De vader van Sherlock Holmes

Van schrijver tot personage

Sir Arthur Conan Doyle, de schepper van meesterspeurder Sherlock Holmes, houdt zeventig jaar na zijn dood nog steeds de gemoederen bezig. Als literair personage duikt de schrijver telkens op in het verbeeldingrijke werk van anderen.

Om de zoveel jaar brengen de voorpagina’s van de Engelse kranten een sensationeel verhaal over Arthur Conan Doyle. Ruim tien jaar geleden kopten ze dat de schepper van Sherlock Holmes een vileine practical joke had uitgehaald. Op een plek waar archeologisch onderzoek werd gedaan, zou Doyle wat botten in de grond hebben gestopt die na opgraving prompt door deskundigen werden gepromoveerd tot de Piltdown Man, een van de oudste resten van menselijk leven in Engeland. Doyle zou hebben gehandeld uit rancune jegens de geleerden die hem belachelijk maakten om zijn kruistocht voor het spiritisme.

Enkele weken geleden brachten Engelse kranten het nieuws dat Doyle plagiaat zou hebben gepleegd en uit angst voor ontmaskering de gepla gieer de zou hebben vergiftigd. Aldus de Brit Rodger Garrick-Steele, die beweert dat Doyle het Sherlock Holmes-verhaal The Hound of the Baskervilles heeft gejat van het boek Adventure on Dartmoor (1900) van zijn vriend Bertram (Fletcher) Robinson. Na meer dan tien jaar onderzoek komt Garrick-Steele tot de conclusie dat «de geheimzinnige dood» aan tyfus van Robinson in 1907 door Doyle is veroorzaakt. Die was een relatie begonnen met mevrouw Robinson en had haar zo ver gekregen dat zij haar man met laudanum vergiftigde.

Maar geen uitgever wil eraan, klaagt de amateur-biograaf tegen de journalisten die hem in zijn rustieke woning in Dartmoor opzoeken, niet toevallig de voormalige woning van het echtpaar Robinson.

Hoe zit het met de Hound en Robinson? Toen de eerste aflevering van de Hound in The Strand Magazine verscheen, in augustus 1901 — tot uitzinnige vreugde van de lezers en de eigenaars van het tijdschrift na tien jaar weer een Holmes-verhaal — plaatste Doyle op de eerste bladzijde de volgende noot: «This story owes its inception to my friend,/ Mr Fletcher Robinson, who has helped me both/ in the general plot and in the local details.»

Kortom, de opzet, het globale plot en de plaatselijke details: Robinson. Wat valt er dan nog te plagiëren? Er zijn brieven van Doyle uit 1900 waarin hij het uitgebreid heeft over zijn discussies met Robinson in Dartmoor, waar ze beiden verbleven voor het nieuwe verhaal. Er is correspondentie met de uitgever van de Strand waarin Doyle dringend verzocht om de Hound te laten verschijnen onder hun beider namen.

Weliswaar heeft Doyle na Robinsons dood wel eens diens bijdrage aan de Hound onder de korenmaat gesteld, maar dat Robinson bijna zeven jaar heeft gezwegen over het plagiaat op zijn geestesproduct lijkt onwaarschijnlijk. Zeker na het verschijnen van de zeer lucratieve boekversie van de Hound in 1902. Want geldzucht is een strovuur. Eerder geloof ik dat Robinson uit geldzucht Doyle zou vermoorden dan dat zijn vrouw haar echtgenoot zou doden uit liefde voor Doyle.

Maar inmiddels heeft Garrick-Steele al de filmrechten voor zijn dramatische moordverhaal verkocht. Dan wordt Doyle dus weer een filmpersonage, net als twee jaar terug in Fairy Tale: A True Story. Behalve zo'n film is er de laatste jaren een ware hausse om Doyle als romanfiguur te laten optreden, waarbij de auteurs in kwestie wel heel vrij met de biografische gegevens omspringen. Op basis van die fictieve Doyle valt er een alternatief profiel te construeren. Het is soms leuker dan het werkelijke leven van Sir Arthur, dat er overigens ook niet om loog. Maar over dat leven bezit elke behoorlijke Nederlandse bibliotheek wel een paar degelijke biografieën. Om het niet al te ingewikkeld te maken geef ik wel die «afwijkingen» in het fictieve profiel aan waarover onder biografen consensus bestaat.

De Britse auteur John Peel heeft in Evolution (1994) het fictieve leven van de jonge Doyle beschreven. Links en rechts stelend uit H.G. Wells’ The Island of Doctor Moreau en Kobe Abes Het tijdperk der aquanen beschrijft Peel hoe tijdreiziger Doctor Who en zijn collega een krankzinnige geleerde in het Victoriaanse Engeland uitschakelen. Hierbij verleent Doyle — de walvisvaarder waarop hij als jonge scheepsarts werkt, wordt in de buurt van het kustplaatsje gerepareerd — assistentie en helpt de vijftienjarige Rudyard Kipling ook een handje mee. En die slimme Doctor Who met zijn tweekleppige pet en cape is natuurlijk voor Doyle de inspiratie voor Sherlock Holmes ge weest.

