De opkomst van de teamroman

Van neurose naar netwerk

In het voetspoor van Douglas Coupland is eind vorige eeuw een nieuw literair genre ontstaan: de teamroman. Niet langer is het gekwelde individu de hoofdpersoon, maar de groep.

Stel me de vraag en ik zeg: The Sopranos van Alan Warner. Dat is wat mij betreft veruit de fraaiste, amusantste en boeiendste roman van het vorige decennium van de vorige eeuw. Voor wie het boek nog niet kent, het bevat de volgende ingrediënten: Schotland, een groep zestienjarige meisjes, een schoolbus naar Edinburgh, een nationale korendag. De scholieren zitten op de katholieke school Our Lady of Perpetual Succour, ze wonen in hetzelfde kustplaatsje — vermoedelijk Oban — en ze haten de nonnen van school, hun ouders en hun leven. Allemaal, op hun eigen manier.

So far, so good. Als ze diep in de nacht, na een mislukte uitvoering, terugkeren in de stilte van hun plattelandsplaatsje, is voor elk van hen het bestaan radicaal veranderd. Allen zullen de volgende ochtend van school worden gestuurd, en dat betekent dat hun jeugd voorbij is en de treurige voorboden van de volwassenheid kunnen beginnen. Manda is — eindelijk — zwanger, Fionulla blijkt lesbisch, de doodzieke Orla heeft een vriendje en de slimme zangeres Kylah heeft haar twee bandleden de wacht aangezegd. Dus op naar The Mantrap om de matrozen van de onderzeeboot te versieren. Vannacht kan het nog. «Know what we should do? We should make-it an allnighter.»

The Sopranos is niet alleen zo'n boeiende roman vanwege die zeer moderne confetti van stijlen (toneel, dagboek, filmscript, vertelling) verpakt in een klassieke dramavorm (alles speelt zich af in 24 uur), maar vooral omdat het boek geen echte hoofdpersoon bevat. Of, beter gezegd: er is niet een enkele protagonist aan te wijzen. Bijfiguren zijn er voldoende, en makkelijk aan te wijzen — van de zusters Condrom en Fagan tot de buschauffeur — maar de vijf sopranen en die ene tweede stem doen niet voor elkaar onder. Kay, Fionulla, Orla, Mandra, Chell en Michelle: allen nemen ze een vrijwel even belangrijke plaats in de roman in.

In feite, zo valt te beredeneren, vormen alle zes schoolmeisjes gezamenlijk de hoofdpersoon van The Sopranos. Ze functioneren als een geheel — als een abstracte zeskoppige hoofdpersoon. Met dit alles voegt Alan Warner zich naar een modern maatschappelijk fenomeen — het team. Eerder al (De Groene, 9 juni 1999) beschreef ik hoe «het team» de jaren negentig heeft bepaald — van operatie Desert Storm tot Louis van Gaals Ajax. Personen en organisaties opereren niet meer alleen of in anonieme massaverbanden, maar in tijdelijke, snelle, amorfe verbintenissen met een specifiek doel. «Hoe kun je deel uitmaken van een gemeenschap, terwijl je niet wilt opgaan in de massa? Antwoord: het team. Wil je op een internationaal kantoor werken, je onderscheiden maar niet in alle eenzaamheid je dagen slijten? Join the team.» Met de opkomst van het team lijkt de voortschrijdende individualisering een halt te zijn toegeroepen, terwijl er tegelijkertijd niet wordt teruggegrepen op het massale algemene wij-gevoel van de jaren vijftig. Elk team verschilt van andere teams, maar de individuele leden binnen een team moeten allemaal — tijdelijk — aan de doelstellingen en het systeem van de groep gehoorzamen.

En inderdaad, zo opereren de zes Schotse schoolmeisjes uit The Sopranos. Hoewel Fionulla, Kay, Chell, Manda, Orla en Kylah van elkaar verschillen als dag en nacht, zijn hun korte-termijndoelen dezelfde: zo snel mogelijk dronken worden, zo vaak mogelijk bollocks roepen, van school weg zien te komen. En vooral: nog het laatste restje van hun jeugd in alle hevigheid beleven, voordat de grauwsluier van de volwassenheid over hen valt — een volwassenheid die in hun geval zal bestaan uit ongehuwd moederschap in bordkartonnen flatjes en kinderen van vier verschillende vaders. «Teera leera LAVY! they all bawled, laughing, looked at each other and none appearing much worse for wear as the day’s sun came silvering over the bay and the tips of the back country hills, already in full summer flush in this time of their lives» — zoals het bitterzoete einde luidt.

