Van regenwoud tot leeg land

Een ecologische ramp, een knieval voor gewetenloze plunderaars? Welnee, da’s allemaal neokoloniale kwaadsprekerij. Aldus de Surinaamse regering, die haar regenwouden in het kader van de ‘zuid-zuidsamenwerking’ uitlevert aan malafide Indonesische houtkapconcerns.
OP DE VOORPAGINA van het grootste dagblad van Suriname, De Ware Tijd, prijkt een foto van gezette Indonesische heren te Paramaribo. Ambassadeur drs. R. Soewandi Kusumoadinoto staat tussen de directeuren van het Indonesische concern NV Rante Mario, de zogeheten Humpuss Group, die grote belangstelling heeft voor houtkap in het tropische regenwoud van Suriname. De eerdere nationale en internationale opschudding rond het contract en de vestiging van de Indonesische investeringsgroep Mitra Usaha Sejati Abadi (MUSA) in Suriname lijkt geen indruk te hebben gemaakt. De ‘onafhankelijke’ Ware Tijd duidt de kritiek op Musa als ‘hetze’ aan en kopt euforisch: ‘Investeringen in bosbouwsector: Veel geld en 12.000 arbeidsplaatsen - Controle op naleving overeenkomsten vitaal.’

De betrouwbaarheid van Musa is twijfelachtig. Volgens de lijst van herbebossingsprojecten van het Indonesische ministerie van Bosbouw staat de firma slecht aangeschreven. De Indonesische milieu- en bosbouworganisatie Skephi verklaarde dat twee Musa-bedrijven tienduizenden hectares bos hebben leeggekapt zonder zich aan de herbebossingsverplichtingen te houden. Oost- Kalimantan en vele andere gebieden zitten met de ecologische gevolgen van de kaalkap.
Eind jaren tachtig hadden de nieuwe sultans van ’s werelds grootste houtkapbedrijven de bossen van Azie uitgeput. Met hun kapitaal, tweedehands machines, eigen mankracht, smeergelden en salestalk trokken zij naar de noodlijdende landen in het Caribische bekken. Zij zorgden daar voor drastische koerswijzigingen in het nationale bosbouwbeleid.
IN GUYANA, de westerbuur van Suriname, was in 1989 van de 14 miljoen hectare regenwoud 2,4 vier miljoen hectare in gebruik. De totale oppervlakte van het land bedraagt 22 miljoen hectare. De Guyaanse regering besloot tot een Nationaal Bosbouw Actieplan om te komen tot een duurzaam gebruik van het woud. De exploiteerbare zone werd beperkt tot 3,6 miljoen hectare. Er zou worden gewerkt met programma’s voor herbebossing. Een investering van 23 miljoen dollar zou garant staan voor een effectieve bosadministratie en een controle-apparaat met 76 getrainde bostechnici en boswachters.
De Aziatische verleiding bleek echter sterker. Na nauwelijks vijf jaar was reeds acht miljoen hectare aan houtconcessies vrijgegeven en werden voor vier miljoen hectare voorbereidende gesprekken gevoerd. De bezetting van de afdeling Bosbeheer die de controle moest uitvoeren, bleef beperkt tot vijf man. Feitelijk stond de dienst onder controle van de bedrijven op wie deze toezicht diende te houden. Bovendien hadden de buitenlandse houtbedrijven, gebruikmakend van de deplorabele economische situatie van de voormalige Britse kolonie, zeer lucratieve contracten weten af te dwingen. De inkomsten voor Guyana zelf bleven tot het minimum beperkt. In zijn artikel The New Sultans Asian Loggers Move in on Guyana’s Forests in The Ecologist van maart/april 1994 sprak Marcus Colchester dan ook van ‘Zuid- zuidkolonialisme’.
Naast de financiele schade en de milieuschade lijdt Guyana ook direct schade vanuit het oogpunt van de menselijke ontwikkeling. Inheemse volkeren dreigen van hun gronden te worden verdreven. Sommigen zijn hun traditionele woonplaatsen al ontvlucht en zoeken hun heil in het naburige Venezuela.