Ook de Amerikaan Mark Frost heeft zo'n inspirator bedacht in de twee thrillers die hij aan Doyle heeft gewijd. Het gaat om de Conan Doyle die zich inmiddels als arts heeft gevestigd. In The List of 7 (1993) komen we eveneens gevaarlijke krankzinnigen tegen. Een geheim religieus genootschap wil door een buitenaards wezen de achterkleinzoon van koningin Victoria laten verwekken, zodat de «Oudere Goden» (uit het oeuvre van horrorauteur H.P. Lovecraft) hun rechten op de wereldheerschappij kunnen verzilveren. En passant komen de jonge Doyle en de cocaïneuze Holmes-voorstudie in het vissersdorpje Whitby de auteur Bram Stoker tegen, die daar stof verzamelt voor zijn roman Dracula.

De leider van de sekte is de slechte broer van de proto-Holmes, met wie deze al vechtend in de waterval bij het Zwitserse Reichenbach verdwijnt. Daardoor kreeg Doyle natuurlijk het idee om Holmes en professor Moriarty op die plaats te laten verdrinken. En wie komt de familie Doyle daar jaren later tegen met zijn ouders? Baby Adolf uit het naburige Braunau. Hebben de Oudere Goden misschien aldaar hun zaad uitgestrooid?

In The 6 Messiahs (1995) maakt Frost meer gebruik van Doyles biografie: diens eerste bezoek aan Amerika, in 1894, samen met zijn jongere broer Innes. Verschillende personages hebben in dit verhaal dezelfde repeterende droom, over zes figuren in een magische cirkel. Het gaat om een multicultureel gezelschap. Een shintopriester is op zoek naar een uit zijn tempel gestolen heilig boek. Een in Oxford geschoolde maharadja wil verdwenen vedaboeken opsporen. Een geleerde rabbi mist de Zohar. De kring dromers omvat nog een indiaanse medicijnvrouw en Doyles oude kennis, net als Sherlock Holmes herrezen uit de waterval, een christen. Als zesde verwacht je een wijze imam die een rol met soera’s kwijt is, maar de zesde Messias is gewoon de slechte broer, die net als zijn broeder is herrezen, en zich heeft vermomd als Reverend A. Glorious Day. Deze keer — jammer voor de Oudere Goden — werkt hij in opdracht van de aartsengel Lucifer en moet hij alle heilige boeken op aarde vernietigen. Dat lukt niet en hij sterft nu echt.

Frosts landgenote Roberta Rogow beschrijft een fase van Doyles leven precies tussen de twee romans in, wanneer hij pas getrouwd is. En ook zij voert een proto-Holmes op, niemand minder dan Lewis Carroll, die zij keurig met zijn eigen naam Dodgson aanduidt. Haar The Problem of the Missing Miss (1998) speelt in de zomer van 1885. Dodgson wacht op het station van Brighton op het dochtertje van een van zijn vroegere studenten. Vergeefs, want zijn logeetje wordt gekidnapt. Dodgson gaat op zoek naar het verdwenen meisje, geholpen door een jonge, ambitieuze arts die met zijn vrouw de wittebroodsweken in de badplaats doorbrengt: Arthur Conan Doyle.

Intussen liet Rogow nog twee romans over het duo Doyle-Dodgson verschijnen: The Problem of the Spiteful Spiritualist (1999; inderdaad over Doyles hobby, waartegen de logicus Dodgson uiteraard grote bezwaren heeft) en The Problem of the Evil Editor (2000; waarin we de jonge Beatrix Potter lang voor haar konijnenverhalen zien optreden).

Met The Demon Device (1979) van Robert Saffron springen we naar 1914. In deze roman vertelt Doyles geest vanuit het hiernamaals hoe hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog van een geheime regeringsopdracht heeft gekweten. De Teutonen hadden een dodelijk wapen en dat moest hij naar Engeland halen. Hij ontmoet Albert Ein stein, die via ingenieuze berekeningen een biljartwedstrijd van hem probeert te winnen; de «haarloze Mexi caan» uit het verhaal van Somerset Maugham; en ten slotte Lenin, die via Doyle uit Engeland financiële steun hoopt te verwerven en hem achter de gevaarlijke linies zijn netwerk van bolsjewistische agenten ter beschikking stelt, inclusief zijn maîtresse Inessa Armand.

Met de film Fairy Tale zijn we in 1917 beland. Historisch correct is dat in dat jaar twee Engelse meisjes een aantal foto’s van elfjes en een kabouter hebben genomen, welk nieuws door de Theosophic Society wereldkundig werd gemaakt. Doyle, die zich een jaar tevoren in het openbaar tot het spiritisme had bekeerd, was inderdaad een van de eersten die aan de authenticiteit van de foto’s geloof hechtten («een belangrijker ont dekking dan die van Columbus», riep hij uit). Maar in tegenstelling tot in de film is er in werkelijkheid nooit enige direct contact geweest tussen Doyle en de nichtjes Elsie Wright en Frances Griffith, en zeker niet in gezelschap van zijn vriend Harry Houdini. Het eerste optreden van de Amerikaanse boeienkoning in Engeland vond pas in 1920 plaats.

