Van oude en nieuwe koeien (1) onderweg laten al heel wat kalfjes het leven, omdat ze zonder drinken in vrachtwagens worden gepropt

Kalfsvlees is uit. De gekke-koeienziekte heeft de smaak ervoor bedorven. Maar handelaren weten wel raad met de kalfjes. Ze kopen ze op en vangen er elders in Europa de ‘knuppelpremie’ voor. Want minister Aartsen wil niet knuppelen
‘KOEIEN VOOR de slacht brengen geen donder meer op. Straks komt het nog zo ver dat je ze aan de vuilnis moet meegeven’, zegt Jan Kees Vogelaar van de Nederlandse Bond voor Melkveehouders. Al jaren kampt Europa met een rundvleesoverschot. Maar sinds de gekke-koeiencrisis is de rundvleesmarkt in elkaar gestort. Consumenten zijn massaal overgestapt op de kippebout en de varkensschnitzel, en dat brengt boeren in de rundvleessector in grote problemen. Overal in de Europese Unie worden de pakhuizen volgestapeld met de kadavers van runderen. Omdat kalveren ook tot de zogeheten ‘roodvleessector’ behoren, is er in Brussel besloten dat dit jaar van de vijfeneenhalf miljoen mestkalveren in Europa er één miljoen vernietigd moeten worden. Een kwart van die ten dode opgeschreven kalveren staat te trappelen in Nederlandse boxen.

De Europese Unie heeft in 1993 de diverse lidstaten toegestaan een zogeheten ‘knuppelpremie’ in te voeren, om het overschot weg te werken. Dit houdt in dat als boeren hun kalfjes binnen tien dagen na geboorte laten slachten èn vernietigen, zij daar geld voor krijgen. Pas sinds de gekke-koeiencrisis wordt gebruik gemaakt van deze premiemogelijkheid. In Portugal en Engeland is dat vanaf augustus dit jaar, Frankrijk sloot zich tweeëneenhalve week geleden bij hen aan.
De Nederlandse regering heeft daarentegen heel edelmoedig besloten 'uit ethisch oogpunt’ geen knuppelpremie in te stellen. Wat echter op het spel staat, is niet het leven van zielige kalfjes of de Nederlandse normen en waarden, maar de héle kalfsvleessector.(B. Ottink van de Vereniging van Kalfsvleesproducenten: 'Als de EU Nederland verplicht de knuppelpremie in te voeren, betekent dat leegstand in de mesterijen, met als gevolg dat een flink aantal bedrijven moet sluiten. Want in Nederland vallen de harde klappen.’
Vandaar dat alle betrokkenen haastig de koppen bij elkaar hebben gestoken om te brainstormen over een alternatief. De bedoeling is om in Nederland een 85-procentpremie te introduceren. Kalveren worden geslacht wanneer ze op 85 procent van hun gebruikelijke gewicht zijn. Dat betekent bij een gelijk blijvend aantal mestkalveren een daling van de vleesproduktie met vijftien procent en daarmee een daling van het vleesoverschot. Bovendien voorkom je zo voor een groot deel de leegstand op de bedrijven.
Minister Aartsen van Landbouw heeft inmiddels overlegd op Europees niveau en gedaan gekregen dat deze regeling per 1 december in werking kan treden. Op dit moment wordt er nog druk onderhandeld over de hoogte van de premie. Als die premie maar hoog genoeg is, dan is de mesterijhouder volgens Ottink wel bereid de kalveren eerder te laten slachten. Over een half jaar komt de Europese Commissie weer bij elkaar en dan wordt er gekeken of de Nederlandse maatregel effectief is. Is dat niet het geval, dan komt er alsnog een knuppelpremie, aldus Ottink.
ONDERTUSSEN ruiken enkele veehandelaren geld. Al een aantal weken vindt er export van minderwaardige Nederlandse kalfjes naar Engeland, Frankrijk en Portugal plaats, waar de handelaren de knuppelpremie via slinkse wegen opstrijken. In Frankrijk slagen ze er zelfs in de twee weken quarantaine te omzeilen die nodig zijn voordat de kalveren een Frans oormerk kunnen krijgen. Die Franse oormerken zijn nodig om voor de premie in aanmerking te komen. Maar wanneer de kalfjes eerst nog twee weken verzorgd zouden moeten worden, is het voor de handelaren niet meer aantrekkelijk.
