Interview: Marcel van Eeden, kunstenaar

«Van plus min maken»

Kunstenaar Marcel van Eeden tekent foto’s na die dateren van voor zijn geboorte en plaatst de tekeningen op zijn veel bezochte weblog. «Er is een tijd dat je dood was. De tijd voor je geboorte.»

Sinds 1993 tekent Marcel van Eeden (Leidschendam, 1965) foto’s na die dateren van voor zijn geboorte. Soms ook advertenties, boekomslagen, teksten, cartoons. Elke dag één tekening, die hij diezelfde dag nog op z’n weblog zet. Hij is er internationaal bekend mee geworden. Hij heeft galeries in Amsterdam, Den Haag, München, Londen, Rome, Toronto. Op dit moment is werk van hem te zien op de vierde Biënnale van Berlijn. In juli is er een solotentoonstelling bij de Kunstverein Hannover, in oktober in Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle in België. Onlangs verscheen het boek K.M. Wiegand: Life and Work, met een selectie uit de omvangrijke serie die hij toont in Berlijn.

Zijn kleine atelier, een hoge achterkamer in zijn woonhuis in Den Haag, is overvol. Tafels, schappen, boeken- en ladenkasten, stoelen, een oude divan: alles wanordelijk beladen met hoge stapels mappen, ordners, archiefdozen, boeken, tijdschriften. Op zijn werktafel is nauwelijks nog plaats voor het kleine A4-vel voor zijn dagelijkse tekening. Over alles ligt een donkergrijze sluier. Van potloodslijpsel, vermoedelijk. Muren, plafond, houtwerk en gesloten luxaflex zijn vergeeld. Je waant je in het morsige kantoor van een louche private eye uit een verhaal van Dashiell Hammett.

Van Eeden zelf maakt zeker geen morsige of louche indruk: simpel en strak in het zwart gekleed, gladgeschoren hoofd, een open, onderzoekende blik, heldere stem. Aardig. Hij verontschuldigt zich. De bende is erger dan normaal: «Ik zit midden in een verhuizing en ben spullen aan het uitzoeken.» Maar er is in de vijftien jaar dat hij in deze ruimte gewerkt heeft inderdaad weinig opgeruimd en schoongemaakt. En ja, die Negro-potloden waar hij mee werkt, die produceren heel wat stof.

Aanvankelijk wilde Van Eeden dichter worden. Hij was net van school, werkte op een verzekeringskantoor. Gerrit Achterberg was zijn held. Op een van de boekenplanken in het atelier staat nog altijd diens portret. Het was Achterberg die hem de noties en ideeën aanreikte die zouden leiden tot zijn huidige werk: «Ik vond het fascinerend dat Achterberg geloofde, of deed alsof hij geloofde, dat hij met poëzie de dood kon overwinnen. Voor hem waren gedichten bezweringsformules. Dat wilde ik ook: gedichten maken waarmee je werkelijk iets kon veranderen.»

Hij ontdekte al snel dat hij als dichter niet goed genoeg was. Hij stapte over op beeldende middelen. Het doel bleef hetzelfde: «Ik wilde iets maken, een schilderij of wat dan ook, dat een omkering teweeg kon brengen, van plus min maken.» Niet dat hij echt geloofde dat dat mogelijk was: «Het was vooral een mooi idee: dat ergens iemand als een soort alchemist bezig was beelden te maken die dingen in hun tegendeel konden doen verkeren. Duisternis in licht, dood in leven, verleden in heden. En andersom, natuurlijk.»

Hij ging dingen op de kop schilderen. Maar toen ontdekte hij Baselitz en kon dat niet meer. Hij ging data schilderen, rijtjes cijfers op grijze monochromen. Data van vóór zijn geboortedatum. Dat kwam door Achterbergs gedicht Anti-materie: «Dat vertelde me dat je ook wordt gedefinieerd door wat je niet bent. Je wordt omgeven door je tegendeel, dat wil zeggen: je niet-zijn, je dood. De tijd dat je dood zult zijn ligt voor je, die is nog onbepaald, maar er is ook een tijd dat je dood wás. De tijd voor je geboorte. En díe tijd van je dood, dat deel van je min-ik, van je anti-ik, kun je nu al beschrijven.»

Maar toen ontdekte hij On Kawara, die ook data schildert, en moest hij opnieuw wat anders.

Goddank werkte hij niet meer op dat verzekeringskantoor. Maar het duurde nog een paar jaar voordat hij eindelijk de kunstacademie aandurfde: «Ik keek daar hoog tegenop. Ik dacht dat er allemaal genieën op zaten.» Het werd de avondopleiding, overdag werkte hij in een bibliotheek: «Ik was veel bezig met boeken over oud Den Haag. Ik vond het intrigerend dat amateur-schilders vaak plaatjes uit zulke boeken gebruikten om na te schilderen. Ik realiseerde me dat niet alleen cijfers de data van voor mijn geboorte kunnen representeren, maar foto’s ook. Dat foto’s uit die tijd van je dood het licht van toen representeren. Toen ben ik begonnen zulke foto’s na te schilderen. Foto’s van voor mijn geboortejaar dus.»

Daar komt bij dat het een cruciaal jaar is: «Het is een waterscheiding, de grens tussen oude en nieuwe tijd. Sommigen leggen die bij 1968, anderen bij 1962, maar volgens mij was het 1965. Ik heb wel eens de gedachte dat ikzelf door mijn geboorte de tijd ervóór heb omgebracht. Een soort vadermoord. Het is het jaar dat alles veranderde in de wereld. De huidige tijd begon. Niet alleen die van mij. Van elke publicatie zie je onmiddellijk of hij van voor of na 1965 is. Daarvoor was de wereld overzichtelijk, daarna veranderde dat. Nu is de wereld kaderloos voor een heleboel mensen.»

