De nieuwe beperkingen van politieke correctheid

Van onbenullige zaak tot nationale rel

De taboes van kerk en fatsoen hebben plaatsgemaakt voor die van groepsbelediging. Vrijblijvend aftasten is er niet meer bij. ‘Mensen vinden pas iets grappig als ze de intentie van de grappenmaker vertrouwen.’

Veertig jaar geleden bevrijdde de humor zich uit de ketenen waarin hij ruim twee­duizend jaar was opgesloten. Twee millennia had de kerk erop toegezien dat grappen binnen rechte lijntjes bleven. En eeuwen eerder hadden verlichte geesten als Plato en Aristoteles ons al geleerd dat humor een vorm van agressie of superioriteit was. Maar in de jaren zeventig werden vele taboes met flink rumoer doorbroken. Indien nodig werden komieken in hun sloopwerk gesteund door de wet. In 1972 werd de Amerikaanse komiek George Carlin bijvoorbeeld opgesloten, nadat hij op het Summerfest-festival zijn fameuze Seven Words You Can’t Say on Television-act had opgevoerd. Tot aan het Hooggerechtshof werd vervolgens Carlins recht bekrachtigd om shit, piss, enzovoort, te zeggen (mits na kinderbedtijd). Elders werden de stuiptrekkingen van de oude moraal gebruikt als reclame voor de nieuwe: ‘Monty Python’s Life of Brian: So funny it was banned in Norway!’

Achteraf gezien was die bevrijding van taboes een illusie, in ieder geval ten dele. Want waar er oude taboes zijn verdwenen, zijn er nieuwe opgetrokken. De belangrijkste daarvan betreffen grappen die een belediging kunnen zijn voor ‘marginale’ groepen in de samenleving: grappen over ras, sekse, geloof en handicaps zijn daarom suspect, maar ook grappen over lelijkheid, gewicht, winderigheid en ga zo maar door. Ontsprongen aan de burgerrechtenbeweging verspreidde deze ‘culturele sensitiviteit’, zoals voorstanders het noemen, zich vanuit de Verenigde Staten over de westerse wereld. De meeste mensen kennen het bij de term waarmee tegenstanders in de tegenaanval gingen: politieke correctheid.

Politieke correctheid bleek een veelzijdig instrument. Soms leende het zich voor de doelstellingen van de kerk, dan weer voor die van feministen, dan weer konden mensen zich erachter verschuilen die angst hadden voor ‘de ander’ – zoals in het geval van het gevoeligste onderwerp van onze tijd, de islam. Waar sommige komieken veertig jaar geleden voor de rechter werden gedaagd voor schunnigheid, worden andere nu gedaagd om belediging en bekrachtiging van vooroordelen. Zelfs de suggestie dat anderen vooroordelen zouden hebben, is zo beledigend dat het de Amerikaanse comedienne Sunda Croonquist voor de rechter bracht: haar schoonmoeder pikte het niet om in de shows van schoondochterlief te figureren als racistisch joods oudje. Politieke correctheid omlijnt zo de nieuwe grenzen van humor.

Maar politieke correctheid is meer dan rechtlijnige regels over wat mag en wat niet. Het draait er namelijk niet om of iets wel of niet gezegd mag worden – zoals de ‘zeven vieze woorden’ van George Carlin – maar veel meer om wie iets zegt. ‘Bij de frictie tussen politieke correctheid en humor gaat het erom wie de grap maakt, wie het onderwerp van de grap is en welke positie die in de samenleving heeft’, zegt Sam Friedman, een jonge Britse socioloog en comedy-recensent die jarenlang onderzoek deed naar humor. ‘Politieke correctheid betekent dat de grappenmaker altijd zorgt dat hij met zijn grappen naar boven schopt, niet naar beneden, anders zou hij bijdragen aan de sociale uitsluiting van degene over wie hij grappen maakt. Het publiek in westerse landen is eraan gewend geraakt om razendsnel een inschatting te maken wat de maatschappelijke positie van een grappenmaker is en wat zijn intentie is met een grap. Grappen over ras of handicaps vinden mensen prima, zolang ze gemaakt worden door iemand die zelf tot die groep hoort. Mensen vinden pas iets grappig, en voelen zich pas vrij om te lachen, als ze de intentie van de grappenmaker vertrouwen. Politiek correcte humor gaat daarom niet zozeer om de inhoud van de grap, als om de vraag of het publiek vindt dat iemand het recht heeft om die grap te maken.’