Alan Warner is niet de eerste en enige auteur die in de jaren negentig als hoofdpersoon een team portretteert. In Natasha Gersons Plaatstaal (1995) worden enkele jaren uit het leven van een groep krakers beschreven. Het boek beschrijft het uit elkaar vallen van de krakersgroep, en daarbij zijn de handelingen, verhalen en ideeën van Chris, Jo, Ellen en Gaby van even groot belang.

Een ander voorbeeld van zo'n Nederlands teamboek is Arnon Grunbergs Figuranten uit 1997. Deze slapstick-roman vertelt de avonturen van Ewald Krieg, Elvira en Broccoli in de dagen dat ze nog in Amsterdam woonden, onbelangrijk waren en droomden van het grote succes. Voortdurend richt de schijnwerper zich op een van de drie — nu eens op Elvira en haar verhaal over de Zuid-Amerikaanse bontjassenhandelaar die haar een hoofdrol in de film gaf, dan weer op Broccoli (geboren Eckstein) die vertelt over zijn konijn dat werd doodgeslagen met de stofzuiger, of op Ewald die dagelijks in een treurige uitvoering van de Vuurvogel moet spelen.

Verschillende critici hebben Figuranten een soap genoemd, en dat is niet verwonderlijk. De roman heeft een zeer merkwaardig spanningsverloop. Na de introductie van de hoofdpersonen en de eerste tragikomische avonturen waarin de drie op zoek gaan naar het grote succes (« ‹Dit is een belangrijke dag›, zei Broccoli. ‹Ik heb besloten dat we Churchill-sigaren gaan roken.› ») volgt een hilarische scène waarin de vader van Broccoli, meneer Eckstein, arriveert om een onheils tijding voor zijn zoon te brengen: huize Broccoli wordt verkocht en de geldtoevoer gestaakt. Die boodschap durft de oude Eckstein niet rechtstreeks over te brengen, en dus zwerven de drie mannen ’s nachts rond in de oude auto van Broccoli, cognac drinkend in een strandcafé, waarna ze de opgelaten, wanhopige, dronken Eckstein een straathoertje laten bezoeken en de laveloze en uitgeputte man naar huis brengen (dat al grotendeels ontmanteld blijkt te zijn). Het virtuele slot van dit knappe, ontoerende en zeer grappige verhaal is de daaropvolgende scène, wanneer alle personen afscheid nemen van Broccoli’s vader en moeder op het station en de volledige waarheid tot hen doordringt: dit is het einde van het joodse geslacht Eckstein in Nederland, en voor Elvira, Ewald en Broccoli tegelijkertijd het einde van de zorgeloze tijd tussen jeugd en volwassenheid

Het boek is dan nog maar halverwege en heeft in feite z'n kruit al verschoten. Vanzelfsprekend dat de spanning wegebt en het verhaal meandert en nooit meer tot een waarachtig hoogtepunt komt. Het wordt een soapverhaal, vol loze cliffhangers en schijnspanningen, schijnbaar zonder doel, zonder koers. Ik kan alleen maar gissen naar Grunbergs uiteindelijke bedoeling: was hij zijn tijd ver vooruit, met deze fladderende soapstructuur, of heeft hij zich vergist in de opbouw van Figuranten, zoals zoveel tweede-romanschrijvers?

Belangrijker nog misschien: waar komt deze plotselinge eruptie van teamromans in de jaren negentig vandaan? En waar liggen hun wortels? Natuurlijk zijn er voor 1990 diverse romans verschenen waarin verscheidene hoofdpersonen of vertellers ten tonele worden gevoerd — van de Kapellekensbaan van Louis Paul Boon tot Under Milkwood van Dylan Thomas — maar nooit treden deze multi-hoofdpersonen als team op. Altijd zijn het individuen of — in het geval van Boon — verschillende gedaanten van dezelfde persoon. Soms zijn het ook niet meer dan verschillende perspectieven op dezelfde gebeurtenis, zoals in De Metsiers van Hugo Claus.

