Ook Mark Rutte grijpt in in uw leven

Van Vadertje Staat tot strenge neef

De staat als een vader die voor ons zorgt. De opvattingen daarover veranderden in de afgelopen vijftig jaar. Maar het huidige motto ‘eigen verantwoordelijkheid’ wil niet zeggen dat de staat zich niet met ons bemoeit. Integendeel.

Ons taalgebruik is in ruim vijftig jaar natuurlijk veranderd, maar dan nog zal minister-president Mark Rutte niet snel de eer te beurt vallen zo warm toegesproken te worden als zijn PvdA-voorganger Willem Drees. Op bezoek in Enschede, op de Dag van de Arbeid, sprak de plaatselijke voorzitter van het 1-mei-comité over de kort daarvoor teruggetreden minister-president in ronkende bewoordingen: ‘Een man met een dergelijke reputatie, met een onbegrensde wil en doorzettingsvermogen is onze Drees, onze partijgenoot en vriend, onze vader der bejaarden. In hun harten zal nimmer deze naam, deze brenger van geluk, vergeten worden.’

Vadertje Staat, dat is Willem Drees. Die titel, die door de verkleiningsvorm iets liefkozends en verzorgends krijgt, kleeft aan de persoon Drees, niet aan de staat. Vraag jongeren van nu of ze de staat zien als een vadertje en ze kijken je vreemd aan. Ze moeten er niet aan denken, aan een staat die voor hen zorgt. Daarmee zijn ze kinderen van hun tijd. De nu dominante manier van denken over de verzorgingsstaat gaat veel meer uit van eigen verantwoordelijkheid. Wat overigens niet wil zeggen dat de staat zich niet met haar burgers bemoeit.

De verre opvolger van Drees, de VVD’er Rutte, is op zijn beurt als het ware de verpersoonlijking van die huidige manier van denken over de verzorgingsstaat. Rutte zou de koosnaam Vadertje Staat dan ook helemaal niet ambiëren. Zijn verwijzing naar Drees tijdens het debat over de regeringsverklaring had meer te maken met diens soberheid. Dat Drees ook gebiologeerd werd door offers, zoals Arie van der Zwan schreef in zijn boek Van Drees tot Bos, daar hintte Rutte niet naar. Het zou echter niet hebben misstaan gezien de offers die het huidige vvd/pvda-kabinet van burgers vraagt om de economische crisis te boven te komen.

Drees dankte zijn koosnaam aan de oudedagsvoorziening die hij kort na de Tweede Wereldoorlog in het leven riep, een noodwet die in 1956 zou worden omgezet in de Algemene Ouderdomswet, de aow. Dankzij deze wetten stond oud niet langer gelijk aan arm en waren ouderen niet langer afhankelijk van de lief­dadigheid van kerken en rijken. De staat ging voor hen zorgen, al waren het dan de werkenden die dat middels een premie betaalden. De ouderen van toen waren Drees zo dankbaar dat hij werd toegejuicht, brieven en gedichten ontving en dat er voor hem werd gebeden.

Zonder slag of stoot was de aow niet gekomen. Zo waren de gereformeerden er tegen, omdat zij vonden dat de zorg voor ouderen geen staatstaak is. Die principiële discussie, over wiens verantwoordelijkheid de zorg voor armen, ouderen, zieken, gehandicapten of werklozen is, speelt ook nu. Al gaat het dan vooral over de versobering van de verzorgingsstaat.

Ook de kinderbijslag kwam er niet zonder heftige politieke discussie. Een toelage van de staat voor de opvoeding van kinderen werd door tegenstanders een fokpremie genoemd. Ze zou ‘de moraal van het redeloze dier’ bevorderen.

In de epiloog van het Sociaal Cultureel Rapport 2012, met de veelzeggende titel Een beroep op de burger, schrijft de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Paul Schnabel, dat er ‘geen programma was voor wat we sinds de jaren zestig de verzorgingsstaat zijn gaan noemen’. Die verzorgingsstaat breidde zich echter wel langzaam maar zeker uit. In 1983 schreef dezelfde Schnabel dat ‘bevordering van het welzijn steeds meer het doel van de verzorgingsstaat’ was geworden. Welzijn gaat verder dan alleen het ledigen van de hoogste noden, zoals het voorkomen dat mensen in armoede leven en het verstrekken van geld aan gezinnen om hun kinderen te voeden en te kleden.