Politieke correctheid is een term met een prachtige etymologie. Ze stamt uit ruzies in de jaren veertig en vijftig tussen communisten en socialisten uit arbeiderswijken in het oosten van de Verenigde Staten. Socialisten gebruikten ‘politiek correct’ als neerbuigende term voor de slaafse volgzaamheid van communisten aan de ‘correcte’ politieke standpunten die vanuit ­Moskou werden verordonneerd. In de jaren zestig en zeventig werd de term afgestoft: binnen de wildgroei aan progressieve splinter­bewegingen werd ‘politiek correct’ nu als insider-grap gebruikt om met een knipoog aan te geven waar een bepaalde groep nu precies voor stond, en om aan te geven dat iemand rigide ideologische debatten met een korreltje zout nam. Een belangrijk begrip was ‘politiek correct’ nooit.

Dat veranderde in 1990. ‘The Rising Hegemony of the Politically Correct’, kopte The New York Times in oktober van dat jaar op een binnenpagina, boven een artikel over universiteiten. Rap werd het onderwerp door andere media opgepakt en binnen luttele weken stonden de Amerikaanse media er bol van. ­‘Thought Police: Watch What You Say’ zette Newsweek in koeienletters op zijn voorpagina, en de meeste andere media zaten op dezelfde lijn. Al snel bestormde het door een rechtse denktank gefinancierde boek Illiberal Education: The Politics of Race and Sex on Campus de bestsellerlijsten. Auteur Dinesh D’Souza (die onlangs nog in The Roots of Obama’s Rage uitlegde hoe Obama uit een soort oedipuscomplex probeert de VS te ruïneren) beschreef hierin hoe universiteiten ten prooi vielen aan een rabiaat multiculturalisme. Zelfs president George Bush sr. verklaarde zich in een toespraak voor studenten tegenstander van ‘een beweging die bepaalde uitdrukkingen verboden verklaart’.

‘Politiek correct’ staat sindsdien voor uit de bocht gevlogen progressief dogmatisme en het gedwongen opleggen van linkse ideologie in de publieke ruimte. Wie de term gebruikt, verklaart zich daar automatisch tegen. Een pro-politieke correctheidsbeweging is er namelijk niet: niemand werpt zich op als verdediger ervan. ‘Politieke correctheid’ is daarom een label dat alleen door critici wordt gebruikt, net als ‘politiek incorrect’, dat een kwaliteitslabel geworden is. Maar hoewel niemand de term ‘politiek correct’ verdedigt, bestaat het fenomeen dat ermee aangeduid wordt natuurlijk wel: de pogingen om via taal de sociale werkelijkheid in de Verenigde Staten te veranderen. Sinds 1990 is daar dan ook een debat over ontstaan dat nog steeds niet is uitgewoed.

De uitbarsting van 1990/91 was namelijk het gevolg van een groeiende spanning rond de erfenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Nadat zwarte activisten met succes wettelijke gelijkheid hadden bevochten en er een einde was gekomen aan de apartheid in het Amerikaanse zuiden bloeiden er allerlei andere ‘bevrijdingsbewegingen’ op in de jaren zeventig: vrouwen, homoseksuelen, indianen, Mexicanen en anderen betraden, tot ergernis van rechts Amerika, het terrein van de identity politics. Bovendien bleek dat gemengde scholen weliswaar waren afgedwongen, maar dat racisme daarmee niet verdwenen was. In progressieve kringen gistten allerlei ideeën over hoe die nieuwe sprong moest worden gemaakt. Een belangrijk idee leverde de zogenaamde ‘Sapir-Whorf-hypothese’, die stelt dat iemands gedachten en ideeën worden bepaald door zijn taal. Als racisme, vooroordelen en discriminatie worden bepaald door taal, was het idee, zijn die ook uit te bannen via taal. Via ‘cultureel-sensitieve’ taal, om precies te zijn, die individuen van mensen moest maken in plaats van stereotypen.

Een heel nieuw idioom begon zo in de jaren tachtig te ontstaan in bepaalde progressieve kringen. Secretaresses moesten wijken voor ‘gender-neutrale’ administratief medewerkers; binnen twintig jaar werden negers eerst zwarten, toen gekleurden, toen Afro-Amerikanen en daarna Afrikaans-Amerikanen. In bijvoeglijke naamwoorden bleek allerlei sociale agressie te schuilen: de _people first­-_beweging eiste dat eerst iemand als persoon werd genoemd en pas daarna zijn eigenschap. Geen blinde dus, en geen blinde man, maar een ‘man die blind is’ (mens eerst). Na de ontdekking van het neerbuigende karakter van kwalificaties als ‘blind’ werd het ‘een man met een visuele beperking’ en vervolgens ‘visuele uitdaging’. Aanhangers van dit emancipatie-via-taal-idee eisten allerlei taal­wijzigingen in de publieke ruimte. En inderdaad, allereerst op universiteiten.

