Ineke van Kessel, Zwarte Hollanders: Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië

Van slaaf tot militair

Ineke van Kessel

Zwarte Hollanders: Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië

KIT Publishers, 303 blz., e 22,50

De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie handelden niet alleen in slaven, zij gebruikten ook zelf altijd veel gevangenen als personeel. Toen de VOC en de WIC eind achttiende eeuw ophielden te bestaan, namen de Staten-Generaal hun bezittingen over. Ook het oude slavenkasteel Elmina in het tegenwoordige Ghana kwam rechtstreeks onder bestuur van Den Haag. Alle Europese machthebbers lieten in hun koloniën Afrikaanse en Aziatische slaven voor zich werken, vooral in de functies van beulen en soldaten. Koning Willem I, de eerste Nederlandse koning, heeft dit gebruik nog voortgezet nadat de wettige mensenhandel was afgeschaft.

Volgens de grondwet van het nieuwe koninkrijk Nederland berustte het bestuur over alle «volksplantingen en bezittingen» in andere werelddelen «bij uitsluiting» bij de koning. Willem I werd al in 1815 de «koning-koopman» genoemd omdat hij vastberaden op winst uit was. Toen hij als koning aantrad, was hij vrijwel berooid. Toen hij stierf, had hij een flink startkapitaal voor de familie Van Oranje vergaard. De onderneming die hem veel winst bracht, was de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Maar de gewenste economische opbouw van Midden-Java werd zwaar gehinderd door opstandelingen. Nu herinnerden sommigen zich dat in de Compagnietijd gevangen Afrikanen de mensen op Java geweldige schrik aanjoegen. De secretaris van de NHM deed de koning schriftelijk het voorstel om opnieuw vanuit Elmina krachtige Afrikanen naar Java te brengen. De militaire commandant van Oost-Indië, generaal De Stuers (de vader van de beroemde culturele top ambtenaar Victor de Stuers die het Rijksmuseum heeft gebouwd), vond het een uitstekend idee. Weliswaar had Nederland het internationale verdrag ondertekend waarin handel in slaven strafbaar werd gesteld, het bezitten van slaven was in de Oost en de West nog algemeen ingeburgerd.

In 1836 arriveerde in Elmina de Nederlandse generaal-majoor Jan Verveer. Met tientallen Nederlanders en honderden Afrikanen reisde hij land inwaarts naar koning Kwaku Dua van Ashanti, een hele onderneming, want eerst moest een groep slaven het pad door het bos over een afstand van tweehonderd kilometer voor de draagstoelen van het gezantschap verbreden. Na veel verwikkelingen kwam Verveer met de koning overeen dat de Nederlandse regering jaarlijks duizend mannen voor het Oost-Indische leger in Ashanti zou kunnen werven. De historicus L.C. Vrijman schreef in 1943 in zijn pioniersstudie Slavenhalers en slavenhandel: «De negerkoning besloot zijn zoon en zijn neef naar Holland te zenden, teneinde daar een Europese opvoeding te krijgen.» Deze jongens zijn de hoofdpersonen geworden in de roman De zwarte met het witte hart van Arthur Japin.

Koning Kwaku Dua kreeg een vast jaargeld en voor elke gezonde rekruut zou hij geweren, kruit of loden kogels ter waarde van honderd gulden ontvangen. Hem werden zo tweeduizend geweren geleverd, maar noch de Afrikaanse noch de Nederlandse koning heeft zich ooit aan de afspraak gehouden. De geweren waren verouderd. Nederlanders kochten ook op andere plaatsen rekruten. Uiteindelijk hebben tussen 1836 en 1872 ruim drieduizend mannen uit Ghana en Burkina-Faso het Oost-Indische leger versterkt. Hiervan waren nog geen 325 man door de koning van Ashanti geleverd. Bij de ondertekening van hun contract werden zij tot vrij man verklaard: van slaaf veranderden zij in soldaat. Vele jaren werden elke dag een paar centen van hun soldij ingehouden, tot zij de honderd gulden die ze hadden gekost, zelf hadden terugbetaald. Net als andere niet-Europese koloniale soldaten werden de Afrikanen tot christen gedoopt en ’s zondags gingen zij naar de kerk in dezelfde kleren als Europeanen. In de omgangstaal, het pasar-Maleis, heette een Indo-Afrikaan een Belanda hitam, een zwarte Nederlander. De zogenoemde «negercompagnieën» werden beschouwd als de beste onderdelen van het Nederlandsch-Indische Leger.

Sommige Afrikanen sneuvelden of stierven door ziekten, anderen gingen als invalide of met pensioen terug naar Ghana, de rest bleef op Java wonen. De meesten leefden hier met een Indonesische vrouw en veel van hun zonen werden op hun beurt beroepsmilitair. Bij de repatriëring van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger in de jaren vijftig en later kwamen ongeveer 75 Indo-Afrikaanse gezinnen naar Neder land. Hun geschiedenis vertelt tegelijk over de Nederlandse oorlogen in Indonesië en over het nationale slavernijverleden. Ineke van Kessel verzamelde alle documenten en geschriften betreffende de Afrikaanse en Indo-Afrikaanse soldaten en interviewde vele van hun nakomelingen. In haar omvangrijke, goed geschreven boek heeft zij de microgeschiedenis tot in details gedocumenteerd.

Vanaf hun aankomst op Java conformeerden de meeste Indo-Afrikanen zich (noodgedwongen) aan de dominante Nederlandse opvattingen. In het boeiende hoofdstuk over de veldtochten doet Van Kessel vrijwillig hetzelfde wanneer zij als redenen voor de oorlogjes de officiële mededelingen uit de koloniale tijd herhaalt. Bijvoorbeeld de Derde Expeditie naar Bali in 1849 zou zijn ondernomen om te voorkomen dat gestrande schepen werden geplunderd en omdat een vooraanstaande Balinees «spuwde op het Ne derlandse wapen». Er moeten andere belangen hebben meegespeeld toen de regering besloot tot de hoge kosten van een expeditie van 3700 man waaronder 1250 Afrikanen.

Traditiegetrouw zeggen militaire geschiedenissen weinig over de slachtoffers. Korporaal Manus Ulzen uit El mi na werd op Sumatra in zijn been ge schoten en ging vervroegd met pen sioen; over wat korporaal Manus en zijn collega’s met hun wapens uitvoerden, wordt bijna niets gezegd. Geen enkele afbeelding van een brandend dorp doet tekort aan de vaak geprezen ijver van de Afrikaanse militairen. Slechts één foto van een troep woeste soldaten in het veld en één foto van gedode tegenstanders is wat schraal om het hoofddoel van de hele onderneming uit te beelden. De Afrikanen op de vele groepsportretten van militaire families lijken vooral naar Java te zijn gebracht voor de gezelligheid en hun eigen «lotsverbetering». Al kijkt de schrijfster – net als de meeste mensen in de rijke verzameling familieanekdotes – zelden buiten de eigen kring, het is verheugend dat in de veelkleurige smeltkroes Nederland nu ook de mini-minderheid van de Indo-Afrikanen een eigen plaats heeft ingenomen: met een website, elke twee jaar een feestelijke reünie in Schiedam en een solide ge schiedenis van hun groep.