Volgens Schnabel werd welzijn steeds meer geïnterpreteerd als ‘een optimale zelfverwerkelijking van het individu in een speelse beleving van de vrije tijd’. Prachtige woorden, waarvan de betekenis vooral doordringt als Schnabel eraan refereert dat arbeidsethos toen als welzijns­belemmerend werd gezien: ‘De basis voor welzijn wordt dan gezocht in het vrij zijn van de zorg voor het dagelijks bestaan, vrij zijn van de druk van het werken, vrij zijn van de druk van ongewilde en beperkende omstandigheden.’

Het is Schnabel zelf die in het Sociaal Cultureel Rapport 2012 zijn eigen woorden van een kleine dertig jaar geleden aanhaalt. Hij wil ermee laten zien hoe destijds over de verzorgingsstaat werd gedacht. Hij gebruikt ze echter ook om op te merken dat waar er bij aanvang geen programma was voor de opbouw van de verzorgingsstaat er volgens hem nu ook geen programma is voor de ‘overgang’ van de staat als ‘alverzorgende moeder naar de strenge rol van pater familias’. Degenen die kritiek hebben op die ‘overgang’ zullen overigens liever spreken van de afbraak van de verzorgingsstaat.

De huidige premier zegt graag dat de staat geen geluksmachine is. Rutte haalt daarmee uit naar dat idee over de verzorgingsstaat uit de jaren zestig en zeventig, toen – opnieuw in Schnabels woorden – de overheid gezien werd als de regisseur van een programma dat was gericht op het brengen van welzijn en geluk. De eerste sociaal-democratische premier na Drees, Joop den Uyl, had dat programma willen voltooien. Toen ten tijde van zijn kabinet, in de jaren zeventig, de oliecrisis uitbrak, werd echter pijnlijk duidelijk dat de verzorgingsstaat die hij voor ogen had niet betaalbaar was.

Waar Drees de bijnaam Vadertje Staat kreeg, werd Den Uyl liefkozend ome Joop genoemd. Ouderen van nu die zich destijds aangetrokken voelden tot de sociaal-democratie noemen hem nog steeds zo. Als de naam Vadertje Staat niet al gereserveerd was geweest voor zijn partijgenoot Drees, dan had die bijnaam echter beter bij Den Uyl gepast. Meer dan Drees wilde hij de rol van de staat uitbreiden. De twee verschilden daarover sterk van mening. Uit een briefwisseling tussen de twee blijkt dat Den Uyl particuliere uitgaven op sociaal, cultureel en onderwijs­gebied ondoelmatiger en onrechtvaardiger vond dan wanneer deze uitgaven door de gemeenschap, de staat, werden gedaan. Hij pleitte daarom voor hoge collectieve uitgaven, te betalen uit belastinginkomsten. Drees dacht daar anders over: ‘Wil de overheid te veel doen, dan gaat zij zich ten onrechte een alzijdigheid van kennis en oordeelsbevoegdheid toekennen ten opzichte van hetgeen voor de bevolking het best is.’ Volgens Drees bevorderen hoge belastingen de zelfwerkzaamheid en het dragen van eigen verantwoordelijkheid niet. Het is een argument dat de liberaal Rutte zal aanspreken.

Deze principiële discussie binnen de sociaal-democratie werd door de oliecrisis een luxe gevecht. De collectieve uitgaven liepen zo hoog op dat de rente die over de staatsschuld moest worden betaald hoger was geworden dan de uitgaven voor onderwijs. Daar hadden ook sociaal-democraten moeite mee. Toen in 1982 de cda’er Ruud Lubbers aantrad als premier waren het verlagen van het financieringstekort en de collectieve uitgaven zijn twee topprioriteiten.

Ook Lubbers was een kind van zijn tijd. In het boek Ruud Lubbers, met de toepasselijke ondertitel Manager in de politiek, typeert d66-oprichter Hans van Mierlo het verschil tussen hem en Den Uyl: ‘Den Uyl was ook heel inventief en had ook zo zijn methodes, maar alles werd getoetst aan het criterium dat als hij de politiek zou verlaten er meer gelijkheid zou zijn. Dat ligt anders bij Lubbers. Hij ziet in de eerste plaats het probleem dat opgelost moet worden.’

