Voorbij het eigen gelijk #13 Dominic Boot

Van Shell-directeur tot voorleesopa

Dominic Boot was ooit een meedogenloze directeur in dienst van het grootkapitaal, maar zijn hart lag altijd al ergens anders. In de Haagse Schilderswijk gaf hij les aan mensen met een migranten- en vluchtelingenachtergrond. ‘Als je één ding over mij kunt zeggen, is het dat ik de milieus onderzoek waar ik niet bij hoor.’

Dominic Boot – ‘Ik ben een humanist geworden’

Begin jaren negentig zeiden woedende Britse Shell-werknemers dat hun baas Dominic Boot hen erger dan een hond behandelde. Boot leidde in Groot-Brittannië een Shell-complex voor raffinaderij en chemie, waar hij zevenhonderd van de tweeduizend werknemers ontsloeg. Volgens hem gebeurde het netjes, Shell hielp bij het vinden van nieuwe banen. De gedupeerde werknemers zagen dat anders.

Tja, er moest iets gebeuren, vindt Boot nog steeds. ‘We hadden honderd miljoen pond verlies en ik moest het bedrijf redden. Dat is gelukt.’

Deze zelfde Dominic Boot (79) vindt het nog steeds erg dat buurthuis De Mussen in de Haagse Schilderswijk hem jaren later bedankte voor zijn lessen aan mensen met een migranten- en vluchtelingenachtergrond. Sinds 2001 bracht hij ze de Nederlandse taal en cultuur bij. Toen De Mussen zich in 2013 ging richten op geïsoleerd levende vrouwen in de Schilderswijk, de meesten met een islamitische achtergrond, bleek dat zij alleen een vrouwelijke docent accepteerden en kon hij gaan.

Hij was het fundamenteel oneens met die beslissing. Het mag respectvol lijken om mee te gaan in de wensen van de betreffende vrouwen, maar volgens hem getuigt zo’n houding juist van neerbuigendheid. ‘Het is moederlijk: wij hebben medelijden met jullie, wij zullen wel voor jullie zorgen. Die vrouwen zijn niet zielig! Medelijden is het ergste wat je mensen kunt aandoen!’ roept hij uit.

Hij mist De Mussen, ook al is hij intussen via de gemeente Rijswijk op een andere manier bij nieuwkomers betrokken. Hij helpt ze met het maken van cv’s en sollicitatiebrieven, en bereidt ze voor op een sollicitatiegesprek. Nuttig, maar hij staat niet meer midden in de Schilderswijk. ‘Bij De Mussen kende ik iedereen. Ik had de sleutel van het gebouw, ik was vaak de laatste die wegging. Mehmet, de conciërge, was dan al naar huis.’

Zijn vrouw zegt wel eens: ‘Wat moet je toch met die allochtonen?’ Ze vindt dat hij beter aandacht kan besteden aan hun vier kleinkinderen – die hij uiteraard ook belangrijk vindt, maar met nieuwkomers heeft hij iets anders.

Hij wordt gedreven door idealisme. Hij beseft dat het raar klinkt uit de mond van een oud-Shell-directeur, maar het is altijd de rode draad in zijn leven geweest. Zelfs zijn keuze voor Shell kwam daaruit voort. Hij legt het uit bij een kop koffie in zijn huis in de Haagse Archipelbuurt. We zitten aan de eettafel, met uitzicht op een ruime tuin die evengoed op de Veluwe zou kunnen liggen. Aan de muur hangt een schilderij van zijn overgrootmoeder Saint Ange Chasselat, de dochter van de niet onbekende Franse kunstschilder Henri Jean Saint Ange Chasselat. In 1868 trouwde ze met een Boot. Vanaf het doek kijkt ze met een serene blik de woonkamer in.

Boot somt meer feiten op uit zijn illustere familiegeschiedenis. Zijn verre voorvader Dominicus Boot was in de zestiende eeuw baljuw van Dordrecht. Zijn moeder was de dochter van een generaal die rond de vorige eeuwwisseling meehielp een opstand in Atjeh neer te slaan. Zijn oudoom was de Haarlemse kunstschilder Henri Boot die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog aansloot bij de Duitse Kultuurkamer, waardoor hij na de bevrijding zeven jaar niet mocht exposeren.

Hijzelf bracht een deel van zijn jeugd door in Frankrijk, waar zijn vader na de oorlog bij Shell werkte. In materieel opzicht kwam hij niets te kort, maar gelukkig was hij niet. Zijn ouders hadden één doel: een keiharde man van hem maken. Emoties tonen was zwak. Hij begrijpt waar die houding vandaan kwam: zijn moeder had als generaalsdochter de mores van het leger meegekregen en zijn vader had zijn eigen vader al jong aan tyfus verloren. Maar leuk was anders. ‘Vóór mijn twaalfde ben ik geen moment blij geweest.’