Vooral tegen de vele taalmaatregelen kwam rechts Amerika groots in opstand. Totaal onbenullige zaken werden opgeblazen tot nationale rellen. Het ‘waterbuffel-incident’ hield de VS bijvoorbeeld wekenlang in zijn greep: een pietluttig voorval waarbij een joodse student rond middernacht lallende (zwarte) studentes met voornoemde term had beledigd, en hij verplicht op ‘raciale sensitiviteitscursus’ moest. ‘Politieke correctheid’ werd een rechts strijd­banier. Opmerkelijk detail was dat de snijdende term oorspronkelijk vooral werd gehanteerd door neocons: strijdbare communisten die zich tot rechts hadden bekeerd, en die dus bekend waren met de originele betekenis van de term. Onder hun nieuwe ideologische vlag streden zij tegen een ideologische samenzwering van ontzaglijke proporties, die van de Frankfurter Schule lijnrecht naar de kosmopolitische elite van vandaag liep. Humor werd deel van de culture wars tussen rechts en links.

Voor humor betekende dit dat nieuwe taboes hun intrede deden over wat wel en niet kon worden gezegd. De strijd daarover vond plaats in het publieke debat en in de rechtbank. ‘Humor is een uiting van sociale normen en heel nuttig in het sociaal verkeer. Maar er zijn grenzen aan wat acceptabel sociaal verkeer wordt gevonden en vaak wordt geprobeerd die grenzen via de rechter te reguleren’, zegt de Amerikaanse hoogleraar rechten Laura Little in een telefonisch gesprek. ‘In de VS gaven sommige uitspraken veel ruimte aan humor. Belangrijk was bijvoorbeeld Hustler Magazine tegen predikant Falwell, in 1988. Het Hooggerechtshof verklaarde toen unaniem dat parodie onder de vrijheid van meningsuiting viel. Maar spot bleef rechtbanken bereiken. Ik heb onderzocht welke vorm van humor het snelst wordt bestraft door rechters. In de laatste decennia is dat duidelijk neerbuigende humor, vaak racistisch of seksistisch van aard. Als je uitspraken van rechters als indicator neemt van wat acceptabel wordt geacht in een samenleving, ligt de grootste gevoeligheid van onze samenleving dus kennelijk daar.’

Via Amerikaanse culturele invloed bereikten de nieuwe culturele normen én de nieuwe weerzin daartegen andere landen. In een globaliserende wereld gaat dat soms heel direct. Zie het Nederlandse vrouwenblad Jackie, dat de Amerikaanse zangeres Rihanna twee jaar geleden omschreef als ‘ultimate niggabitch’ met een ‘ghetto ass’. Rihanna toonde zich diep gekwetst en vond deze woordkeuze ‘een povere evolutie van mensenrechten’ die ‘segregatie aanmoedigt’ en ‘toekomstige leiders misleidt’. Een rijtje Surinaamse Nederlanders en hiphop-kenners schaarden zich in het koor van afkeuring. Jackie’s hoofdredactrice prevelde iets over ‘grapje’, maar kon evengoed opkrassen.

Westerse landen hadden natuurlijk wel elk hun eigen traject wat humor en politieke correctheid betreft. In Groot-Brittannië werd die bijvoorbeeld vooral beïnvloed door de Alternative Comedy Movement van begin jaren zeventig, die zich verzette tegen racistische, seksistische en andere luie, platte humor van de oude stempel. In Nederland keerden komieken zich vaak tegen burgerlijkheid, zoals Van Kooten en De Bie. Waar de link tussen humor en groeps­belediging in de VS stamde uit de burgerrechtenbeweging kwam die hier voort uit de geschiedenis van de Nederlandse kolonisatie en immigratie. En de gevoeligheden die daaruit voortkomen, verbinden zich hier met een algemene afkeuring van grappen ten koste van iemand anders. Volgens een onderzoek van marktonderzoekbureau GfK valt het gevoel voor humor van bijna tweederde van de Nederlanders onder ‘gezellige’ dan wel ‘brave’ humor die primair ‘sfeerverhogend’ en ‘bindend’ moet zijn. Slechts vijftien procent waardeert provocerende grappen over anderen.

Maar al bewandelde Nederland zijn eigen pad, toch liepen verschillende zaken synchroon met de VS. Het is al vaak beschreven hoe de Fortuyn-revolte deels stoelde op de inperking van taal en daarmee publieke moraal die zijn medestanders ervoeren. Deel van Fortuyns succes was ongetwijfeld de ergernis bij zijn achterban dat grappen over vrouwen, woorden als ‘neger’ of ‘Marokkaan’ en andere delen van taal en humor per onzichtbaar decreet onacceptabel waren verklaard. Het was een legitieme botsing tussen vrijheid van meningsuiting en de grenzen van belediging. Maar het debat daarover werd al lang niet meer puur binnen nationale grenzen gevoerd.