IN HET AMAPA- EN Para-district in Noordoost-Brazilie zijn de verschrikkingen van de kaalkap goed te zien. Rampzalige droogte heeft hele bevolkingsgroepen gedwongen te verhuizen. De belofte van de kaalkapbedrijven dat de schade via herbebossing zal worden hersteld, is een loze. Een bos is immers een labiel systeem van vele kleine kringlopen, en tropische gronden zijn teer. Door het wegkappen van bomen vernielt men het hele ingenieuze ecosysteem. Het zware rollend materieel beschadigt de dunne humuslaag die de voedingsbodem is van schimmels, paddestoelen, planten, insekten en kleine dieren en het verjaagt of doodt het dierlijk leven in en onder de bomen. Na het voorbijtrekken van een houtkapbedrijf is het bos letterlijk leeg. Erosie en klimatologische veranderingen zijn het gevolg.
Maar de zittende politiek-economische klasse hecht meer aan de duurzaamheid van haar eigen macht dan aan die van het regenwoud. Een onderhandelingscommissie van het Surinaamse ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen sloot in de tweede helft van vorig jaar conceptovereenkomsten met drie houtmultinationals: de Maleisische Berjaya en de Indonesische Musa Indo Suriname en Sur-Atlantic (Atang Group). Het gaat om een mogelijke concessieverlening van in totaal drie miljoen hectare in Zuid- en West- Suriname. Musa aast op maar liefst zes miljoen hectare. Suriname bezit in totaal vijftien miljoen hectare regenwoud. Volgens N. R. de Graaf van de Landbouwuniversiteit Wageningen komt hooguit zeshonderdduizend hectare in aanmerking voor duurzame exploitatie.
De Surinaamse regering ontkent overigens dat ze haar regenwouden te grabbel gooit. Ze heeft de oprichting aangekondigd van een Houtinstituut dat de controle moet uitvoeren; dit zal 'mede’ door de houtkapbedrijven worden gefinancierd. Alhoewel er reeds overeenstemming is bereikt over de inhoud van de overeenkomst, is er volgens De Ware Tijd van 7 oktober 1994 nog 'nadere achtergrondinformatie van de investeerders opgevraagd’. De wereld op zijn kop: men geeft eerst groen licht, dan pas volgt een controlerend instituut. Eerst doet men zaken, pas daarna probeert men te achterhalen met wie eigenlijk zaken zijn gedaan. Volgens De Ware Tijd heeft ir. Iwan Krolis van de onderhandelingscomissie van het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, in het verleden adviseur van ex-legerleider Bouterse, 'er geen moeite mee dat de overheid pas over een goed functionerend controleapparaat zal beschikken wanneer de bedrijven reeds in produktie zijn’. Zich baserend op 'een historische beschouwing’ zei hij dat Suriname in het verleden eerst het controlemechanisme had versterkt, 'maar de investeerders kwamen niet’. Volgens Krolis is het dus beter de zaak nu om te draaien.
EEN OPMERKELIJK verschijnsel bij de dreigende commerciele invasie van de Surinaamse jungle is het agressief-propagandistische optreden van de lokale bruggehoofden van de Aziatische multinationals. Naast de beloften om middels de investeringen de sociale nood van de (binnenlandse) bevolking te zullen lenigen, wordt door de belanghebbenden het derde-wereldnationalisme van stal gehaald. De internationale kritiek op de dreigende kaalkap wordt als 'westers’ of 'Nederlands’ afgeschilderd, terwijl de introductie van het Aziatische grootkapitaal in Suriname als een vorm van 'zuid-zuidsamenwerking’ wordt beschouwd. Desi Bouterse - zelf ook diep in de bos-business - zei dat Musa werd aangevallen 'omdat het Indonesisch is’. Niets nieuws; toen Nederland de ontwikkelingshulp aan Jakarta na de Indonesische slachtpartijen onder demonstrerende studenten deels had bevroren, betuigde Bouterses NDP demonstratief de Surinaamse solidariteit met president Suharto. De Indonesische soevereiniteit zou terecht verdedigd zijn tegen 'Nederlands neo-kolonialisme’.