Op zijn twaalfde ging hij naar een Franse kostschool en op zijn dertiende kwam hij op de jezuïetenkostschool in Zeist. Hij zou er vijf jaar blijven en die periode zou zijn hele leven beïnvloeden. Hier werd zijn idealisme geboren. Hij leerde er dat je iets met je leven moest doen, dat je er voor anderen moest zijn. Het deed hem ook inzien hoe bevoorrecht hij ondanks alles was, hij zat toch maar mooi op deze dure kostschool.

Hij studeerde scheikunde en filosofie in Leiden, en werd lid van het corps, zoals in zijn kringen gebruikelijk was. Maar altijd had hij de drang andere werelden te ontdekken. Hij werkte bij een grofsmederij, waar hij voor het eerst kennismaakte met arbeiders. Twee maanden deed hij mee aan het programma van een Outward Bound School in het Zeeuwse Renesse, waar laagopgeleide jongeren discipline en zelfvertrouwen werd geleerd. Hij was ook een tijd reisleider en leraar op een middelbare school.

‘Als je één ding over mij kunt zeggen, is het dat ik de milieus onderzoek waar ik niet bij hoor’, zegt Boot. Hij denkt dat het komt doordat hij als jongen overal een buitenbeentje was. Op de Franse kostschool was hij ‘die Nederlander’, bij de jezuïeten ‘die Fransman’. Hij merkte ook dat hij in alle soorten milieus iets gemeen had met mensen, vooral de ongelukkige. Hij wist als geen ander wat het was om ongelukkig te zijn.

Hij bewonderde de Franse Abbé Pièrre, die de Emmaus-beweging opzette voor armen en daklozen. Artsen zonder Grenzen, nog zo’n prima club. Toch koos hij na zijn studie niet voor een van die organisaties, hij deed wat zijn vader had gedaan en maakte carrière bij Shell. Hij werkte er 35 jaar, waarvan 22 jaar in het buitenland: Trinidad, Curaçao, Groot-Brittannië, Frankrijk, Singapore en Australië. Hij hield vooral van de raffinage, waarbij hij boven op de verwerking van ruwe olie stond.

‘Ik ben natuurlijk niet stom, ik zie dat het kapitalisme sinds de jaren tachtig is ontspoord. Het model klopt niet meer’

Waarom Shell? Wat had dat met idealisme te maken? Het was de uitkomst van zijn onderzoek naar de vraag wie de mens bestuurt. Bij de jezuïeten had hij gehoord dat het God was, maar hij twijfelde. In 2014 publiceerde hij zijn boek Op zoek naar God, maar al ver daarvoor concludeerde hij dat God in ieder geval geen persoon is die zich met de wereld bemoeit. In de jaren zestig bestudeerde hij in het communistische Oost-Duitsland nog even de situatie waarin de staat allesbepalend is, maar daar kwam hij snel van terug.

Hij voelde zich het meest aangetrokken tot denkers als Spinoza, Erasmus en Diderot. ‘Ik ben een humanist geworden’, zegt hij. ‘Ik geloof in de mens en die bepaalt zijn eigen toekomst.’ Dát deed hem kiezen voor een baan bij Shell. Hij zag de industrie als de motor van de welvaart, dus als hij voor die sector koos, deed hij evengoed iets voor mensen die het minder goed hadden dan hij.

Natuurlijk is het hem niet ontgaan dat Shell steeds meer een ‘kwaadaardig’ imago kreeg, maar in zijn tijd vond hij het een ethisch bedrijf. Elk jaar moesten werknemers een code of conduct ondertekenen, waarin stond wat ze wel en niet mochten doen. En, zegt hij: ‘Shell betaalde alle werknemers, van hoog tot laag, ongelooflijk goed. Shell werd niet rijk over de ruggen van zijn mensen.’

Dan gaat naast het schilderij van zijn overgrootmoeder de huistelefoon. Boot neemt op en het gesprek gaat al gauw over de laatste verkiezingen. ‘Ik ben de vvd trouw gebleven’, zegt hij. Als hij weer aan de eettafel zit, wil hij nog kwijt dat Thierry Baudet, ‘die mafkees van Forum voor Democratie’, uit de EU wil en alleen al daarom zal hij nooit op die partij stemmen. ‘De EU is essentieel voor Nederland, hoe dom kun je zijn om daar uit te willen?’

Toch is hij ook teleurgesteld in de uitkomsten van zijn eigen geloof in de mens en de daarbij horende politieke opvattingen. ‘Ik heb mijn hele leven gewerkt aan welvaart en dat is gelukt. Het barst in Nederland van het geld en er gaan miljarden de wereld over. Maar we zijn niet wijzer geworden. Ik ben natuurlijk niet stom, ik zie dat het kapitalisme sinds de jaren tachtig is ontspoord. Het model klopt niet meer.’

