Van strafkamp naar Peterburgse kamers

In Aantekeningen uit het dodenhuis, over zijn jaren in een Siberisch strafkamp, stopte Dostojevski alle emoties weg. Maar in zijn roman Vernederd en gekrenkt wordt er juist flink gehuild.

Dwangarbeiders in Ussuri, Siberië, 1895 © William Henry Jackson / Library of Congress

In 1849 overleefde Dostojevski het vuurpeloton. Hij was gesignaleerd in een geheim socialistisch genootschap, waarin zich een verrader bevond. Dostojevski en de anderen werden ter dood veroordeeld. Ze werden naar de executieplaats geleid, uitgekleed en vastgebonden aan palen. Het leven van de schrijver die vier jaar eerder sensationeel was gedebuteerd met Arme mensen, leek op zijn 28ste al ten einde te komen. Misdaad en straf, De broers Karamazov en De idioot zouden nooit geschreven zijn. Een van de andere mannen werd ter plekke krankzinnig. Op dat moment kwam een koerier doodleuk vertellen dat hun straf was omgezet in acht jaar dwangarbeid. Het was allemaal maar een toneelstukje geweest. Een grap van de tsaar.

Op basis van die jaren in een Siberisch werkkamp schreef Dostojevski Aantekeningen uit het dodenhuis (1862). Het boek is net opnieuw vertaald door Arthur Langeveld en vormt samen met de eveneens nieuwe vertaling van Vernederd en gekrenkt, van de hand van Gerard Cruys, deel drie in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Op voorhand zijn het niet de meest aantrekkelijke Dostojevski-titels. Vernederd en gekrenkt is erg onbekend en werd bij verschijnen niet bepaald enthousiast ontvangen door de literaire kritiek. Aantekeningen uit het dodenhuis werd door Karel van het Reve weliswaar een meesterwerk bevonden, maar Nabokov noemde het boek ‘geen aangename lectuur’.

Tja, hoeveel mensen zou je in 2019 nog mogen wakker maken voor driehonderd pagina’s negentiende-eeuwse Siberische kampliteratuur? Zou er ergens iemand in zijn stoel zitten, die denkt: ik ga vanavond eens lekker Aantekeningen uit het dodenhuis lezen?

Ikzelf was vooral benieuwd naar dit deel vanwege Vernederd en gekrenkt. Arthur Langeveld noemt de roman in zijn nawoord een ‘Dickensiaanse Petersburgse vertelling vol cliffhangers en onverwachte wendingen’. Dat klinkt toch heerlijk? Ik kon niet wachten. Maar ik had eerst nog Aantekeningen uit het dodenhuis te gaan.

Dostojevski hoefde uiteindelijk niet acht maar vier jaar naar de strafkolonie. Toen zijn straf erop zat, moest hij eerst nog in ballingschap leven. Hij las Dickens en hervatte zijn literaire arbeid. Weer vier jaar later keerde hij terug naar Sint-Petersburg. Hij publiceerde zijn ervaringen in het strafkamp.

Aantekeningen uit het dodenhuis (niet te verwarren met het fenomenale Aantekeningen uit het ondergrondse) wordt gepresenteerd als een roman, maar dat is het niet. Het boek wordt voorafgegaan door een inleiding, waarin een personage vertelt hoe hij in een klein dorp in Siberië een mensenschuwe leraar ontmoette. Na diens dood vond hij in diens nagelaten papieren een manuscript, getiteld Scènes uit het dodenhuis, dat hij vervolgens aanbiedt aan de lezer. Want: ‘De aantekeningen leken mij niet geheel van belang ontbloot.’

Zoals Langeveld uitlegt in zijn nawoord, was dit een trucje van Dostojevski om de censuur te ontlopen. Hij veranderde een paar dingen: Aleksandr Petrovitsj Gorjantsjikov (de mensenschuwe leraar) zat niet vier maar tien jaar vast, hij was gearresteerd omdat hij zijn ontrouwe echtgenote had vermoord en hij was in tegenstelling tot Dostojevski van hoge adel, waarmee hij de haat van zijn medegevangen over zich afriep. Afgezien van deze wijzigingen beschrijft Dostojevski in Aantekeningen uit het dodenhuis min of meer zijn eigen ervaringen. Het boek bevat ook helemaal geen romankenmerken. Het is een journalistiek werk.

Het verrassende is dat Aantekeningen uit het dodenhuis ondanks de titel en het onderwerp helemaal geen donkere, onaangename lectuur is, zoals Nabokov beweerde. Dat komt waarschijnlijk vooral omdat de verteller geen enkel zelfbeklag toont. Jarenlang heeft hij een voetboei om, krijgt hij soep met kakkerlakken voorgeschoteld, slaapt hij in een bed dat is vergeven van de vlooien en bevindt hij zich onafgebroken tussen misdadigers, verkrachters en kindermoordenaars in een kleine, smerige barak. Maar de toon blijft opmerkelijk monter. Al is die minder opmerkelijk als je ook die beziet in het licht van de censuur. Had hij er een aanklacht van gemaakt, dan had het boek nooit mogen verschijnen.

Kern van de roman? Die ‘talloze ver­neder­den en gekrenkten’ die genot halen uit hun lijden

Dostojevski beschouwt alles met nieuwsgierige verwondering, alsof hij een paar weken heeft mogen meelopen met de bewakers. In het begin van het boek kan hij haast niet wachten om zijn indrukken en ervaringen te delen. Hij schrijft wat er in hem opkomt, zegt af en toe ‘daarover later meer’ en bekommert zich niet om herhalingen. Daardoor zit er een enorme vaart in de eerste hoofdstukken.