Tom van der Molen van het ministerie van Landbouw: 'Wij hebben de geruchten gehoord, maar het probleem is dat we niet weten wie het doen. Omdat de grenzen open zijn, is er absoluut geen zicht meer op de kalverenexport. Bovendien is het niet onwettig, want sinds er sprake is van één interne Europese markt, mag je als Nederlander gewoon kalveren exporteren. We hebben dus niet eens de middelen om er iets aan te doen. Pas als de Nederlandse slachtpremie gelijkgetrokken wordt met de knuppelpremie, denk ik dat we die vreselijke export kunnen stoppen.’
Heeft van der Molen het nog over geruchten, een anonieme bron, die uit angst voor represailles van de veehandelaren niet met naam en toenaam genoemd wil worden, spreekt van een wekelijkse praktijk. 'De veehandelaar balanceert op het randje van wat mag en niet mag’, vertelt hij. 'Vannochtend nog was ik op de veemarkt in Leiden en zag ik het weer. Handelaren kopen op de wekelijkse veemarkt slechte-kwaliteitskalveren op voor honderd gulden per stuk en laden ze in vrachtwagens om ze naar Frankrijk te transporteren. Daar wordt blijkbaar met die oormerken gesjoemeld, want in plaats van dat ze twee weken in quarantaine staan, gaan ze rechtsstreeks naar de slachthuizen. Ze moeten eigenlijk vernietigd worden, maar het zou me niets verbazen als ze ook nog in een of ander vleesproduktiecircuit terechtkomen.’ Per kalf krijgt de handelaar 265 gulden knuppelpremie, wat hem 165 gulden winst per kalf oplevert. Onderweg laten al heel wat kalfjes het leven, omdat ze zonder drinken in vrachtwagens worden gepropt.
'Ik word strontmisselijk van die praktijken. De boer wordt zo weer in een verkeerd daglicht gesteld’, zegt Jan Kees Vogelaar. 'Als melkveehouder weet je niet waar je kalveren heengaan, dat regelen de handelaren. Die handelaarswereld is echt een wereldje apart.’
De handelaren profiteren dus van de knuppelpremie, maar wie profiteert er nu eigenlijk van de Nederlandse 85-procentpremies? B. Ottink van de Vereniging van Kalfsvleesproducenten: 'In tien procent van de gevallen is dat de boer zelf, maar in negentig procent van de gevallen is dat de melkpoederproducent die de kalveren opkoopt en doorlevert aan het slachthuis.’
AL MET AL WETEN diverse organisaties in de kalverensector wel dat knuppelexport plaatsvindt, maar geen van de organisaties heeft cijfers van het aantal geslachte kalveren in de 'knuppellanden’. Dat er met de export naar die landen gesjoemeld wordt, wuift men weg. Sjoerd Dijkstra van het Produktschap voor Vee, Vlees en Eieren noemt de knuppelexport 'een sterk verhaal’. Een transporteur tipte echter een aantal weken geleden de Dierenbescherming. Hij had een vrachtwagen vol met kalfjes waar hij Engeland niet mee in mocht. Vervolgens zou hij naar Frankrijk of Portugal moeten rijden, een tocht die geen van de beestjes zou overleven. Bob Nieman van de Dierenbescherming: 'We vinden de berichten van die export dusdanig verontrustend dat we er de inspectiedienst op hebben afgestuurd. Zelf vind ik het verwerpelijk dat kalveren binnen tien dagen na geboorte worden afgeslacht puur om geldelijk gewin. Of het niet überhaupt verwerpelijk is om kalfsvlees te eten? Tja, dat moet iedereen voor zichzelf uitmaken, dat is een kwestie van normen en waarden.’
Melkveehouder Vogelaar: 'Echt hoor, Nederlandse boeren hebben hart voor hun dieren. Er is geen boer in Nederland die zijn kalveren graag naar de slacht doet. Je bent daar hartstikke lang mee bezig. Als een koe drachtig is, duurt het negen maanden voordat het kalf er is. Het is dan toch van de gekke om dat beestje dan gelijk te vernietigen?’
Niettemin was het tot de jaren zeventig heel gewoon om stierkalveren gelijk na de geboorte naar het slachthuis te brengen. Rijk Dijkhuizen, die al dertig jaar in de boerenbusiness zit, herinnert het zich nog levendig: 'Het liefst moesten die beesten nog nat van de geboorte zijn, want dan wogen ze meer en bracht het dus meer geld op. Als boeren een kalf hadden, dan deden ze een zak over een paal voor het erf en dan was het aan de handelaren om er als eerste met een bakfiets bij te zijn. Waarom ze er dan nu zo moeilijk over doen?’ Dijkhuizen zucht eens en concludeert: 'Dat komt door dat woord “knuppelpremie”, dat roept associaties op met zeehondjes. En het komt door journalisten zoals u die er zo'n heisa van maken terwijl ze er geen klap verstand van hebben.’