Exotisme in de literatuur

Van schapen en geiten

Het exotische in de boeken van veel jonge auteurs spreekt tot de Nederlandse verbeelding, maar stellen hun boeken ook in literaire zin iets voor?

De Nederlandse literatuur is de laatste jaren steeds exotischer geworden. In veel boeken van jonge auteurs duiken thema’s en onderwerpen op die we zelden of nooit eerder zijn tegengekomen. Exotische locaties, niet-westerse godsdiensten, tropische gebergten en nostalgische verhalen over een vroeger leven in een ver, ver land.

Met veel goodwill zijn romans van jonge auteurs ontvangen die met plezier en gevoel schreven over hun eigen «vorig leven» in hun eigen verre, verre land. Het debuut van Abdel kader Benali bijvoorbeeld, Bruiloft aan zee, was een eerbetoon aan het land van zijn geboorte en de soms bizarre personages die de schrijver daar laat wonen. Benali is een onovertroffen, vulkanische verteller, dus likten vele, vele lezers de vingers af bij de consumptie van zijn over elkaar heen tuimelende verhalen en verhaaltjes over ooms en neven, nichten en taxichauffeurs, schapen en geiten in Marokko. De ene grappige anekdote volgde op de andere in een roman die «on-Nederlands» werd genoemd, en die dat in zekere zin ook was. In een andere zin weer niet: ondanks alle exuberantie in Benali’s stijl, vertelde hij toch een min of meer realistisch verhaal, in een keurige chronologie. Het waren de onbekende verten waar de lezers naar konden staren die het boek zo populair maakten.

Ook bekend is het verhaal van Hafid Bouazza uit zijn eerste verhalenbundel, De voeten van Abdullah, waarin een eenzame boer in het Marokkaanse gebergte de liefde bedrijft met een geit, bij gebrek aan een andere manier om op korte termijn zijn seksuele talenten te ontplooien. De Nederlandse lezer geniet daarvan, net zoals hij de diavoorstelling over China op prijs stelt die Lulu Wang in haar werk voortovert, of van de Brieven uit Egypte van Nahed Selim, of van andere vertellingen uit de verste van de twee culturen waar veel schrijvers «tussen» heten te schrijven.

Al enkele jaren is «schrijven tussen twee culturen» een magisch begrip in de Nederlandse literatuur. Uitgeverijen zouden het liefst jonge jongens en meisjes op zes- à zevenjarige leeftijd uit Marokko, Egypte of China halen en ze overplaatsen naar pakweg Appelscha of Hoogezand-Sappemeer, om zich zodoende te verzekeren van een bloeiend fonds over vijftien of twintig jaar. Langetermijnplanning heet dat, investeren in de toekomst, net als Ajax doet met kleuter talentjes.

Voorlopig zijn er genoeg schrijvers die die twee culturen met zich meedragen en daarover schrijven. Over aandacht hebben ze niet te klagen, over erkenning ook niet. De Nederlandse pers is erg gesteld op deze, veelal jonge auteurs die onze literatuur hebben geïnjecteerd met een forse dosis exotisme. Wier personages door bergen lopen in plaats van weilanden. Waar zonneschijn is in plaats van regen. Allah in plaats van God. Moskeeën en geen kerken.

Sterker nog: het wordt als een van hun sterke punten gezien dat ze een andere wereld kennen (en doen kennen) dan alleen de druilerige Hollandse. Schijnt de zon ook eens een beetje in Nederland… Maar de literaire waarde van zulk exotisme is een stuk geringer dan de anekdotische: hoeveel leuke en spannende verhalen je ook vertelt over on-Nederlandse oorden en gebeurtenissen, een boek wordt daar niet meteen een goed boek van. Het vertellen van verhalen en verhaaltjes is natuurlijk een essen tieel onderdeel van literatuur, maar het wordt pas interessant wanneer de schrijver naar een niveau hoger klimt, en zich in zijn werk bewust toont van zijn eigen creatieve daad: schrijven is dan niet vertellen, maar schrijven over het vertellen, en vertellen over het schrijven van vertelde verhalen. Een roman bestaat niet bij de anekdote alleen. Een roman is taal, en structuur, en stijl. En willen de nieuwe jonge auteurs zich daadwerkelijk bewijzen, dan dienen ze op die punten te overtuigen.

