Mijn splinternieuwe vleermuizenhart klopte er onbevreesd op los. Klein maar hevig. Het was voor iemand van mijn nieuwe soort hierboven heel wat prettiger dan beneden. Rondom hing een dikke geurige damp van edel geraspt stof, gemengd met de meest eenvoudige maar desondanks veelzijdige schimmels.
Daarbij voelde ik hoe de zachte gloed van rottend hout mijn onwennige vleugels verwarmde. Streng, maar daarom dubbel aangenaam, en donker was het er.
Was ik er alleen iets mee opgeschoten?
Waarom had ik niet, toen dat in mijn onwetendheid nog mogelijk was, voor een omhulling als die van een in grenzenloos spinrag eindigende nachtzwaluw gekozen? Om dan alsnog in het vangnet van een Calabrisch vogelaar verzeild te raken. Had Schubert daar niet iets bij geschreven? Of was het graaf Peppoli?
Maar dat was wel heel imaginair toekomstgedruis. Ik was tenslotte niet eens een vleermuis. Zelfs niet iets wat daarop leek. Ik was een paar grijze wangen. Waaronder en daartussen een van nature maar al te suggestibel mens. Van huis uit opgevuld met een rijk boeket aan overwegingen. Van horizon tot horizon.
Het was niet moeilijk mij los te maken uit mijn gedaanteverwisseling.
De van noordoost tot zuidwest reikende doorsnede van wat er door mij heen ging tussen het moment van het welriekende ademtochtje en het voornemen mij, al was het maar voor een halve walnoot tijd, daar aan over te geven sneed mij als een mes los van de zoldering. Ik draaide mijn koel gelaat in de richting van de meest nabije lichaamstemperatuur. Afwachten was er daarna niet meer bij.