Het was ten tijde van de kabinetten-Lubbers dat Nederland de overgang inzette van de verzorgingsstaat waarin welzijn, zoals door Schnabel hierboven omschreven, het doel was, naar de BV Nederland waarin efficiency het streven was. In de terminologie die bij deze twee typeringen hoort, is in de eerste de staat als een vader – waar Schnabel het overigens over een moeder heeft – en zijn de burgers zijn kinderen. In de tweede is de staat een bedrijf en zijn de burgers zijn werknemers. Door die overgang raakte het in de afgelopen decennia in zwang te zeggen dat de verzorgingsstaat niet langer een hangmat mocht zijn waarin de burger lui ligt, maar een trampoline moet worden die de burger als het hem even tegenzit wel opvangt, maar die hem vooral terug moet doen veren. De sociale regelingen uit het verleden werden niet langer gezien als de oplossing van een probleem, zoals dat van armoede, maar waren het probleem zelf geworden, zoals de SP deze andere zienswijze typeert.

Toen Lubbers in 1990 dan ook als gevolg van de grote aantallen arbeidsongeschikten die een wao-uitkering kregen, riep dat Nederland ziek was, was daar niet een bezorgde vader aan het woord die de zieke liefdevol wilde verzorgen. Nee, die zieke moest een schop onder zijn achterste krijgen. Voor de volledigheid is het dan wel belangrijk te weten dat Nederlanders niet ineens massaal ziek waren geworden, maar dat de wao door werknemers én werkgevers werd gebruikt als een hoge, langlopende werkloosheidsuitkering. Oneigenlijk gebruikt dus. Dat was wat Lubbers ziek vond. De ingrepen in de wao die volgden, markeren een omslagpunt. Daarna volgde menige andere versobering. Zo ging de kinderbijslag onder het mes.

De duur van de werkloosheidsuitkering is al een keer verkort, maar moet van het huidige vvd/pvda-kabinet nog verder terug. Bovendien wil het kabinet dat dit gepaard gaat met een verlaging van de uitkering tot bijstandsniveau in het tweede jaar. De versobering moet de werkloze ertoe aanzetten eerder een andere baan te accepteren. De discussie of dit ook een baan onder zijn opleidingsniveau moet zijn, lijkt er inmiddels een uit een ver verleden. Van recenter datum is dat Nederlanders zelf meer moeten gaan betalen voor zorg en begeleiding op hun oude dag. Ook nu speelt de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat in deze versoberings­estafette een grote rol. Opnieuw is het crisis, bovendien vergrijst de samenleving waardoor steeds minder werkenden het geld voor collectieve verzorgingsregelingen moeten opbrengen. Dat zet het denken over eigen verantwoordelijkheid en onderlinge solidariteit weer onder druk. Het recente oproer over de inkomensafhankelijke ziektekostenpremie was daar een goed voorbeeld van. Gezonde Nederlanders met een gemiddeld inkomen voelden er niet veel voor te gaan betalen voor de ziektekosten van land­genoten met een minder gevulde portemonnee en een ongezonde levensstijl.

Schnabel wijst erop dat de overheid weliswaar steeds vaker een beroep doet op de eigen verantwoordelijkheid, ‘maar soms toch ook weer niet’. Telkens als de schade van individueel gedrag voor de gemeenschap groot kan zijn, grijpt de overheid in. Niet met zorgarrangementen om dat individu op te vangen, maar met geboden om te voorkomen dat het zo ver zou moeten komen. Dus verordonneert de staat dat een jongere niet mag roken en drinken voor zijn achttiende. Volgens Schnabel zijn te weinig aan sport doen en ongezond eten de volgende onderwerpen die de overheid uit de sfeer van de eigen verantwoordelijkheid wil halen. ‘In veel gevallen betekent eigen verantwoordelijkheid dat de overheid de burger de plicht oplegt te handelen zoals de overheid vindt dat dit het beste zou zijn.’

Daarom spreekt Schnabel over de staat als een strenge pater familias. Maar die titel past niet bij Rutte. Weinigen zullen in hem een vader zien. Daarvoor oogt hij te jong en te vlot. Maar achter dat imago gaat een strenge neef schuil die zich sterk met ons leven bemoeit. Tenzij we doen wat hem goeddunkt. Daarmee is ook Rutte een kind van zijn tijd.