Toen hij zijn carrière begon, waren bedrijven bezig met hun product en de mensen die het maakten, de aandeelhouders kwamen later wel. Nu gaat het volgens hem alleen nog om de aandeelhouders die in grote fondsen zitten, díe moeten tevreden worden gehouden. Onbegrijpelijk vindt hij het. Nog een punt van ergernis: de beloningen aan de top. ‘Waarom moeten mensen miljoenen per jaar verdienen? Dat kun je toch nooit uitgeven? Eén miljoen is toch al heel veel?’

In 2000 moest hij stoppen bij Shell. Hij was zestig en iedereen van die leeftijd moest eruit. Hij vond het niet leuk, maar er diende zich gelukkig weer wat nieuws aan. Hij werd directeur van de pas opgerichte Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (vnpi), de belangenclub van de grote oliemaatschappijen. Daarnaast zette hij zich in voor de Rotary, waarvan hij al eerder lid was geworden.

Op een dag praatte hij met zijn Haagse Rotary-vrienden over de integratie van nieuwkomers in Nederland. Hun conclusie was dat die problematisch verliep. Hij dacht aan het motto dat hij aan Shell had overgehouden: als je niet bezig bent met een probleem, ben je een probleem. Hij besloot in actie te komen. Het paste precies bij de doelstelling van de Rotary, want die wil ‘de wereld een betere plek maken, maar zonder politiek en geloof, want daarmee worden wiggen tussen mensen gedreven’.

Eind 2000 meldde hij zich als vrijwilliger bij buurthuis De Mussen in de Schilderswijk, de oude Haagse volkswijk die snel van samenstelling aan het veranderen was. Zijn stap werd niet door iedereen begrepen. Zijn Rotary-vrienden vroegen zich af of hij zich daar werkelijk nuttig kon maken. Ook de toenmalige directrice van De Mussen wist niet wat ze aan moest ‘met deze witte man met grijs haar’ – jawel, hij zegt wit in plaats van blank: ‘Zo heet dat tegenwoordig en ik heb daar geen last van.’

Na een poosje belde de directrice hem terug. Of hij zin had oudkomers Nederlandse les te geven? Boot had geen idee wat oudkomers waren, het bleken oudere migranten te zijn. Het ging vooral om mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst die al jaren in Nederland waren en nauwelijks Nederlands spraken. Het leek hem wel wat. Hij weet nog precies wanneer hij begon: op donderdag 8 februari 2001.

Hij maakte de lessen zelf, beginnend met het alfabet en eindigend met complexe Nederlandse zinnen. Hij laat het lesmateriaal zien: een dik pak papier met aandacht voor alle eigenaardigheden van het Nederlands. De stof gaf soms aanleiding tot discussie, zo praatten ze geregeld over onderwerpen als euthanasie, verkiezingen of hoofddoeken.

Hij merkte dat de meeste oudkomers niet erg fanatiek waren in het bijspijkeren van hun Nederlands, liever klaagden ze over de sfeer in Nederland die volgens hen aan het verharden was. ‘Nederlanders zijn niet aardig meer’, zeiden ze vaak. Na een jaar of twee, drie hielden de meesten ermee op en kwamen er steeds meer nieuwe, jonge migranten die wél snel vorderingen maakten.

Boot genoot. ‘Dit beantwoordde honderd procent aan mijn idealisme. Je kunt wel steeds leuteren over integratie, maar praat eens met mensen die nieuw zijn in Nederland, dan leer je wat over de samenleving. Door mijn lessen heb ik Nederland van een compleet andere kant leren kennen.’

‘Dan kun je zeggen dat er discriminatie bestaat, maar als je tijdens een sollicitatiegesprek over de koran wilt praten, krijg je natuurlijk nooit een baan’

Hij merkte hoe migranten in Nederland ‘geweldig uitgebuit’ worden. Een van zijn leerlingen liep rond met een lasoog, dankzij een Nederlandse scheepswerf die hem jarenlang zonder de juiste gezichtsbescherming had laten lassen. Een ander werkte nachtenlang zonder beschermende kleding in de vrieskelder van een Scheveningse visafslag.

Weer een ander zat voor een appel en een ei acht uur per dag op zijn knieën in het Westland fresia’s op te binden. Van een van zijn leerlingen hoorde hij ook over een Algerijnse vriend die illegaal in Nederland was. De man werkte als bouwvakker, viel en moest zelf de kosten voor een ambulance, röntgenfoto en de reparatie van zijn beenbreuk betalen. ‘Hoezo Nederland Arboland? Deze mensen zitten in een kwetsbare positie en Nederlandse werkgevers maken op grote schaal misbruik van ze.’