Said El Haji (1976, Isoefajen, Marokko) doet dat bijvoorbeeld niet. Zijn debuut, De dagen van Sjaitan, werd weliswaar goed ontvangen in de Nederlandse pers, maar toont bij serieuze lezing veel zwakheden. De dagen van Sjaitan is een jongensboek. Zoiets als De Kameleon, of nee, De Katjangs. Over jongens die «anders» zijn dan wijzelf: de Katjangs kwamen uit Indië en hadden gewoonten die wij witte Hollanders niet kenden. Het was spannend om over ze te lezen. Als die twee pubers naar kostschool gingen, of hun elftal aan de overwinning hielpen, lazen wij met rode konen voort en voort.

Jongens maakten ruzie met andere jongens, kwamen in opstand tegen hun ouders, kregen klappen op hun kop en draaien om de oren van hun vader en werden bestraft door de onderwijzer. In het dorp was dan altijd een grote, stoere, ietwat dommige jongen, de zoon van de bakker of zo, die onze helden niet mocht en met graagte fysieke overredingskracht toepaste om hen dat te laten merken.

De taal waarin zulke jongensboeken waren gesteld, klopte helemaal. Stoere jongens, ferme knapen, draaien om oren en zo voort. Het verhaal dat erin werd verteld was steevast een tranentrekkende geschiedenis van problemen en tegenslagen en de overwinning daarvan: held ontmoet probleem, kan het niet meteen overwinnen, verliest, krijgt dan hulp (soms op magische wijze), bindt opnieuw de strijd aan en wint nu wel. Wordt ten slotte beloond met de hand van de blonde prinses.

De dagen van Sjaitan is een fijn jongensboek. De protagonist Hamid, «die liever wolken tekent dan naar de koranschool gaat» is een jongen die het aan de stok krijgt met andere jongens en met zijn autoritaire vader. De bron van het conflict met de ouderlijke macht is het geloof. Vader is namelijk streng islamitisch en wil zijn kinderen streng islamitisch opvoeden. Hamid verzet zich tegen het geloof van zijn vader.

El Haji heeft wat van de vroege Jan Wolkers, door zijn onderwerp. De zoon die zich afzet tegen het geloof van zijn vader kennen wij alleen uit protestantse en rooms-katholieke kring. Een verhaal over een vergelijkbaar conflict in een islamitische familie is nieuw, is onbekend en daardoor al spannend.

Behalve wat perspectiefwisselingen gebruikt Said El Haji geen literaire procédés om zijn verhaal aan het lineaire, realistische te ontrukken. Daardoor wordt het een vrij voorspelbaar verhaal, met voorspelbare gebeurtenissen en een quasi-filosofische thematiek die echter flinterdun en regelrecht kinderachtig is. Vader gelooft in God, net als de imam, die de koranschool leidt en Hamid dus mede opvoedt, en de ongelovige zoon gaat met beiden in discussie.

«‹Geloof jij wél in Allah?› vraagt Hamid.

‹Tuurlijk›, zegt de imam.

‹Kén jij Allah?›

Duidelijk niet in de gaten hebbend waar Hamid heen wil, verklaart de imam met de zekerheid van de allesweter: ‹Ja, want Allah is in mijn hart.›

‹Maar geloven is niet hetzelfde als kennen!› roept Hamid triomfantelijk.»

De dagen van Sjaitan doet denken aan de roman van Naima El Bezaz, De weg naar het noorden, die enkele jaren geleden werd bekroond als een Best Kinderboek. Het tragische was dat het was geschreven en uitgegeven als een volwassen roman, door een volwassen uitgeverij. Ook De dagen van Sjaitan valt in de categorie jongensboek. Niet omdat het kinderachtig is, maar vanwege de eenvoudige plot, het weinig verheffende realisme, de krakkemikkige stijl en de oubollige taal. Pagina na pagina treffen we onhandige formuleringen aan. «Op zijn ouder dan feitelijk lijkende gezicht lag de spottende grijns van iemand die zich voortdurend laat verbazen over de onnozelheid van de mensen (…)»; «Eenmaal warm en wel organiseerden de jonge Marokkanen partijtjes. Ze konden daarin opgaan alsof er niets anders bestond. Helemaal top was het wanneer een groep Hollandse jongens zich aandiende voor een potje Nederland-Marokko.» «Ze keerden hun rug naar het probleem, ontkenden het, terwijl het zich almaar opstapelde.» «Maar is het niet om los te lopen zo stom om Zijn bestaan te manifesteren onder zo veel verschillende namen?»

Said El Haji is uitgebreid geprezen voor deze eerste roman. Hij is nog erg jong, en om op die leeftijd al zo’n boek te hebben geschreven is geen geringe prestatie. Dat is het inderdaad niet, maar er is wel een groot verschil tussen een «echte» literaire roman en dit boek.

Achter in De dagen van Sjaitan is een Verklarende woordenlijst opgenomen: al igwan — de religieuze gemeenschap; al jahoed! — (als scheldwoord) jood!; Allah saghier — Allah is klein.