Historisch accuraat is wel weer dat deskundigen, inclusief die van de firma Kodak, meenden dat de foto’s echt waren. Maar voor al nadat de kaarsenfabrikant Price liet zien dat de elfjes exacte reproducties waren van een reclameposter die zijn firma al enige jaren verspreidde, sloeg de publieke opinie om, zowel in Engeland als in Amerika, waar Houdini de foto’s introduceerde. Toch hield Doyle koppig vol, conform zijn spiritistische opvattingen, en dat deed zijn reputatie geen goed. Anders was hij door de Britse regering zeker tot lord benoemd.

Maar regisseur Charles Sturridge geeft hem in Fairy Tale gelijk, want hij laat horden elfjes over het doek rondflitsen — in de vliegstijl van de elf Tinker Bell uit Disneys Peter Pan. Ook zien we de geest van Elsies overleden broertje, en dat ventje zit niet alleen zielig aan tafel, zoals geesten plegen te doen, maar loopt ook dwars door een sceptische journalist heen die in het huis is ingebroken. Deze doorloop vindt plaats vlak nadat Doyle op dierbare wijze aan Houdini heeft uitgelegd hoe hij met de geest van zijn overleden zoon Kingsley communiceert. Het zal dan ook niemand verbazen dat Houdini deze keer niet optreedt in de functie van ghostbuster waarom hij in zijn land zo bekend was, maar van een aardige, begrijpende oom.

Er verscheen de laatste jaren ook een aantal thrillers dat de relatie tussen Doyle en Houdini tot onderwerp heeft. Engelstalig — net als de al wat oudere opera Houdini (1977) van onze eigen Peter Schat (libretto Adrian Mitchell), die een scène bevat waarin het echtpaar Doyle hun vriend de boeienkoning zo ver krijgt in een seance de geest van zijn overleden moeder op te roepen. Volgens de biografen mondde die seance uit in een breuk met de Doyles: Houdini wist dat zijn moeder nooit anders dan Hongaars en Jiddisch had gesproken, maar op het Etherische Plan beheerste ze het Engels voortreffelijk. Ook vergat ze in de eeuwigheid die haar deelachtig was geworden dat ze op de dag van de seance jarig was.

Uiteraard keert deze anekdote terug in de recente thrillers over de controverse. De onbenulligste daarvan is Walter Satterthwaits Escapade (1995). Een Engelse lord met bolsjewistische sympathieën (voor Amerikanen het voorbeeld van Britse degeneratie) heeft op zijn kasteel een aantal gasten uitgenodigd voor een seance. Onder hen zijn Doyle (een flinke, verstandige reus, die volgens de auteur helaas wat te veel waarde hecht aan gene zijde) en Houdini (ondanks zijn gelijk een ijdeltuit met een minderwaardigheidscomplex).

De twee andere thrillers nemen als uitgangspunt de wedstrijd die het tijdschrift Scientific American eind 1922 uitriep: wie kan bewijzen dat mediums werkelijk in contact staan met geesten

Daarin is Believe! (1992) van William Shatner en Michael Tobias erg op de hand van Doyle (maar de eerste auteur is dan ook Captain Kirk uit Star Trek). Houdini krijgt in zijn ontsnappingswerk tegenslag op tegenslag te verduren, tot zelfs de geest van Doyles zoon Kingsley eraan te pas moet komen om zijn leven te redden. De oudere Doyle daarentegen ontsnapt zowaar met spirituele hulp uit een heuse Houdini-kooi die in ijskoud water is ondergedompeld. Hij wint op alle fronten.

William Hjortsbergs Nevermore (1994) is van de drie het spannendst. Tijdens de wedstrijd tussen Houdini en Doyle wordt in het New York van 1922-1923 een serie moorden gepleegd die de politie doet denken aan het werk van Edgar Allen Poe (de titel van de roman verwijst uiteraard naar diens gedicht The Raven). Zo wordt Doyle in een kelder ingemetseld door iemand die zich op een bal masqué als pestlijder heeft uitgedost en hem slechts een fles amontillado als leeftocht laat, en belandt Houdini vastgebonden onder een pendule met een gigantisch sikkelmes aan de onderzijde. Grappig is dat Doyle meent met de geest van Poe te communiceren en dat deze daarentegen zeker weet met de geest van Doyle te maken te hebben. Nevermore spreekt zich niet uit over wie gelijk heeft: Houdini en Doyle scheiden uiteindelijk als vrienden, niet geheel conform de opvatting der biografen.

Wat ik nog steeds mis is een fictionalisering van Doyles leven na zijn dood. De officiële biografen bieden daarvoor genoeg materiaal. Al snel na zijn dood in 1930 — een laatste tournee in Scandinavië, waarbij hij onderweg ook Den Haag aandeed, sloopte hem — had zijn vrouw Jean contact met zijn geest. Zij was niet de enige. Want zoals we hebben gezien, fingeert Saffron via een medium een verhaal uit 1914. Maar waarom komen er geen verhalen over 1940, 2000 of, nog liever over 2030?