Van oude en nieuwe media

De opmars van de nieuwe media binnen de beeldende kunst is zo langzamerhand iets waar niemand meer warm of koud van wordt. Het duurt niet lang meer voordat het onderscheid tussen oude en nieuwe media definitief futiel is geworden. De nieuwe media worden een dagje ouder nu ook de kunstenaars met grote reputaties en de musea op respectabele leeftijd massaal hun kaarten op informatietechnologie zetten. Als het nieuwe er eenmaal van af is, zal er weer een heel andere discussie komen - wie weet weer over de inhoud.

Tegelijkertijd zien we binnen diezelfde beeldende kunst de opkomst van de zevende kunst, de film, die geacht wordt op de rand van haar graf te vertoeven, juist vanwege die nieuwe media. Al die decennia kwam de volkskunst van de cinematografie de bolwerken van de schilder- en beeldhouwkunst niet in, en uitgerekend nu ze zelf dreigt te verscheiden, worden de poorten van de tempels der hoge kunst geopend. De rode loper wordt voor de bejaarde uitgerold, zalen worden ontruimd en muren tot projectieschermen getransformeerd. Kunstenaars laten zich massaal in met een kunst die ze tot op heden slechts consumeerden doch zelden maakten.
Een paar voorbeelden: de aankomende Documenta in Kassel, geleid door Cathérine David, belooft één groot filmfestival te worden, als we de vooraankondigingen mogen geloven. Chris Dercon herdacht in Witte de With de cinema met Still/ A Novel, zijn opvolger Bartoméu Mari toont nu Tacita Dean. Afgelopen jaar waren er grote tentoonstellingen in Londen (Spellbound), Wenen (Kinobiscum: Die 7. Kunst auf der Suche nach den 6 Andern), Los Angeles (Hall of Mirrors: Art and Film since 1945). De prestigieuze Turner Prize ging naar Douglas Gordon, wiens werk van efemere beelden aan elkaar hangt. De voorbije Prix de Rome ging dit keer over film en video. Bekende kunstenaars als Robert Longo stappen over naar film, en tegelijk is er de aandacht voor juist het filmische werk van grootheden als Warhol, Duchamp en Man Ray.
En dat is nog maar een greep. Het is kortom niet overdreven te stellen dat de hedendaagse beeldende kunst in de ban van het bewegende beeld is, het voorbijgaande, het verhalende ook. Waar eens de lof werd gezongen op overkoepelende thema’s en grote abstracties, is nu de vermaledijde anekdote weer helemaal terug. Rechtstreeks dan wel door de mise-en-scène van een ‘situatie’. Dan ben je je eigen anekdote. Dan merk je tenminste dat je leeft.
De gelijktijdige populariteit van digitale technieken en (vaak analoge) film binnen de beeldende kunst lijkt op het eerste gezicht paradoxaal. Waar de ene invloed betrekking heeft op simultaniteit, heden ten dage ook wel hypertekst genoemd, daar betekent de film juist een hernieuwde aandacht voor lineariteit en het verhaal.
Het vermoeden rijst dan ook dat de adoptie van de andere media niet het gevolg is van hun krachtige geklop op de poorten van van beeldende kunst, maar de consequentie van het desperate zoeken naar impulsen die haar de volgende eeuw kunnen inloodsen. Ter illustratie van deze stelling moge dienen het feit dat het Rotterdams Filmfestival de beeldende-kunstfilm een marginale rol geeft, terwijl de held van de week gewoon Jackie Chan heet.
De grote vraag bij al die museale filmkunst is of er ook goede exposities mee worden gemaakt. De gevestigde filmmakers zelf lijken in deze marktverruiming niet bijster geïnteresseerd. Ze lijken dik tevreden met de hun toegemeten verduisterde zaaltjes waar de ontroering alle kans krijgt. Het zijn daarentegen de beeldend kunstenaars en, niet te vergeten, de curatoren, die naarstig zoeken naar nieuwe impulsen om zich in hun natuurlijke habitat weer op hun gemak te voelen. En het is juist dit geforceerde zoeken, vaak gespeend van routine en gelikte marktgerichtheid, die veel museale filmexperimenten tegelijk hun gênante amateurisme en hun charme geven.