Yuhong Gong (1968, Kunming, China) debuteerde met Vliegers boven Lentestad, waarin ze het verhaal vertelt van een jonge vrouw, Meia, die terugkeert naar de stad waar zij opgroeide. Daar ontmoet ze de twee grote liefdes uit haar jeugd, een man en een vrouw. Zij zijn inmiddels met elkaar getrouwd. Tegen de achtergrond van het Chinese landschap ontrolt zich een verhaal dat «zindert van liefde».

«Voorbij het water waar hij zat was in de verte een grijsblauwe massa te zien. Bergen. Vóór die bergen verrezen de betonskeletten van gebouwen. Wanneer de wolken naar de bergen vloeiden en eendrachtig veranderden in buitenissige dieren, namen ook de betonnen constructies paradijselijke gedaanten aan. Dan baadde alles in de gouden hemelgloed.

Ze kwam, zijn engel, met haar duivelse kuis heid — Lucifera, zijn gevallen engelin, zijn lieve ling?

Ze rolde zich op in zijn omhelzing, hij kon zijn gezicht tegen haar sterke boezem laten rusten, waarvandaan hij zag hoe het Paradijs in de verte andere gedaanten aannam en ten slotte verdween…»

De wereld neemt andere gedaanten aan wanneer we ernaar kijken door de ogen van een schrijver die niet alleen maar Nederlands is, en dat bekoort ons lezers. Vliegers boven Lentestad is verder een nogal overgevoelig liefdesverhaal, met veel tranen en veel diepdonkere ogen en smachtende lippen. Daar kunnen ook de intermezzo’s van Italo Calvino, de brieven en gecursiveerde gedichten niets aan verhelpen. Dit boek moet het niet hebben van zijn literaire kracht, maar van de overtuiging van het vreemde, en de verlokking van het onbekende.

Achter in Vliegers boven Lentestad vinden we een Verklaring van enkele gebruikte woorden en namen: Beppu — «Ergens Anders», daar en daar, je weet wel waar; biwa — (ook wel pipa) Chinees snaarinstrument.

(Met dank aan Adriaan, Oscar en Lex, die mijn droom een toekomst gaven.)

Ook het debuut van Chandra Doest (1974, Amsterdam, Nederland), Anthon en Annissa, komt niet veel verder dan een doorsnee liefdesverhaal. Deze roman gaat gebukt onder een te grote eenvoud, op stilistisch niveau met name. Anthon en Annissa is weinig meer dan een aflevering van de Bouquetreeks. Er is geprobeerd daar iets aan te doen door hier en daar een e-mail op te nemen, of een liedje, of een anderszins typografisch bloempje (de hand van de uitgever lijkt ver te reiken), maar dat mag niet verhullen dat de roman een slap liefdesverhaal is, zonder enige literaire pretentie. Die pretentie heeft de auteur wellicht niet gehad, maar in de kritiek wordt meer dan eens gejuicht over de roman debuten van deze jonge auteurs. Veel te gemakkelijk wordt een boek serieus genomen als literatuur, veel te gretig worden deze jongelingen geprezen.

Achter in Anthon en Annissa is een Verklarende woordenlijst opgenomen: abun — oké; aimipikin… Ikansiedatyekonpaspasinakondredisi […] densmafisalukupeyude — het is duidelijk dat jij pas in dit land bent. We dragen hier veel kleren, maar ook weer niet te veel. Waar woon je? Je bent vast familie van die mensen van voor in de straat. Laat me je naar huis brengen, voordat iedereen naar je op zoek gaat; a kondre disi switi — dit land is geweldig.

(Oscar, Adriaan, Michiel en Agnes — zonder de rest van het team te kort te willen doen… bedankt voor jullie steun en geloof.)

Ook het debuut van Khalid Boudou (1974, Tamsamane, Marokko) kreeg een warme ontvangst. Het is duidelijk waarom: Het schnitzelparadijs is een pakkend boek, een zeer vlot geschreven en vloeiend verteld verhaal over een bordenwasser in een Van der Valk-achtig restaurant. Omdat de verteller ook nog een brusselmansiaanse humor bezit, leest dit debuut erg gemakkelijk weg. Bijna literette, zoals Ronald Giphart zijn eigen werk noemt.

Het schnitzelparadijs heeft echter meer te bieden dan, bijvoorbeeld, De dagen van Sjaitan of Anthon en Annissa. Boudou lijkt al een stap verder te zijn in het overwinnen van het «twee-culturen-syndroom»: zijn afkomst en emigratie vormen geen probleem voor hem, althans niet in dit boek. Het hoofdpersonage wordt er niet door bepaald, zoals veel van de andere karakters in het werk van deze jonge auteurs wél worden.

