INTERVIEW MET PAUL TANG

‘Van voetbal naar PvdA is een kleine stap’

‘Verheffen’ vindt hij een ouderwets woord, de term ‘emancipatie’ gedateerd. Een gesprek met PvdA-kamerlid Paul Tang over voetbal, topinkomens en ‘glokalisering’.

LAATST HAD PVDA-KAMERLID Paul Tang aan partijleider en minister van Financiën Wouter Bos gevraagd wie volgens hem het meest mocht verdienen, de voetballer Dirk Kuyt of diens collega Robin van Persie – de speler die er hard voor werkt of de man bij wie het voetballen in de genen zit. Voor Tang is het duidelijk: ‘Is het eigenlijk niet heel raar dat we mensen belonen voor het talent dat ze van huis uit hebben meegekregen?’ Ruud van Nistelrooij vindt hij nog een beter voorbeeld dan Kuyt. ‘Van Nistelrooij is een vrij beperkte voetballer, maar een inzet dat die man toont.’ Om vervolgens lyrisch te worden over Ruud Gullit. Vooral dat Gullit terug werd gevraagd door AC Milan vindt hij bijzonder. ‘Wat een knokker.’ Degene die er hard voor werkt, mag wat Tang betreft het meest betaald krijgen.
Pas anderhalf jaar zit de 41-jarige econoom Tang in de Tweede Kamer. Maar door het vertrek van Ferd Crone, die in november 2007 burgemeester van Leeuwarden werd, klom hij al snel op tot eerste financieel woordvoerder van zijn fractie. Behalve Crone gingen partijgenoten als Thijs Wöltgens en Ad Melkert hem daarin voor.
Waarom werd hij rond zijn twintigste lid van de PVDA? ‘Heel simpel, omdat ik een voetballer ben. Omdat ik een teamspeler ben.’ En hockey dan? Of waterpolo? ‘Oké, ook teamsporten, maar het is toch voetbal. Voor mij is dat volstrekt logisch, van voetbal naar PVDA is maar een kleine stap.’ Om dat te illustreren verwijst hij naar het voetbalteam van de Tweede Kamer. ‘Daar heb ik nu twee keer in gespeeld: er zitten opvallend veel PVDA’ers in.’
Volgens hem heeft dat te maken met de PVDA-gedachte dat je samen sterker bent: ‘Dat mis ik bij de sociaal-liberalen in de VVD, bij GroenLinks of D66. Ik geloof erin dat het geheel meer is dan de som der delen. Sociaal-liberalen gaan toch meer uit van het individu. Maar wij mensen nemen niet allemaal afzonderlijk onze individuele beslissingen, we beïnvloeden elkaar, daar zit wel degelijk samenhang in.’
In zijn zoektocht naar de juiste omschrijving van solidariteit formuleert Tang een zin met het woord ‘helpen’ erin. Maar daar komt hij op terug, omdat de praktijk achter dat woord niet altijd wordt gekenmerkt door gelijkwaardigheid; helpen kan van de geholpene de mindere maken. ‘Misschien kun je alleen van vrienden zeggen dat ze elkaar helpen.’ Uiteindelijk besluit hij dat solidariteit wederkerigheid in zich moet dragen en dat het betekent dat iedereen in een groep of samenleving zich inzet naar vermogen. Vandaar dat getalenteerd zijn niet voldoende is voor een groot inkomen.

