Boekenweekgeschenk

Van oude schrijvers

Jan Wolkers
Zomerhitte
Uitgave van de stichting CPNB ter gelegenheid van de boekenweek 2005

Het is mooi dat Jan Wolkers dit jaar is gevraagd het boekenweekgeschenk te schrijven. Hij is een heerlijke man die prachtige, onvergetelijke, belangrijke boeken heeft geschreven. Het verhaal waarmee hij nu door het land gaat, is echter matigjes. Het maakt niet uit, zo’n geschenk heeft een hoge rituele waarde en als het, bij uitzondering, eens verrassend uitpakt, vindt het zijn weg wel weer als reguliere uitgave. Toch steekt even een heel geniepige, nare gedachte de kop op: zou er een uiterste houdbaarheidsdatum aan het werk van Wolkers zitten? Is wat ooit rauw, mannelijk en aards was nu slapjes, kolderiek en zouteloos?
In Zomerhitte bevinden we ons helemaal in Wolkersparadijs: strand, zee, broedende uilen en kijk, wat zien we daar oprijzen achter die duinpan? Een blonde vrouw, struis en gewelfd, zonder schaam- maar mét okselhaar. Precies zoals de ik-verteller, natuurfotograaf van beroep, het het liefst ziet. Deze on neembare duivelin, Kathleen geheten, blijkt achter de tap te staan in een disco. Diezelfde avond is de fotograaf daar natuurlijk meteen te vinden, en gelukkig blijken zich daar meer leeftijdgenoten op te houden. Hij maakt kennis met een oudere man die ooit een schatrijke dame door Europa heen chauffeerde, en op dit eiland is neergestreken om een studie te schrijven over de levensgewoonten van de moderne mens. Terwijl deze hem na sluitingstijd op de parkeerplaats, geïnspireerd door wat er zoal om hen heen gebeurt, deelgenoot maakt van een van zijn onderzoeksbevindingen, namelijk dat er tegenwoordig gewoon getongzoend en gebraakt wordt in één moeite door en dat komt doordat er te veel kant-en-klaar-salades worden gegeten, gaat een écht oude man er met Kathleen vandoor. Drie mannen en één godin. De een plukt paddestoelen voor haar, de ander fantaseert er een eind op los en de derde blijkt een handeltje met haar te drijven.
Het is eigenlijk een krankzinnig verhaal dat Wolkers hier vertelt, maar dan niet léuk krankzinnig. Eerder wezenloos. Een kapstok om wat natuurvorserij ten beste te geven, zowel in bos en duin als tussen de benen van de dame. Haar hobby, kan het beter: zich vingeren onder toezicht. Zo kennen we Wolkers weer, denken we als we lezen: «Terwijl ze me aankeek ging haar hand naar haar onderlichaam. Ze streelde even de welving van haar venusheuvel, toen gleed haar vinger de roze kerf in. Ik zag dat ze nat moest zijn want ze bewoog er soepel mee heen en weer. Haar gezicht werd een van pijn verwrongen masker. Haar ogen leken uit te puilen van vervoering.»
Mmm… Bij nader inzien: zien we dit beeld niet iedere nacht zappenderwijs aan ons oog voorbijtrekken? Begeleid door hijgerige oproepen om te bellen naar al die nummers waarachter zich hete meisjes schuilhouden? Bij gebrek aan context wordt dat hele vinger vertoon ook in een verhaal van Wolkers leeg en armoeiig. En bovendien net zo gezocht als de intrige die de schrijver nogal halfzacht door het verhaal heen vlecht, met pistolen, drugs en een lijk. Achteraf gezien is de openingszin het meest geslaagd aan het hele verhaal: «Aan het strand vind je soms een door de vloed achtergelaten aantal voorwerpen dat zo perfect van compositie en kleur is dat je onwillekeurig opkijkt of je in de verte niet de schim van Kandinsky ziet wegschuifelen.»
Wolkers’ laatste roman dateert alweer van 1984; De onverbiddelijke tijd, een brievenroman die niet echt veel weerklank vond. Ook de andere romans die hij begin jaren tachtig het licht deed zien, waaronder Junival (1982) en Gifsla (1983), waren het niet meer helemaal. Halverwege de jaren tachtig legde Wolkers zich toe op het schrijven van gedichten en essays, en op zijn beeldhouwwerk.
Om terug te komen op de geniepige gedachte aan een uiterste houdbaarheidsdatum die in het begin van dit stuk de kop opstak: die slaat nergens op, bij nader inzien. Turks fruit, Kort Amerikaans, Terug naar Oegstgeest: het zijn onverwoestbare romans, die nog steeds staan als een huis, en waarvoor Wolkers niet genoeg geëerd kan worden. Het kan natuurlijk. Dat hij als het op proza aankomt, op een bepaald moment gewoon klaar was. En dat als hij dan toch door blijft gaan, hij dat alleen op de oude manier kan.
Zelf wordt hij ouder, maar zijn kunstje groeit niet mee. Dit boekenweek geschenk maakt het pijnlijk duidelijk: als viriliteit zijn urgentie verliest, en gewilde bronstigheid wordt, dan krijg je landerigheid à la Zomerhitte. Zozeer er nét helemaal naast dat je al lezende onwillekeurig opkijkt of je in de verte niet de schim van Wolkers ziet weg schuifelen.