Hoofdpersoon Nordip heeft iets weg van de hoofdpersoon uit De man die werk vond van Herman Brusselmans. Na een lange, lange periode van depressiviteit (twee jaar lag hij te slapen) probeert hij zijn leven weer op te nemen en opnieuw te beginnen. Tot verbazing van het bedrijf zelf biedt hij zich aan als hulpje in de keuken van De Blauwe Gier. Nordip wordt bordenwasser. Voor hem betekent dit meer dan slechts een baantje. Het geeft hem de kans de wereld opnieuw te ontdekken, zijn wereld opnieuw uit te vinden.

«Ik wist dat de keuken de allerbeste plaats zou zijn voor een stage, voor iemand die opnieuw wilde beginnen, voor een kind dat al zijn speelgoed heeft stukgeslagen in de hoop iets nieuws te krijgen Wat heb ik misdaan dat ik, gewapend met dit schuldgevoel in mijn rugtas, opnieuw wil beginnen? (…) De avonden hing ik rond op de toe gewezen hang-jezelf-op-plekken in de wijk, en de rest van de tijd bracht ik lange dagen slapend door. Ik werd sloom, lui, ik kon de kracht niet meer vinden om de draad weer op te pakken. Ik liet de dampende groentepotjes van mijn moeder staan en leefde als een marmot van pizza-slices en McDonald’s-Burgers.»

Een nieuw begin, in een nieuwe, kleine, overzichtelijke wereld. «In de keuken van De Blauwe Gier, aan de westrand van Opdeinen, een wereld waar liefde, haat, wedijver, spanning, kilte, warmte en nog zo veel meer te vinden was… Het klonk als de grote wereld, maar dan in het klein…»

Het lijkt op wat de After Nature-groep enkele jaren geleden in de beeldende kunst wilde: weer met schildersezel het weiland in, om het landschap te schilderen. Helemaal terug naar het beginpunt, weer opnieuw leren kijken, proberen de ballast van eeuwen kunstgeschiedenis af te werpen, en zich opnieuw te oriënteren op de eigen wereld. Zo klein mogelijk, en zo dichtbij mogelijk. Want ik is het centrum van het universum. Willen we een uitweg kunnen vinden uit deze vastgelopen wereld, dan moeten we naïef zijn. We moeten terug naar het begin, de bron, en vanaf nul weer leren kijken. Met nieuwe, blote ogen.

Het is dan ook niet voor niets dat in Het schnitzelparadijs de uitweidingen over en flashbacks naar «het eerdere leven» in Marokko schaars zijn, en tussen neus en lippen door worden neergezet. Ze krijgen daardoor niet de zwaarte van een Probleem, van een echt Thema, zoals bijvoorbeeld bij Said El Haji, Yuhong Gong, Nasim Khaksar, Nahed Selim en Chandra Doest. Nordip is niet gevormd door het boerenleven in het bergdorpje waar hij werd geboren, zoals de jonge Hamid dat wél is. Nordips achterland is het Nederland van Veronica en Douwe Egberts, niet het Noord-Afrika van schapen en geiten onder stoffig zonlicht.

Als Boudou het leven aldaar beschrijft, is het met afstand, en speelse ironie. Hij, inwoner van Tiel, laat zijn protagonist bijna Nederlandser dan de Nederlanders zijn. Hij staat daarmee duidelijk verder van het twee-culturen-syndroom af dan zijn collega-auteurs. De eerste bladzijden van de roman, waarin Nordip het besluit neemt zijn oude leven achter zich te laten en opnieuw te beginnen, zijn wellicht ook te lezen als een poging zich los te maken van een bepaalde literatuur, en een andere weg in te slaan. Je hoeft het er niet in te zien, maar je kunt het lezen als het aanwijzen van een richting: weg van het exotisme, weg van de anekdotes over dat verre land van vroeger. Weg van de schapen en geiten.

Het schnitzelparadijs is de meest literaire roman van allemaal. Khalid Boudou past trucs toe op zijn verhaal, zonder ze pontificaal te presenteren. Hij speelt met zijn personages, en met zijn verhaal, en met het fictieve ervan. Dat zijn de dingen die literatuur maken, die een verhaal kunnen opwaarderen tot een echte roman.

Achter in Het schnitzelparadijs is een Verklarende woordenlijst opgenomen: ajamshjoem — banaal persoon; aralla — dame; Aromie — (lett. «Romein») westerling.

(Met dank aan Agnes (echt waar!), Adriaan en Oscar! Zoveel geduld!)