Van non-place to place

Nederland staat bekend om zijn sterke planningstraditie. We zijn goed in het componeren van grote samenhangende stedelijke ensembles. Daarmee wekken we de indruk de chaos te bedwingen die stedelijkheid eigen is. De voorbeelden zijn bekend: de grachtengordel, het Plan-Zuid van Berlage, grote gethematiseerde Vinex-wijken als Kattenbroek.

Medium schermafbeelding 2013 08 29 om 19.55.26

De grachtengordel is dankzij deze samenhang Unesco Werelderfgoed geworden. En we kunnen het nog steeds: het nieuwe centrum van Zaandam, met winkels, stadhuis en hotel allemaal in een cartooneske Zaanse stijl, is - wat je er verder ook van mag vinden - absoluut een samenhangend stedelijk ensemble.
Als je naar de grotere schaal kijkt, dan is heel Nederland in wezen een geregisseerd en samenhangend ensemble, met zijn terpen en daarna de dijken en daarna de Deltawerken. Als we dit landschap niet konden dresseren, dan konden we hier niet leven.
Geen wonder dat onze steden zo ordelijk zijn, en daarmee ook vaak zo saai. Dat ordenen, beheren, beheersen was eerst pure noodzaak en is ons vervolgens in de genen gaan zitten.

Tegelijkertijd oefenen de kieren en spleten in die ensembles een onweerstaanbare aantrekkingskracht op ons uit. Als alles zo af is, ga je vanzelf verlangen naar de imperfectie. Iedereen die geïnteresseerd is in planning, is net zo geïnteresseerd in de plekken waar de planning faalt of waar zij geen grip op heeft: de zogenaamde PLOAPS, places left over after planning. Een van de mooiste die ik ken is het hoekje aan de Herengracht bij Castrum Peregrini: de bebouwing loopt rechtdoor maar de gracht maakt een bocht. Je houdt een raar schuin hoekje over en een vreemd gevormd stukje stoep. Niks bijzonders, totdat je je afvraagt hoe dat zo gekomen is, en daarin ineens de spanning verbeeld vindt tussen het geplande en het onvoorziene.

Medium fake estates5802

De eerste die bij mijn weten hier de kunstzinnige aantrekkingskracht van onderkende, was de Amerikaanse kunstenaar Gordon Matta Clark. Begin jaren zeventig ontdekte hij dat de stad New York allerlei overgeschoten stukjes stoep en onbereikbare miniperceeltjes midden in een bouwblok bij opbod verkocht om er tenminste nog iets aan te verdienen. Hij heeft in totaal vijftien van deze tussenruimtes gekocht, bijna allemaal in de wijk Queens, die hij zijn ‘fake estates’ noemde. Er is een film gemaakt waarin we hem door de stad zien dwalen, op zoek naar zijn haast onzichtbare, onvindbare ‘landgoederen’.
In 2005 organiseerde het Queens Museum of Art een retrospectief over zijn werk. In The New York Times benoemde de criticus Michael Kimmelman Matta Clarks fascinatie voor ‘de topologie van de afwezigheid’: ‘His broader interest was in inaccessible, forlorn spots: in the spaces inside walls, in ambiguous, in-between places around the city that are left over by bureaucratic neglect or fiat, and that go unnoticed or that can’t actually be seen. They awaited his intervention, through which people might picture the city afresh, might reconsider notions of property and ownership and social exchange - the forces that govern our lives.’
Helaas overleed Matta Clark al op 35-jarige leeftijd, zonder veel met zijn curieuze bezit te hebben kunnen doen. Maar een kiem was gezaaid, die nu in Amsterdam met Tussen-ruimtetot bloei komt.

Stegen zijn tussenruimtes die horen bij het rijk van het onvoorziene, ze belichamen het onberekenbare in de stad. Niet voor niets werden bij de aanleg van het laatste en chicste deel van de grachtengordel stegen en poorten uitgebannen. Zoals historicus van de grachtengordel Jaap Evert Abrahamse het vorige week zo eloquent verwoordde bij de opening van de tentoonstelling van Tussen-ruimte in Castrum Peregrini, werden stegen beschouwd als oorden van verderf - letterlijk eng, waar van alles gebeurde wat het daglicht niet kon velen. Zoals die ene steeg op de Wallen die amper breed genoeg is om recht vooruit te kunnen lopen - de ramen in die steeg zijn heel populair. Daar is goed de onderbuik van de stad te voelen die altijd onder de statige samenhangende stedelijke ensembles blijft borrelen.

De Franse filosoof Marc Augé heeft een ander begrip gemunt om de anti-planning te duiden: non-places. Hij bedoelde daarmee eigenlijk neutrale, generieke ruimtes als de snelweg, het vliegveld, de supermarkt. Het project Tussen-ruimte geeft een nieuwe betekenis aan het begrip non-places. Dit zijn geen PLOAPS, places left over after planning, maar places left over during planning. De onderzoekers laten ons ruimten zien die we niet kenden, waarvan we het bestaan niet eens vermoedden, echte non-places die we nu dankzij een inrichting met bijvoorbeeld wit grind en lange wapperende doeken, of met geluid, ineens heel sterk als places ervaren. Hoe goed je de stad ook kent, deze tussenruimtes bieden een totaal nieuwe stedelijke ervaring. Je staat ook versteld hoeveel onbenutte, ongeprogrammeerde plekken er blijken te zijn in de Amsterdamse binnenstad, een van de dichtst bevolkte stedelijke gebieden ter wereld.

Dit project maakt de spanning tastbaar tussen enerzijds het zorgvuldig geplande waar we eer aan ontlenen en ontzag voor hebben - de grachtengordel - en anderzijds het spontane, ongeregisseerde, onvoorspelbare waar we ons toe aangetrokken voelen maar waar we ook een zekere angst voor hebben. Zeg maar de spanning tussen het nette en het stoute. Het geziene en het ongeziene. Het officiële en het overgeschotene.

Zo had ik nog nooit de stad gezien.


Tussen-ruimte opent tijdelijk stegen, binnentuinen en andere onbenutte plekken in de grachtengordel van Amsterdam, in samenwerking met kunstenaars en architecten. In augustus en september zijn deze ruimtes open voor publiek, vinden lezingen, presentaties en filmavonden plaats en is er een tentoonstelling over het project in Castrum Perigrini. Bovenstaand artikel is een weerslag van de eerste ‘Tussen-talk’ die Tracy Metz op 27 augustus hield.

tussen-ruimte.com

De Groene Amsterdammer over De grachtengordel ligt nu in de winkel. Tracy Metz schreef voor deze special het artikel Wonen in een stijlkamer.

Beeld 1: Jarrik Ouborg
Beeld 2: Gordon Matta Clark, fake estates (1973-1974)