Als geen andere gebeurtenis zorgden de aanslagen van 11 september 2001 ervoor dat het debat en de frustraties over de grenzen van politieke correctheid en humor zich internationaal verspreidden. Die verbonden zich met de uiterst brisante kwestie van de politieke islam. De spotprenten in de Deense krant Jyllands-Posten onderstreepten bij uitstek de nieuwe, internationale regels van het spel. Gevolg van een poging om cartoonisten te wapenen tegen zelfcensuur toonden de cartoons hoe humor in Land 1 nog dezelfde dag in Land 2 en 3 tegen het licht werd gehouden als potentiële groepsbelediging en hoe die op de dag erna tot rellen kon leiden van Indonesië tot Marokko. Overal ter wereld gingen komieken op hun woorden en daden letten. De nieuwe beperkingen van politieke correctheid hadden een uiterst bedreigende poot waar het om de islam ging – op zich het sociale onderwerp bij uitstek dat wel met humor mocht worden verluchtigd. En niet alleen moslims pikten humor op dat vlak niet. Zo was Paul de Leeuw in Groot-Brittannië kop van jut na een item in zijn show over de straatmoord in Londen van afgelopen mei. De sentimenten rond de politieke islam verbonden zich met de nieuwe taboes op groepsbelediging – een flinke bijdrage aan de vaak gesignaleerde ‘nieuwe braafheid’.

Maar we moeten ook niet te makkelijk oordelen over politieke correctheid, vindt socioloog en comedy-recensent Sam Friedman: ‘Natuurlijk is politieke correctheid fout als die leidt tot censuur, zelfcensuur en makkelijke boosheid. Maar “politiek correct” wordt ook vaak gebruikt als dooddoener, om een gesprek uit de weg te gaan over de implicaties van dingen die we publiekelijk zeggen. Politieke correctheid gaat ook over of mensen zich bewust zijn van de implicaties van grappen op sociale structuren. Als mensen lachen om grappen, of juist niet, heeft dat effect op de samenleving. Humor is een vorm waarin sociale normen worden gecommuniceerd.’

‘In het debat van nu is politieke correctheid iets waar je voor of tegen moet zijn’, vervolgt hij. ‘En het wordt tegenover vrijheid van meningsuiting gesteld, en daar moet je dan ook voor of tegen zijn. Maar dat is helemaal niet interessant. Juist interessant is die gevoelige zone, het aftasten van wat je mag zeggen, en het bespreken daarvan. Veel komieken zijn zich daarvan bewust. Die dippen hun voeten vaak heel licht in een gevoelig onderwerp. Als hun publiek lacht, gaan ze door, als het publiek zijn adem inzuigt, zeggen ze: “O, te snel?” en gaan ze verder met iets anders. Dat aftasten is waar de sociale rol van grappen duidelijk wordt.’

Helaas kan dat aftasten, in ieder geval nu, in veel landen niet meer zo vrijblijvend als een paar decennia geleden. In het artikel over Monty Python, elders in dit nummer, stipt auteur David Free dat aan. De Pythons hadden meer geluk dan komieken van nu, schrijft hij: ‘De lucht was toen nog niet vol van culture war-grieven. Mensen waren minder gespannen. We zijn een algemene ontspannenheid en positiviteit kwijt.’ Tijd voor een comeback.


Politiek (in)correct idioom**

Niet-PC

Kerstvakantie niet religie-neutraal. Daarom: wintervakantie

Oriëntaals Eurocentrische term

Man/vrouw beledigende tweedeling voor cross-gender medemensen

Ho, ho, ho potentieel beledigende lach, volgens uitzendbureau in Australië, dat freelance-kerst-mannen aanraadde om ‘Ha, ha, ha’ te lachen: dat lijkt niet op de Amerikaanse straatterm voor hoer

Minderheid geeft groepen in de samenleving het gevoel dat zij een minderheid zijn

Normaal volgens Australische overheidsmemo een beledigende term in het gezelschap van mensen met handicaps

Varkensgriep zowel beledigend voor moslims die erdoor worden bevangen als voor varkensboeren

PC

Cultureel beperkt tuig

Onderbevoordeeld arm, onopgeleid

Pn persoon. Gender-neutrale term voor Mr., Mev. et cetera

Horizontaal begaafd en horizontale uitdaging erg dik. Ironische imitaties van politieke correctheid. Politiek correct is: overgewicht

Schoonheidsbeperking lelijk

Verticale uitdaging ironisch politiek-correct voor klein

Zakenpersoon gender-neutrale zakenman (of -vrouw)

Met dank aan de Global Language Monitor