Een deel van het geheim van de teamroman zit wellicht in de eerdergenoemde soapinvloed. Televisie — en vooral de Amerikaanse variant — is een bedrijfstak die noodgedwongen een vinger aan de pols van de samenleving moet hebben; veel meer dan de literatuur. En wie de televisiegeschiedenis van de afgelopen decennia de revue laat passeren, ziet dat er in de soaps en sitcoms langzamerhand een verschuiving is opgetreden. Waar in de jaren zestig en begin jaren zeventig nog voornamelijk families werden geportretteerd — van Bonanza tot All in the Family — stond vanaf halverwege de jaren zeventig steeds vaker het werk centraal in series als M*A*S*H, Taxi en Hill Street Blues. Deze maakten op hun beurt weer plaats voor de successen van de jaren negentig, zoals Seinfeld, This Life en Friends. In deze laatste series is de onderlinge band tussen de personen uiterst vaag geworden. Waar ze elkaar van kennen weet niemand meer precies, maar ze wonen vlak bij elkaar, en daar moeten we het maar mee doen. Hoewel toeval hier een enorme rol speelt, is de band tussen de personen zeer intens. Familie noch werk speelt een grote rol — het zijn vrienden en vreemden met wie je alles deelt: van je seksleven tot je sokken.

Aan dit laatste is met enige fantasie de invloed te zien van een van de belangrijkste schrijvers van teamromans: Douglas Coupland. In al z'n romans staat een groep jonge mensen centraal die gezamenlijk opgroeien en een vrijwel identieke ontwikkeling doormaken: van de drie McJob-verhalenvertellers uit Generation X tot de vijf software-entrepeneurs in Microserfs en de laatste-mensen-op-aarde in Girlfriend in a Coma. Het is Coupland die voor het eerst liet zien dat vrienden de rol van familie hebben overge nomen, dat het vertellen van verhalen een van de belangrijkste overlevingsmechanismen is, en dat het mogelijk is met een groep geestverwanten een gezamenlijke ontwikkeling mee te maken. Met als uiteindelijke doel een persoonlijke transformatie — van «ik» naar «wij», in ieder geval naar een ander «ik». De flaptekst van Microserfs laat er al helemaal geen gras over groeien: «They stick a piece of dynamite inside themselves, like a cartoon cat, in the hopes that they will be somebody different.» Kan het postmoderner?

Als we eerlijk zijn is Coupland natuurlijk de onbetwiste grondlegger van het teamroman-genre. Het gevoel samen voor een taak te staan, samen een ontwikkeling door te maken, wordt pas echt zichtbaar in de literaire wereld met Couplands debuutroman uit 1991, Generation X. Niet dat hij de allereerste was. Er zijn voorlopers. Maar die komen niet in de canon voor. Het zijn namelijk jeugdboeken als De vijf van Enid Blyton en de Bob Evers-serie van Willy van der Heide (Tumult in een touristenhotel). Ook in deze jaren-vijftig jeugdliteratuur gaat het om een vrij willekeurige, amorfe groep personen (pubers) die tijdelijk een specifiek doel nastreven — of het nu gaat om het opsporen van een gestolen parelsnoer, of het overleven op een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee.

Het zou zeker in het postmoderne gedachtegoed van Douglas Coupland en Arnon Grunberg passen om cultfenomenen als Bob Evers en Pitty-op-kostschool, Taxi of Hill Street Blues tot hun invloeden te rekenen. Maar deze schatplichtigheid laat tegelijkertijd zien wat het grote verschil is tussen teamromans en de «klassieke» roman. Doordat er niet een enkele hoofdpersoon is van wie we de ontwikkeling volgen, verlaat de roman het terrein van de psychologie en richt zich op — om maar eens een afzichtelijk woord te gebruiken — groepsprocessen. In teamromans is geen plaats voor de eenzame strijd van adolescenten als Frits van Egters of midlife-tobbers als Humbert Humbert. Het gaat immers in teamromans nooit om het geworstel van de individuele ziel, maar om de relatie van de groepsleden ten opzichte van elkaar, en van de groep als geheel tegenover de rest van de wereld. Van psychologie naar microsociologie, zo zouden we deze ontwikkeling kunnen benoemen. En daarmee is ook beantwoord waarom de teamroman pas in de jaren negentig doorbrak. Het is een logisch gevolg — en tegelijkertijd een artistieke reflectie — op de network society, zoals socioloog Manuel Castells die het afgelopen decennium zag ontstaan. Van Generation X kunnen we zelfs zeggen dat het een van de wegbereiders is geweest van deze postmateriële netwerkgemeenschap.

