KLEREN MAKEN DE MENS

Van pofbroek tot boerkatrui

De tentoonstelling De ideale man laat zien dat mode bij mannen door de eeuwen heen vooral heeft samengehangen met hun maatschappelijke positie. Daarom draagt een man natuurlijk nooit rokken.

VROUWEN VORMEN DE meerderheid in de collegebanken van vooral de studies geneeskunde en rechten en zoetjesaan winnen ze ook terrein op de werkvloer. De cijfers daarover leiden tot allerlei conclusies, ook over de man: hij is bijvoorbeeld in de war en zoekt aarzelend een weg tussen macho en mietje.
Maar we zien mannen in talkshows oreren en vrouwen aan het schoolhek kakelen. Zolang het begrip werkende vader niet is ingeburgerd blijft de norm dat mannen domineren in het publieke domein en vrouwen in de private sfeer. Carrièrevrouwen en huismannen zijn de uitzondering op de regel. En het zijn de vrouwen die zich aanpassen aan de mannelijke successtandaard, aldus de Canadese psychologe Susan Pinker in haar boek De sekseparadox. Voorlopig loopt het met de tanende macht van mannen niet zo’n vaart.
Dat mode een spiegel is van klassieke seksepatronen laat de tentoonstelling De ideale man: Mode voor echte mannen zien, die afgelopen weekend werd geopend in het Haagse Gemeentemuseum. Aan de hand van ruim 150 ontwerpen en accessoires, uit eigen collectie en uitgeleend door grote modeontwerpers, wordt belicht hoe door de eeuwen heen mode voor mannen een verlengstuk is geweest van hun maatschappelijke macht. De makers stellen dat mannenmode sterk verbonden is met ideaalbeelden en rolmodellen die verbonden zijn met hun status. Waar vrouwen in de mode streven naar een abstract schoonheidsideaal lijken mannen vooral op zoek te zijn naar de ‘ideale man’. Daaraan ontlenen zij door middel van kleding hun identiteit. Meer dan bij vrouwen maakt kleding bij mannen letterlijk de man.
In het straatbeeld is daar soms weinig van te merken. Van een gedifferentieerd modebeeld lijkt bij mannen nauwelijks sprake: ze dragen gestreepte poloshirts – deze zomer in – en onflatteuze capribroeken, het eeuwige donkere pak of een spijkerbroek met T-shirt. Anders dan bij vrouwen gaat het bij mannen om nuances op de vierkante centimeter: de breedte van de stropdas, de revers of de broekspijpen.
Welke mannelijke ideaaltypes zijn er? Om deze vraag te beantwoorden zijn kledingstukken uit heden en verleden gekoppeld aan een aantal thema’s. In de twintigste eeuw zijn grofweg twaalf archetypen te onderscheiden, waaronder de nerd, de rebel, de jager, de militair, de sporter, de zakenman, de klassieke collegekakker, de arbeider en de dandy. Op basis hiervan zouden mannen zich uiterlijk manifesteren in hun (gewenste) sociale positie.
Van deze visie zet het Haagse museum een overtuigend beeld neer met prachtige collecties van onder anderen Walter van Beirendonck, Vivienne Westwood, John Galliano en Jean-Paul Gaultier. De kleding wordt gerelateerd aan oertypes uit het verleden – van de Romeinse toga en het middeleeuwse ridderharnas tot de Engelse jachtcape en dandypakken. De geschiedenis van mannenmode is een weerslag van de geschiedenis die wordt bepaald door machtige mannen en hun sociale conventies. Vrouwenmode had nooit iets te maken met maatschappelijke macht, totdat de eerste feministische golf in de negentiende eeuw voor een kleine voorhoede daar verandering in bracht. Vooruitstrevende vrouwen in de hoge kringen gingen zich, mede onder invloed van de komst van de vélocipède en sportbeoefening, kleden in een makkelijke broek met zijrits.