DE KLUWEN VAN invloedrijke lokale consultants, managers en pr-functionarissen maakt de Aziatische multinationals tot factoren van belang in het Surinaamse politieke leven. Het gevaar dat het buitenlandse kapitaal de politiek gaat beheersen, is zeker niet denkbeeldig. Willy Soemita, leider van de Javaanse KTPI en minister van Sociale Zaken, geldt als de man die de Musa heeft binnengehaald in Suriname. Soemita is het symbool van corruptie binnen de traditionele politieke partijen. Hij heeft al een gevangenisstraf achter de rug vanwege het achterover drukken van subsidiegelden voor sociaal zwakkeren. Voor de firma Berjaya treedt de beruchte zakenman Atta Mungra op. Deze nam ontslag als directeur van de Surinaamse luchtvaartmaatschappij SLM nadat een SLM-vliegtuig in de buurt van Zanderij te pletter was gevlogen. Mungra is het prototype van de opportunistische zakenman die zowel met de oude politiek (VHP) als het militaire bewind goede zaken deed. De rij is langer, de verstrengeling van Aziatisch kapitaal en de zittende politieke elite is een feit.
In een petitie aan parlementsvoorzitter Lachmon eisten zestien Surinaamse instellingen, waaronder de Organisatie van Inheemsen in Suriname, de Stichting Schoon Suriname, de mensenrechtenorganisatie Moi Wana '86 en het NGO-Forum (sectie Binnenland), uitstel van 'zo'n belangrijke beslissing over een groot deel van de toekomst van ons grondgebied’ totdat aan de noodzakelijke voorwaarden voor een mens- en milieuvriendelijk bosbeleid is voldaan. Het parlement moet nog beslissen over de conceptovereenkomsten met de Aziatische concerns. In een studie van de Amerikaanse milieuorganisatie World Resources - Met de rug tegen de muur in Suriname: Bosbouwpolitiek in crisis - concluderen Nigel Sizer en Richard Price dat Suriname, indien het ingaat op de contracten met de drie Aziatische bedrijven jaarlijks ongeveer tien procent van het bruto nationaal produkt zal derven. Suriname zou slechts een kwart van de inkomsten krijgen, terwijl de maatschappijen ruim drie kwart van de winst zullen opstrijken. De onderzoekers stellen dat Suriname voldoende duurzame alternatieven heeft ter benutting van het woud.
OP DE MILIEUCONFERENTIE van Rio de Janeiro in 1992 ondertekende de Surinaamse regering het internationale verdrag Agenda 21, waarin een paragraaf staat opgenomen over de duurzame exploitatie van het regenwoud. Op uitnodiging van Surinaamse milieuorganisaties bezocht Marcus Colchester van de World Rainforest Movement Suriname. Met verbazing stelde hij vast dat Suriname het enige land is dat hij kent dat zijn binnenlandbewoners zo weinig houvast voor hun grondrechten biedt. Volgens Agenda 21 en andere internationale verdragen is Suriname daar wel toe verplicht.
Colchester deed de aanbeveling dat Suriname niet voor de funeste korte-termijnaanpak kiest, maar voor de duurzame aanpak. Dat vraagt een goede voorbereiding met een degelijk wettelijk kader, een effectief controle-apparaat, research en respect voor het bos en zijn bewoners. Terecht merkte Colchester op dat de oorzaak van Surinames problemen niet in het bos ligt. De oplossing moet daar dan ook niet worden gezocht.
Colchesters pleidooi kan echter alleen worden verwezenlijkt met behulp van een functionerende rechtsstaat en langs de weg van democratie. Maar is het in existentiele nood verkerende politieke bestel van Suriname daartoe in staat? In het Suriname van vandaag genieten moordenaars en folteraars straffeloosheid. De politieke cultuur is er een van clientelisme. Na de verkiezingen is het gedaan met de betrokkenheid van de bevolking bij het openbaar bestuur. Zo ging het met de geforceerde staatkundige afscheiding van 1975, zo gaat het nu met het regenwoud. Maar met de dreigende kaalkap staat het bestaan van Suriname zelf op het spel. En dat van de rest van de wereld, dat zonder zuurstof uiteindelijk ook niet verder kan.
De ideeen die er in het Nederlandse parlement leven om te komen tot een financiele vergoeding voor regenwoudlanden als Suriname, in ruil voor behoud van de bossen (zodat de wereld in feite betaalt voor het produkt zuurstof in plaats van hout), moeten dan ook zo snel mogelijk in praktijk worden gebracht.