Dit alles is duidelijk te zien als we een van de klassieke hoofdpersonen van de individu-roman, Holden Caulfied uit The Catcher in the Rye, plaatsen tegenover de zes sopranen van Alan Warner. Die vergelijking is niet zo vreemd, want in beide boeken gaat het om pubers die op het punt staan de wereld der volwassenen te betreden. De overeenkomsten zijn talrijk: het van school afgetrapt worden, de naïeve zwerftochten door de grote stad, het overmatige alcoholgebruik, de voorkeur voor het duister van de nacht en de beschrijving van volwassenen als onechte, phoney people. Warner moet bij het schrijven van The Sopranos op een of andere manier het boek van J.D. Salinger in z'n achterhoofd hebben gehad — of het nu was om zich aan te spiegelen, of om zich tegen af te zetten

Het grote verschil toont zich in de manier waarop beide romans zijn opgebouwd — en de werking die ze hebben. Bij The Catcher in the Rye vinden alle gebeurtenissen plaats via die ene persoon, Holden Caulfield. En er gebeurt nogal wat met Holden in die donkere decemberdagen — van school gestuurd, knokpartij met medeleerlingen, van z'n geld beroofd door een hotelhoertje, onzedelijk betast door z'n favoriete leraar, de levensgrote teleurstelling die hij z'n vader zal bezorgen. Alles wat Holden overkomt, overkomt de zes sopranen van Our Lady of Perpetual Succour min of meer ook — maar dan evenwichtig verdeeld over de diverse koorleden. Niet een van de meisjes hoeft alle problemen tegelijkertijd te dragen: noch de zwangerschap van Manda, noch de verloren vriendschappen van Kay, het incestverleden van (Ra)Chell, de dodelijke ziekte van Orla of de homoseksualiteit van Fionulla. Daardoor kun je als lezer de puzzelstukjes van de groep op je eigen ma nier in elkaar schuiven en hoef je je minder te richten op de psychologische ommekeer van die ene persoon in die extreem uitzonderlijke situatie. De aandacht richt zich vooral op de manier hoe er gereageerd wordt op de pro blemen in de groep en hoe ervaringen gedeeld worden. En daardoor verschuift het accent van de pure individuele psychologische ontwikkeling naar de micro-maatschappelijke.

Het is al vaker gezegd: de geest van Marx en Engels zweefde over de literatuur van de negentiende eeuw — van Zola tot Multatuli — en die van Freud over de literatuur van de vorige eeuw. Als we die lijn doortrekken zal de komende eeuw in het teken staan van Manuel Castells en zijn ideeën over de network society. Van Bildung naar binding. Van neurose naar netwerk.

Of de teamroman dé dominante literaire vorm van de komende eeuw zal worden, is natuurlijk de vraag. Daarvoor is de literaire gemeenschap, zo is mijn ervaring, in het algemeen te reactionair; behoudender dan wel ke andere cultuurvorm dan ook, met uitzondering van drogenaald-etsen en Grieks-Romeins worstelen.

Misschien goed, want daardoor kunnen we zonder enige aanpas sing of gêne Misdaad en straf van Dostojevski of Een liefde van Lodewijk van Deijssel lezen. Tegelijkertijd blijven geschreven verhalen daardoor wel erg lang steken in de romantische notie van het gekwelde individu met al zijn strubbelingen en tobberijen. Misschien moeten we die functie in de nabije toe komst maar aan Villa Felderhof en Rondom tien overlaten. Scheelt ook een hoop papier.