Aan de andere kant zag hij hoe de Nederlandse overheid nieuwkomers jarenlang in de watten heeft gelegd. Dat bleek alleen al uit zijn eerste lichting leerlingen die soms al decennia in Nederland waren, maar amper een woord Nederlands spraken. Toen in 2007 het inburgeringsexamen verplicht werd, inclusief een minimum kennis van de Nederlandse taal, zei zelfs de man met het lasoog: ‘Wel een beetje laat, hè?’

Tijdens zijn twaalf jaar bij De Mussen had Boot het idee dat hij bijdroeg aan de integratie. Tevreden fietste hij na elke les naar huis. En toen er verhalen over de Schilderswijk naar buiten kwamen dat het er gevaarlijk was, zei hij tegen iedereen die het wilde horen: ‘Wat een onzin. Ik voel me er helemaal thuis. Ik kom er elke week en er is niets aan de hand.’

Twee keer per jaar nam hij zijn leerlingen mee uit eten naar restaurant de Gouden Wok in het Zuiderpark. Hij pakt de foto’s van die etentjes erbij. Van elke persoon noemt hij de naam en geeft hij een korte karakteristiek. ‘Ik vond die klassen zo leuk’, zegt hij. Op een andere foto staat hij voor een flipboard tijdens een bezoek van zijn Rotary-vrienden aan De Mussen.

Alles veranderde met het aantreden van een nieuwe directrice bij De Mussen, die inzette op vrouwen die in de Schilderswijk in een isolement leefden, de meesten met een moslimachtergrond. Boot dacht dat hij hun docent zou worden, want hij had de expertise en een kant-en-klaar pakket van lesmateriaal. Maar de vrouwen wilden geen man voor de klas en toen werd er een vrouw ingehuurd. Hij had zijn lessen altijd voor niets gegeven, deze vrouw kreeg betaald.

Hij kon er met zijn verstand niet bij, maar hij bleef bij De Mussen om kinderen met lego te leren spelen. Af en toe draafde hij op als voorleesopa. Nog één keer probeerde hij een serieuzere taak te krijgen, toen De Mussen rond 2015 een project opzette om mensen uit de Schilderswijk aan werk te helpen. Opnieuw werd zijn bijdrage niet op prijs gesteld. Hij kreeg te horen dat hij leerlingen wegjoeg als zijn denkbeelden bekend zouden worden. Wat die zijn? ‘We kunnen in Nederland met allerlei culturen en godsdiensten samenleven, maar dan moeten we elkaar en de grondwet wel respecteren.’ En precies daaraan ontbreekt het bij migranten soms, naar zijn smaak. Hij ziet ‘een onderstroom van moslims die ons niet respecteren’.

Zo kreeg hij van moslimjongens uit de Schilderswijk te horen: ‘Als wij hier straks de baas zijn, gaan al jullie koppen eraf.’

Boot vroeg: ‘Ook die van mij?’

‘Niet als je moslim wordt’, zeiden ze.

Nog een voorbeeld dat hem te denken gaf: na zijn tijd bij De Mussen begeleidde hij een jongeman die stukken van de koran uit zijn hoofd kende en dat op zijn cv wilde vermelden. Boot legde hem uit dat het zijn kans op werk niet zou vergroten. Hij vindt: ‘Dan kun je zeggen dat er discriminatie bestaat, maar als je tijdens een sollicitatiegesprek over de koran wilt praten, krijg je natuurlijk nooit een baan.’

Toegeven aan speciale eisen zoals vrouwelijke leerkrachten vindt hij evenmin respectvol. ‘Je behandelt deze mensen daardoor anders dan andere Nederlanders. Die vertroeteling en omarming van die vrouwen in lange zwarte jurken leidt niet tot emancipatie en integratie, maar tot verdere verdeeldheid van Nederlandse bevolkingsgroepen. Laten we op een gelijkwaardige manier met ze omgaan.’

Goed, hij was boos nadat hij voor de tweede keer was afgewezen bij De Mussen. Hij stopte per direct als legobegeleider en voorleesopa. Zo kwam er een einde aan een jarenlange samenwerking. Hij ging verder bij de Buzinezzclub in Den Haag, waar hij migranten begeleidde bij het vinden van een baan. Toen die instantie stopte, kon hij voor de gemeente Rijswijk hetzelfde doen.

Maar als hij over De Mussen praat, voelt hij dat zijn hart daar nog steeds ligt. ‘Ik zou niets liever willen dan terug naar De Mussen’, zegt hij. Alhoewel? Hij kijkt peinzend. ‘Ik ken ook een buurthuis in Transvaal. Misschien ga ik het daar eens proberen.‘