Wat in dat opzicht ook helpt, is de gestroomlijnde vertaling van Langeveld. Ik las af en toe een paar pagina’s in de oude Van Oorschot-vertaling van Heleen A. Bendien (ben benieuwd waar die A voor stond) en had het gevoel dat ik van een hogesnelheidstrein overstapte op een boemel.

Dostojevski mocht niet schrijven in de strafkolonie. Maar tijdens een ziekenhuisopname slaagde hij erin om aantekeningen te maken die hij later, weer in vrijheid, aanvulde. Vermoedelijk vormen die ziekenhuisaantekeningen het begin van het boek. Later neemt de gejaagdheid van het vertellen namelijk wat af en krijgt het verhaal meer structuur.

Het nadeel van de opzet van het boek is wel dat je niets over Dostojevski zelf te weten komt. Hij verontpersoonlijkte de aantekeningen haast volledig. Mij bekroop tijdens het lezen daarom enige teleurstelling: ik verlangde naar het boek dat Dostojevski had geschreven als hij geen rekening had hoeven te houden met censuur. Desalniettemin zitten er genoeg buitengewoon fascinerende scènes in. Het is bijvoorbeeld interessant om te lezen hoe de gevangenen wodka naar binnen smokkelden in ossendarmen. IJzingwekkend is het wrede verhaal over Akoelka, die wordt afgeranseld en uiteindelijk wordt vermoord vanwege een gemene roddel (alleen voor dat hoofdstuk zou je het boek al moeten lezen). En werkelijk schitterend wordt het als de gevangenen een invalide adelaar in vrijheid stellen, die maandenlang in de gevangenis heeft geleefd. Ze kijken toe hoe het beest over de steppe wegvliegt, terwijl zij nog jaren zullen vastzitten. Slechts in een paar scènes gunt de verteller de lezer een glimp van zijn gevoelsleven. Het zijn wat mij betreft meteen de hoogtepunten van het boek. Een daarvan is de slotpassage van deel één, als hij midden in de nacht wakker wordt. Hij kijkt naar zijn slapende medegevangenen. Iemand kreunt, iemand rammelt met zijn voetboei. Plotseling, ook al is hij al weken in de strafkolonie, dringt tot hem door in wat voor een hel hij is beland.

Wat zonde en zinloos toch dat deze grote schrijver vier jaar lang vastzat en niet aan zijn oeuvre mocht werken. Of zouden die jaren in de strafkolonie de latere schrijver juist gevormd hebben? In ieder geval kreeg hij de kans om van dichtbij misdadigers te bestuderen en daar zal hij later, bij het scheppen van sommige roemruchte personages, van geprofiteerd hebben.

335 pagina’s kampliteratuur verder had ik Vernederd en gekrenkt nog te gaan. Ditmaal wel een echte roman! En wat voor een. Terwijl in het kampverslag emoties zoveel mogelijk werden onderdrukt, krijgen ze in deze roman alle ruimte: er wordt extreem veel gehuild in het boek. Ik had af en toe het idee dat ik een operalibretto las, zo dramatisch gaat het eraan toe. Ook in andere opzichten heeft het wel iets weg van een opera (of een toneelstuk): er is een overzichtelijk aantal personages en de handeling speelt zich bijna uitsluitend af in drie Petersburgse kamers.

Vernederd en gekrenkt zou waarschijnlijk nooit in het Nederlands of Engels zijn vertaald als het boek niet geschreven zou zijn door Dostojevski. Het onderscheid tussen goed en kwaad (en tussen arm en rijk, wat in deze roman op hetzelfde neerkomt) is wat al te opzichtig, er had zoals gezegd wel wat minder in gehuild kunnen worden en psychologisch gezien graaft het boek veel en veel minder diep dan sommige latere romans. Diepgang, zoals we die van Dostojevski gewend zijn, krijgt de roman eigenlijk alleen in de lange dialoog tussen de goedzak Vanja en de grote slechterik, vorst Valkovski. De laatste propageert dat alleen het puurste en platste egoïsme tot geluk leidt. Deze boodschap is bepaald niet besteed aan Vanja, die erop uit lijkt te zijn om uitsluitend andere mensen te helpen en nooit aan zichzelf te denken.

Vanja is de ultieme tweede viool. Hij is verliefd op Natasja maar zij verkiest Aljosja, die haar voortdurend bedriegt. Als Natasja weer eens in tranen is, komt Vanja er snel aan om haar te troosten. Hij bemiddelt bovendien tussen Natasja en haar ouders, en tussen Natasja en Katja, op wie Aljosja verliefd is geworden. Hij doet kortom alles voor haar, maar hij krijgt haar liefde er niet voor terug.

Terecht vraagt Natasja in de slotregels aan Vanja: ‘Waarom heb ik jouw geluk geruïneerd?’ Inderdaad, waarom heeft hij dat laten gebeuren? Het antwoord moet worden gevonden in de titel, die verwijst naar die ‘talloze vernederden en gekrenkten’, die genot halen uit hun lijden. Dat is de kern van de roman. En misschien is het wel de kern van al het werk van Dostojevski. Het verklaart in ieder geval voor een deel waarom zo velen zich aangetrokken voelen tot dit oeuvre.

Vernederd en gekrenkt biedt ondanks de tekortkomingen onbekommerd leesplezier. Maar het boek benadrukt bovendien, door de titel, een wezenlijk onderdeel van Dostojevski’s levensgevoel.