Dertien jaar geleden alweer ontstond de huidige vorm, de dagelijkse zwart-wittekening van klein formaat. Van Eeden is er niet meer van afgeweken. Meer dan vierduizend tekeningen zijn er inmiddels. Het format van deze Encyclopedie van mijn dood, zoals hij het noemt, geeft hem het houvast dat hij nodig heeft. Houvast geeft vrijheid: «Als je alles mag en alles kan, dan loop je kans dat je niks meer doet, je gaat dan veel te veel twijfelen.» En het laat hem genoeg ruimte. De hoeveelheid materiaal waaruit hij kan putten is gigantisch: grappige plaatjes, ernstige, triviale, ontroerende, obscene, simpele, gecompliceerde, tekst, geen tekst – alles is mogelijk.

Wat hij maakt is geen exacte kopie: «Ik teken uit de vrije hand. Ik moet lang zoeken naar de vormen. Ik weet ook nooit of het gaat lukken, en het resultaat klopt nooit met de foto. Jouw hand wordt erin zichtbaar, jouw afwijkingen, jouw vreemdsoortigheid. Daardoor komt ook die bepaalde spanning erin die een tekening goed maakt.» Hij krijgt wel eens het verwijt dat hij bang is voor verandering. Onzin, vindt hij: «Binnen het thema vindt voortdurend verandering plaats, het soort afbeeldingen, de aard ervan, is steeds anders, en kijk naar de stijl, ook die verandert. Echt, als ik me zou herhalen, als ik zou weten dat het niet goed meer is… Maar het voelt nog steeds goed. En voelt het goed, dan ís het goed.»

Hij is in de loop der jaren steeds meer tekst gaan gebruiken, vanzelfsprekend van voor 1965. Meestal mixt hij beeld en tekst at random. Soms voegt hij tekeningen samen tot een reeks, een soort stripverhaal. Zoals de Wiegand-_serie die hij in Berlijn toont. «Ja, dat heeft wel iets van een _graphic novel. Alleen zit er geen verhaallijn in. Het is meer een willekeurig samenraapsel van feiten en gebeurtenissen. Er was ook niks gepland, de serie ontstond al doende. Ik had geen stapel foto’s klaarliggen, bijvoorbeeld. Dan zou het kantoorwerk geworden zijn.»

Zo’n serie geeft hem ook een excuus. Nu kan hij weigeren tekeningen meteen uit handen te geven: «Zo’n weblog heeft één nadeel. Mensen zien een tekening en mailen dan een galerie dat ze die tekening willen hebben. Die bellen mij dan weer. Het is een luxeprobleem, natuurlijk, maar zo houd ik weinig tekeningen in huis.» Inmiddels heeft hij een tweede serie gemaakt, naar Die Spaziergang van Robert Walser. Die is voor Hannover. Aan een derde is hij bezig. En ook het idee voor een vierde heeft hij: Loutering van Van Oudshoorn. «Die is prachtig. Somber, ja, maar prachtig.»

Van Eeden werkt meestal ’s nachts. Overdag zijn er te veel onderbrekingen: kinderen van school halen, koken. Het is wel eens zes uur ’s ochtends voordat de tekening gepubliceerd kan worden. Gepubliceerd wil zeggen: geplaatst op zijn tekenlog. Ook dat is een houvast: «Het is een stok achter de deur. Zonder die deadline zou ik lui worden. Nadat ik de eerste twee jaar dagelijks had getekend op klein formaat wilde ik grotere gaan maken. Een grote krijg je niet in één dag klaar. Dus mocht ik er van mezelf langer over doen. Dat liep uit de hand. Op het laatst was ik een maand met één bezig. Toen ontdekte ik de weblog. Die heeft me gered. Zonder weblog had ik waarschijnlijk niet eens meer getekend. Internet geeft me ook een plek in de wereld. Ik zit hier in m’n eentje, bezig met geschiedenis, bezig met die door iedereen vergeten foto’s. Dat is eenzaam. Het internet, radio en tv staan altijd aan. Je kunt alles volgen, maar je hoeft niet naar buiten. Nou ja, naar buiten is ook wel ’s prettig. Ik ben niet helemáál een kluizenaar.»

Nu verhuist hij naar Berlijn. Daar droomt hij al van sinds hij midden jaren tachtig in een vpro-documentaire de verlichte S-Bahn hoog tussen de duistere gebouwen van het Pergamonmuseum door zag rijden. «Dat was zo prachtig. Verklärte Nacht van Schönberg eronder… En ik zat op dat vreselijke verzekeringskantoor.»

Geldgebrek weerhield hem: «Kraken en dat soort dingen, daar was ik veel te braaf voor.» Daarna waren er opleidingen, gezin, deeltijdbaan. Nu zijn de kinderen groter, en hij is gescheiden. En een bijbaan is niet meer nodig. Onlangs durfde hij die op te geven.

De nieuwe ruimte is het tegendeel van hoe het hier is: clean, wit, opgeruimd. En zo zou hij het graag willen houden: «Ik heb alles nieuw gekocht, de hele inrichting, ik neem niets van hier mee. Ik heb zelfs nieuwe kleren gekocht: zes zwarte pakken. Identieke. Hoef ik over wat ik moet aantrekken in elk geval niet meer na te denken.» Later bekent hij: «Ik was er nog geen dag of er zaten al zwarte vegen op de muur.»

Kijk op marcelvaneeden.nl/tekenlog.html