Deze tentoonstelling gaat hier niet over, het is nu de beurt aan mannenmode. Want de belangstelling daarvoor neemt volgens de makers de laatste jaren enorm toe. Dat is waarneembaar op de catwalks, in de modebladen, op modeacademies en in toonaangevende musea. De tentoonstelling refereert wel heel even aan de vrouw: opeens hangt tussen al die mannenkleding de (originele) crèmekleurige mannensmoking, compleet met hoge hoed, van actrice Marlène Dietrich.
Dat pak roept een cruciale vraag op: waarom dragen mannen geen rokken? Het antwoord ligt in de beeldvorming over aan rollenpatronen gerelateerde macht. Voor de Franse Revolutie (1789) gingen mannen wel degelijk vrouwelijk gekleed. Decoratieve vormen waren in zwang. De toonaangevende mannenmode in Europa werd tot aan de Revolutie bepaald door de tuttige Franse hofcultuur, met kleurrijke kostuums in verfijnde stoffen vol befjes en roesjes. Deze kostbare luxe mannenkleding werd daarna bestempeld als ancien régime en de mannenmode richtte zich op de kleding van de arbeiders. De gevolgen daarvan duurden tot aan die ándere revolutie: die van de hippies in de jaren zestig van de vorige eeuw.
De kleding van mannen werd anderhalve eeuw lang gedomineerd door de Engelse landlevenstijl, met kleding in sobere kleuren en van praktische, eenvoudige materialen, zoals wol en katoen. De nadruk lag op goede snit in plaats van op rijkelijke versiering. In deze periode deed ten koste van de pofkuitbroek de lange broek zijn intrede. Daarvoor was die alleen in gebruik bij landarbeiders en scheepslieden, die hun benen door middel van ‘lange pijpen’ beschermden tegen het harde werk. Het zogenaamde habit à la française raakte na de Revolutie uit de mode.
In het licht van de huidige discussie over kledingvoorschriften door de overheid is het interessant dat voor mannen vanaf begin negentiende eeuw bij koninklijk besluit regels werden vastgelegd voor het dragen van ambtsgewaden, zodat men de status van ambtenaren, militairen, rechters, professoren en alle ‘leeraren van de onderscheidenden godsdiensten’ kon aflezen aan de kleding. Het instellen van ambtskostuums bleef tot in de jaren zestig van de vorige eeuw grotendeels gelden. Nog steeds gaat de rechter in toga, net als een priester. En dat zijn in feite een soort jurken. Vanaf halverwege de negentiende eeuw ontstonden, mede door de uitvinding van het meetlint, het perfecte maatpak, het rokkostuum, het jacquet en de smoking.
Perfecte maatpakken gelden tot op heden als kleding voor mannen die zich deftig willen positioneren. Op de tentoonstelling hangt het blauwe krijtstreeppak en de fel gekleurde brede stropdas in borrelli-knoop van wijlen Pim Fortuyn. Hij droeg deze outfit onder meer tijdens zijn presentatie ‘at your service’. Daarnaast hangen een helblauw pak van Jort Kelder (stijlicoon van de Gooise kakker?) en twee grijs gestreepte wollen pakken uit 1985 en 1986 van de Franse oud-president François Mitterrand. De socialist stond bekend als een joyeuze en goed – en peperduur – geklede man.

Duidelijk wordt dat een échte man een pak draagt en natuurlijk geen rok of jurk. Het is in de geschiedenis vaak geprobeerd. In Engeland pleitte in de jaren dertig van de vorige eeuw een politieke partij, de Men’s Dress Reform Party, voor het salonfähig maken van vrouwelijke kleding voor mannen. De oorlog zette daar een streep door.
Ook eerder in de geschiedenis, tussen de zestiende en halverwege de negentiende eeuw, droegen knapen (tot de pubertijd) rokken en jurken. De reden zou praktisch zijn: jongens die nog niet zindelijk waren konden niet in hun broek plassen. Op latere leeftijd had het juist te maken met ontluikende seksualiteit. De Duitse arts Faust meldde in 1791 in het Nederlandse tijdschrift Kabinet van Mode en Smaak dat broeken een hoogst nadelige dracht voor jongens waren. Ze prikkelden de natuurdriften en waren veel te verhittend. Hij pleitte ervoor om knapen tot veertien jaar in een eenvoudige lange witte kiel te laten lopen.
De rok voor de westerse man heeft een kans gemaakt om door te breken in de jaren zestig van de vorige eeuw. Samen met de Franse Revolutie geldt deze periode als dé grote omwenteling in de mannenmode. Maar dan in omgekeerde richting: felle kleuren, zachte materialen als zijde en fluweel, weelderige vormen en unisekskleding raakten juist in. Dat had te maken met de opkomst van de jeugdcultuur, aan popmuziek verwante subculturen en de vrijetijdskleding. In de welvaartsmaatschappij kwam ruimte vrij om allerlei sociale taboes te doorbreken. De bijl ging zowel in de standenmaatschappij als de patriarchale machtsstructuur. Het ideaal in progressieve en alternatieve kringen was het androgyne type met lang haar, een niet-macho silhouet en een lieve glimlach. Bij wijze van rollenpatroon doorbrekend statement kleedden zij zich in geborduurde India-hesjes en Marokkaanse kaftans. Maar terwijl vrouwen massaal de broek aantrokken, sloeg de rok voor mannen niet aan. Een roze tuinbroek was zo’n beetje het maximum voor de nieuwe huisman. Werkende vrouwen gingen omgekeerd wel het powerpak dragen, waarmee ze zich voegden naar mannelijke maatstaven.

Met de rok zal het in de westerse wereld voorlopig niet lukken. Het betekent per definitie verlies van mannelijkheid, ook al is de Schotse kilt een lokale uitzondering. Dat blijkt ook uit het ideaalbeeld van de man in 2008: enerzijds een gespierd sportief überseksueel type, anderzijds een anorectisch bleek vrouwelijk jongetje. Die ambivalentie getuigt wel degelijk van enige identiteitsverwarring.
De ontwerper Walter van Beirendonck speelt in zijn ontwerpen voor de moderne man met botsende westerse en islamitische gender-waarden. Hij ontwierp de ‘boerkatrui’ voor mannen: een losse gestreepte trui met een knalgroene gezichtsbedekkende capuchon. Wil hij daarmee zeggen dat de emancipatie van álle vrouwen niet van één kant komt?

De ideale man: Mode voor echte mannen, Haags Gemeentemuseum, tot eind oktober