Boekenweek: Joke Hermsen en de melancholie

Van onrust en de dingen die verdwijnen

In Melancholie van de onrust, een essay van boeklengte van filosofe Joke Hermsen, gaat het uiteindelijk niet om de aard van de melancholie, maar om de mogelijkheid te ontsnappen aan wat ze als haar meest duistere gedaante beschouwt.

In de openingsalinea van Melancholie van de onrust, een essay van boeklengte dat verschijnt in het kader van de Maand van de Filosofie, haalt filosofe en schrijfster Joke J. Hermsen een prachtige frase van Italo Calvino aan, die melancholie omschreef als ‘verdriet dat licht geworden is’. Ze laat het haast ongemerkt vallen en staat er niet bij stil, ze is met haar gedachten bij het beroemde schilderij van Jan Asselijn dat ook het omslag van het boek siert: De bedreigde zwaan. Hermsen vertelt dat de zwaan in de kunsten als een symbool voor melancholie geldt, maar in dit zeventiende-eeuwse werk liggen op het eerste gezicht vooral andere emoties besloten. Er stijgt onrust uit op. Wat heet: er dreigt gevaar.

Small hh 40374059
Joke J. Hermsen - er dreigt gevaar © Károly Effenberger / HH

Met de keuze voor het schilderij heeft Hermsen in zekere zin al direct de beweging gemaakt die ze in de rest van het essay ook maakt, van de melancholie naar het gevaar. Die melancholie is een gemoedstoestand die de menselijke conditie altijd (deels) heeft gekenmerkt, maar het gevaar is van een actuelere aard. Het draait om iets wat Hermsen in verband brengt met een veelheid van ontwikkelingen, maar wat neerkomt op een op de loer liggende ‘maatschappelijke depressie’ die je zou kunnen omschrijven als een verval van individuele of gedeelde waarden die betrekking hebben op zaken die het materiële overstijgen. Hermsen probeert greep te krijgen op dit gevaar, ertegenin te denken en zich af te vragen tot waar de mens in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden. Hermsen wortelt haar zoektocht in een onderscheid dat Plato (en in zijn kielzog veel anderen) maakte tussen melancholie als enerzijds ‘een weemoedig besef van vergankelijkheid dat juist onze creativiteit en solidariteit kan bevorderen’ en anderzijds ‘een pathologische variant van de depressie waarbij neerslachtigheid, angst en machteloosheid gaan overheersen’. Het gaat haar in dit essay uiteindelijk niet om de aard van de melancholie, maar om de mogelijkheid te ontsnappen aan wat Hermsen als haar meest duistere gedaante beschouwt.

Op de website van de Maand van de Filosofie staat onder het kopje ‘Thema 2017’ een gortdroge mededeling: ‘In 2017 onderzoeken en bevragen we een maand lang de betekenis van Rust.’ Al net zo noodwendig als het boekenweekthema dus. Oftewel: volledig inwisselbaar. Maar Hermsen doet wat de essayist eigen is: ze laat zich afleiden door haar eigen interesses en haar gevoel voor urgentie. Het resulteert in negen volle hoofdstukken waarin ze, behalve langs de kunsten en de geschiedenis van het denken over melancholie, ook langs Chronos en Kairos, hoofdrolspelers uit eerder werk, en Hannah Arendt en Ernst Bloch struint.

Ze is op haar best wanneer ze haar enthousiasme voor dat wat haar duidelijk dierbaar is deelt. De bewondering die ze decennia eerder voor de Russische schrijfster en psychoanalytica Lou Andreas-Salomé opdeed, is schijnbaar nog altijd volledig vers en de onvermoeibare ijver waarmee ze de lezer deelgenoot maakt van wat haar zo diep raakt in het denken van Hannah Arendt mist zijn uitwerking niet.

Waar de filosofie, het denken van Salomé en Bloch, Hermsen toe in staat stelt is het van een afstand naar het nabije kijken

Het onderscheid dat ze maakt tussen de verschillende vormen van melancholie is weliswaar helder, maar het grotere verband waarin ze het plaatst blijft iets gekunstelds houden. Misschien wil het er bij mij uiteindelijk niet helemaal in dat het zo persoonlijke bitterzoete besef van het onvermijdelijke verlies van alle dingen op een wezenlijke manier verbonden is met de gevoelens van miskenning, de onzekerheid, de vrees voor achteruitgang en de woede die de kern lijken te vormen van de door Hermsen gevreesde maatschappelijke depressie.

Daarnaast heeft Hermsen soms de neiging wat te dicht langs het banale, het vage of het clichématige te schuren. Niet per se qua ideeën als wel qua taalgebruik. Een hoop dingen gebeuren ‘steeds vaker’ of zie je ‘steeds meer’; Kairos is de tussentijd, ‘waarin we terechtkomen als we een pas op de plaats maken, rust nemen, onze aandacht focussen of ons ergens heel goed op concentreren’; dingen komen ‘om het hoekje gluren’; Chronos is ‘onze persoonlijke deadline’ en het onderwijs ‘de bakermat van iedere samenleving’.

Hermsen: ‘We moeten begrijpen dat af en toe rust nemen, nietsdoen, dagdromen en ons overgeven aan atarxia en zelfs verveling voorwaarden voor die vervulde ogenblikken zijn. Als we naar muziek luisteren, een gedicht lezen of in een mijmering of dagdroom vervallen, licht er een nieuw veld van mogelijkheden op, waar de “onbegrensdheid van het utopisch vergezicht en de diepte van de ervaren nabijheid” voor even samenkomen. Het zijn momenten van inspiratie bij uitstek, die zo wezenlijk zijn voor de mens.’

Het is in veel gevallen niet onjuist, Hermsen is de redelijkheid zelve en een bepaalde mate van sentimentaliteit gaat prima samen met gepeins over melancholie, maar het lijkt haar essay op een andere manier te ondermijnen. Kleine clicheetjes ondermijnen niet de oprechtheid van betrokkenheid maar de kracht die ervan uitgaat. Het cliché is iets wat bekend is en de veiligheid die van het bekende uitgaat dissoneert met het gevaar waarvoor Hermsen wil waarschuwen.

Waar de filosofie, het denken van Salomé, Arendt en Bloch, Hermsen toe in staat stelt is het van een afstand naar het nabije kijken. Maar melancholie draait uiteindelijk om even onpeilbare als ambivalente tristesse. Het essay is op eenzelfde manier ambivalent als de melancholie waarover het gaat; het lichte en het zware houden elkaar meestal in een precair evenwicht. Maar de pijn, het verdriet en de duisternis blijven ook daar waar ze wel aanwezig zijn op een veilige afstand. Ze zijn licht geworden.