feiten te controleren, en Frey zelf, arme Frey, die had de toorn van Oprah te pakken zoals zelden te zien was ('You lied, James, you lied’). Het genre kreeg een maand later verdere tikken, toen werd ontdekt dat de hippe, androgyne, HIV-positieve J.T. ('James Terminator’) Leroy, auteur van een aantal door de beau monde omarmde autobiografische romans over kindermisbruik en drugsverslaving, in feite Laura Albert was, een huisvrouw van middelbare leeftijd uit een workshop creatief schrijven.
De reactie van Oprah’s Bookclub was veelzeggend, schrijft The New Republic-recensente Ruth Franklin in haar zojuist verschenen studie naar holocaustliteratuur A Thousand Darknesses: Lies and Thruth in Holocaust Fiction, want welk boek koos Oprah om haar geloofwaardigheid, en dat van het door haar geliefde genre van de memoires, weer in ere te herstellen? Het werd Nacht, de Auschwitz-memoires van Nobelprijswinnaar Elie Wiesel. De keuze was een sprong terug, naar een tijd dat memoires nog unieke verhalen vertelden, van gebeurtenissen die zo intens waren dat fictie niet toereikend was om de ervaring naar de lezer te vertalen. Een tijd van ver voor de memoires-inflatie. Nacht verscheen in het Engels in 1960 en werd door de media direct ontvangen als het meest authentieke document dat uit de holocaust voortkwam. Het is het verhaal van de jonge Eliezer, die na de Duitse inval van Hongarije in 1944 samen met zijn vader naar Auschwitz wordt gedeporteerd, waar vader en zoon dwangarbeid, mishandeling, ziekte en ondervoeding overleven, en als het Rode Leger nadert door de sneeuw naar Buchenwald moeten marcheren. Vlak voor de bevrijding bezwijkt de oude vader dan toch en verliest de jonge zoon zijn geloof, als hij andere joden Rosh Hashanah hoort vieren: 'Blessed be God’s name? Why, but why would I bless Him? Every fiber in me rebelled. Because He caused thousands of children to burn in His mass graves? Because He kept six crematoria working day and night, including Sabbath and the Holy Days?’
Bij zijn verschijning in het Engels werd de waarde van het werk meteen erkend. De eminente criticus A. Alvarez schreef in Commentary dat je Nacht niet als literatuur moest beschouwen, maar dat het als 'menselijk document’ 'certainly beyond criticism’ was. In de decennia die volgden groeide Elie Wiesel uit tot de voornaamste holocaustoverlever (hij kreeg de Nobelprijs voor de vrede, niet voor de literatuur) en kon iedereen die schreef dat Nacht een 'roman’ was een verbale oorveeg van hem verwachten: 'Een roman over Auschwitz is geen roman, anders gaat het niet over Auschwitz.’
Met deze defensieve houding, schrijft Franklin, sprak Wiesel een verbod uit over de verbeelding van de holocaust, in films, in romans. Dat is merkwaardig, volgens Franklin, omdat Nacht in opzet en stijl meer weg heeft van een roman dan van non-fictie. Ze illustreert dat handig; ze vergelijkt de teksten van de oorspronkelijke, veel langere Jiddische versie met de ingedikte Franse vertaling. Wat opvalt is hoe symbolen en gebeurtenissen zijn aangezet, dat verschillende personages zijn samengevoegd tot één. Gekker nog, Wiesel spreekt inmiddels zelf het sleutelmoment van zijn eigen memoires tegen: hij zou zijn geloof nooit hebben verloren, een rare ontkenning van een sleutelscène in het boek, die nota bene is uitgegroeid tot een essentiële scène binnen het filosofische en theologische discours rond de vraag: 'Waar was God tijdens Auschwitz?’ De twee uitersten staan in de speciale uitgave voor Oprah’s Bookclub ironisch genoeg bij elkaar; de scène waarin hij God afzweert, en, als appendix, Wiesels dankwoord aan de Nobelprijs-commissie, waarin hij begint met God te danken.
Kan dat, dat de schrijver en de ik-persoon van zijn memoires niet dezelfde persoon zijn? Waar het mee te maken heeft, betoogt Franklin, is dat we memoires nu eenmaal anders lezen dan romans. We lezen een getuigenis, en door het gegeven dat het om een feit gaat, schakelen we ons kritisch vermogen in meer of mindere mate uit. Het verhaal hoeft ons niet te overtuigen, dat doet het etiket 'non-fictie’ op het omslag al.
Een pakkend voorbeeld is Thomas Keneally’s beroemde 'non-fictieroman’ Schindler’s Ark, dat twee dagen nadat het in 1982 verscheen al de Booker Prize won. Het verhaal van Schindler, zo ging de consensus onder recensenten, was te simpel, te voor de hand liggend om überhaupt geloofwaardig te zijn in een roman. Als de dan nog opportunistische zakenman Schindler zijn joodse boekhouder Itzhak Stern voor het eerst ontmoet, citeert deze het talmoedische gezegde 'Hij die een leven redt, redt de hele wereld’; het gezegde duikt opnieuw op aan het einde van het boek, als de door Schindler geredde joden hem bedanken met een gouden ring waarin de spreuk is gegraveerd. Zulk soort symmetrie in een roman is onmogelijk, te gezocht, zoals het talmoedische gezegde te clichématig is; bij fictie zouden recensenten eroverheen vallen, maar de recensenten wisten dat Schindlers verhaal waar gebeurd was, Keneally had jarenlang research gedaan, had meer dan vijftig overlevende 'Schindler-joden’ geïnterviewd. Een criticus van Times Literary Supplement vatte de ambivalentie samen: 'Schindler’s Ark verdient het om de Booker te winnen - zolang het geen roman is.’
Zou Schindler’s Ark als fictiewerk ongeloofwaardig zijn? Elk goed boek draait om geloof: geloof je de auteur? Op het moment dat de lezer aan de memoires begint, is die vraag al beantwoord: we kiezen om te geloven, en daarmee kiezen we ervoor om erin te tuinen.