Van roken ga je dood

Ik heb een flinke hekel aan de zeloten van de anti-tabaksbeweging, met hun gedrein en gedram, maar toegegeven, ook bij de georganiseerde beroepspaffers staat het verstand af en toe op nul.

Zij zijn verenigd in de stichting Rokersbelangen en pretenderen vier miljoen rokers te representeren. Niettemin, ík, al veertig jaar lang roker uit aandrift en overtuiging, weet van niets. Nooit een blaadje op mijn deurmat gevonden, nooit een nette girobetaalkaart in de bus gekregen. Of hebben zij mijn centen niet nodig? Nee, de stichting Rokersbelangen wordt door de tabaksindustrie gefinancierd. Die lui (voorzitter, secretaris en penningmeester) hebben het dus dik voor elkaar: zij hebben van hun hobby hun beroep gemaakt.
Hoe behartig je de rokersbelangen? Dat is minder gemakkelijk dan het lijkt. Je kunt, als bestuur, natuurlijk bij toerbeurt op de tramhalte gaan staan teneinde demonstratief de brand in het rokertje te jagen. Voor de rest is het vrij machteloos gedoe. Kijk, de anti-rooklobby heeft een heldere, ondubbelzinnige boodschap: van roken ga je dood. Wat is echter de boodschap van de stichting Rokersbelangen? Dat je van roken níet doodgaat? Dat valt in redelijkheid niet vol te houden, ook al werden Sigmund Freud en Winston Churchill respectievelijk drieëntachtig en eenennegentig jaar oud, maar dat waren dan ook sigarenrokers, het elitekorps onder de nicotineverslaafden.
Omdat de stichting toch iets om handen moet hebben, heeft zij deze week bij de Reclamecodecommissie een klacht ingediend tegen de firma Odol, producent van mondwater. ‘Als ik in uw mond water, oh, dol!’ (schooljongenshumor). De geïncrimineerde advertentie toont een woesteling met een asbak-vol-peuken in zijn mond. Moraal van het verhaal: 'Mond dicht of Odol!’
De stichting Rokersbelangen spreekt over een 'afschuwelijke’ reclameboodschap die immers suggereert dat rokers 'een onaangename adem’ hebben. Vandaar hun klacht. Wat is dat voor een onzin? Rokers hèbben een onaangename adem, net als eters en drinkers. De enige uitzondering op de regel zijn wij, sigarenrokers. Om ons heen hangt de geur van verfijnde, kruidige mannelijkheid, wat verklaart dat wij, sigarenrokers, regelmatig op straat door onbekende jongedames worden staande gehouden, die niets liever willen dan ons, sigarenrokers, vol op de mond kussen. Ik geef toe, soms is het een probleem, met name als je in gezelschap bent, maar al met al is het een probleem waarmee te leven valt.
De nieuwste actie tegen de 'anti’s’ (nicotinejargon voor tabaksbestrijders) is een klaaglijn waarop 'gediscrimineerde’ rokers hun zegje kunnen doen. Want de stichting Rokersbelangen kent wel drie voorbeelden van sollicitanten die zijn afgewezen omdat zij rokers zijn. Nader onderzoek leerde dat tenminste een van die drie voorbeelden uit de rookdoordesemde lucht is gegrepen. Wat heet trouwens 'discriminatie’? Het is al vrij dubieus, vind ik, het lot van kritisch gevolgde rokers op één lijn met genegerde Turken of Marokkanen te stellen. Bovendien, kun je een werkgever het recht onthouden om de ruimte waarin hij werk geeft, rookvrij te verklaren? Ik wil maar zeggen: ik sta sinds jaar en dag als één man achter de rokende medemens, maar vodderig denken, bij monde van rokers en niet-rokers, is en blijft ten strengste verboden.