In zijn denken over economie, politiek en samenleving laat Paul Tang zich inspireren door de filosofie van de Indiase econoom Amartya Sen. ‘Sen gaat heel sterk uit van de capabilities van mensen. Hoe moet je dat vertalen? De mogelijkheden van iemand, maar ook dat wat iemand niet kan. Daar moeten we naar kijken en niet alleen focussen op talent.’
Rondom de Olympische Spelen heeft hij zich ook weer verbaasd over dat bewieroken van talent: ‘Vroeger was meedoen nog belangrijk. Tegenwoordig telt alleen een medaille, en dan liefst ook nog een gouden medaille. Het gaat alleen maar over succes. Gewoon je best doen, je inzetten naar vermogen, dat telt niet. Dat mis ik.’
Is hij niet bang dat de onderlinge solidariteit in de samenleving ver te zoeken is als je kijkt naar de felle uithalen, over en weer, van ouders met kinderen naar ouders zonder kinderen, van jongeren naar ouderen, van niet-rokers naar rokers, noem maar op? ‘Ach, je kunt het best ruzie maken in je eigen familie. Mijn zorg is niet dat mensen elkaar aanspreken en met elkaar in debat gaan. Dat toont betrokkenheid. Mijn grootste zorg is dat mensen zich nergens meer iets van aantrekken, de boel de boel laten en zich niet meer verbonden weten met de samenleving.’
Eind augustus meende VVD-leider Mark Rutte een plaagstootje uit te delen aan het adres van de PVDA door in de concept-beginselverklaring van zijn partij op te nemen dat de VVD strijdt voor de verheffing van de onderklasse. Het is niet aangekomen bij Tang: ‘Het woord “verheffen” zal ik niet snel gebruiken, dat is toch een wat ouderwets en sleets woord. En “onderklasse”, dat klinkt zo jaren dertig. Ik zal bijvoorbeeld niet zeggen dat ik de bestuurders met de topinkomens ga verheffen als ik ze met overheidsmaatregelen dwing in te zien hoe normvervagend hun beloningen zijn. De VVD bedoelt misschien “emancipatie”, maar dat voelt eigenlijk ook al aan als een gedateerd woord. Maar als de VVD met verheffen bedoelt dat ze de betrokkenheid in de samenleving wil vergroten, dan ben ik daar voor.’
Rutte gebruikte de woorden ‘verheffen’ en ‘onderklasse’, omdat hij vindt dat de PVDA het recht erop heeft verspeeld door van de verzorgingsstaat een valkuil te maken: eenmaal werkloos, altijd werkloos. ‘Dat hebben we dan toch politiek breed en in gezamenlijkheid beetje bij beetje gedaan’, reageert Tang laconiek. ‘Het paste in het dominante denken in de politiek.’
Is er volgens hem nu dan ook zo’n dominante denkrichting waarop over tien jaar ook met enige verbazing zal worden teruggekeken? ‘Die vraag heb ik mezelf laatst ook gesteld. Er is volgens mij inderdaad een gevaar: het is nu gek genoeg rechts dat de overheid aan het overvragen is. Rechts denkt de samenleving veiliger te maken door de verantwoordelijkheid daarvoor bij de overheid te leggen, regel is regel en de staat moet daarop toezien. Rechts maakt nu de fout die wij in de jaren zeventig maakten. Wij hebben geleerd dat je de verantwoordelijkheid terug moet leggen bij de mensen zelf, in de wijken.’
Tang zegt dat hij in de Amsterdamse Jordaan heeft geleerd dat je je met elkaar moet bemoeien: ‘Ik heb daar een keer gezien hoe een tachtigjarige vrouw een grote man met een grote hond tot de orde riep toen die man zijn hond op straat voor haar huis liet poepen. Zo moet dat. Ik vind dat mensen nog steeds meer last hebben van het feit dat ze zich te weinig met elkaar bemoeien dan te veel. Een samenleving kan niet zonder de Jordanees.’
Wat is de rol van de overheid bij het bevorderen van die Jordanese bemoeierigheid? ‘Dat is dus het lastige. Je laat het dan aan heel veel beslissers over. Op de uitkomst heb je als overheid geen grip. Die overheid moet vooral proberen de discussie te voeren om de cultuur te helpen veranderen. Vergelijk het met het grote bedrijfsleven. Daar is het geven van directieven vanuit de top ook uit de mode. Maar hoe doen die multinationals dat dan? Ik vind topman Ben Verwaaijen (van Alcatel-Lucent en lid van de VVD – red.) een mooi voorbeeld. Die man praat als een tv-dominee. Zo krijgt hij zijn mensen mee.’
Als de VVD het ook heeft over het verheffen van de onderklasse, kun je dan nog spreken van links of rechts in de politiek? Tang vindt van wel. Links staat voor hem voor ‘eerlijk delen’. Waarbij het dan om meer gaat dan alleen het delen van het inkomen: ‘Eerlijk delen geldt voor mij voor alles wat we hebben: macht, maar ook contacten in de samenleving. Er bestaat zoveel eenzaamheid, ook die contacten moeten gedeeld worden. Zoals ook de schaarse ruimte, noem maar op.’
Volgens Tang veranderen voor links in de loop van de tijd de uitdagingen, maar niet de idee van eerlijk delen: ‘Wij moeten nu nadenken over de verdeling van de rijkdom tussen de huidige generatie en de nog ongeboren generatie, over hoe we deze wereld voor hen achter willen laten. Noem dat voor mijn part inderdaad rentmeesterschap, zoals het CDA doet. Maar wat Cees Veerman (oud-CDA-minister – red.) als voorzitter van de Deltacommissie onlangs zei was eigenlijk: verdomme, we investeren te weinig in de veiligheid van onze achterkleinkinderen.’
Dat je je niet meer progressief zou kunnen noemen omdat er geen sprake meer zou zijn van vooruitgang, bestrijdt Tang: ‘Mijn grootouders hebben twee wereldoorlogen meegemaakt, ik niet. Dat is vooruitgang. Als ouders zeggen dat hun kinderen het niet meer beter zullen krijgen, denken ze meestal aan inkomen. Maar het is ook vooruitgang als het milieu schoner wordt. Ik heb zelf nog gezien hoe vies het water was, hoe vuil de lucht. Ook de modernisering van opvattingen en de grotere vrijheid kun je zien als vooruitgang. Een volgende stap die we moeten zetten is die in het tegengaan van eenzaamheid. Het eerlijker delen van sociale contacten is ook vooruitgang.’
Achterliggende gedachte bij dit alles is te voorkomen dat ‘het sociaal kapitaal erodeert’. Tang grijpt terug naar de recent door dit kabinet genomen maatregelen om de topinkomens aan te pakken: ‘In mijn maidenspeech in de Tweede Kamer pleitte ik voor effectieve maatregelen en zei geen genoegen te zullen nemen met symbolische maatregelen. Daar kijk ik inmiddels wat anders tegenaan. Wat het kabinet onlangs heeft gedaan om de topinkomens te beteugelen, stuitte op verzet van rechts en vond links niet ver genoeg gaan, dat vond het symbolisch. Zo voorspelbaar allemaal. Ik zie nu dat de discussie over de topinkomens eigenlijk een normoverdragend debat is.’
Dat de topinkomens zo hoog zouden moeten zijn omdat er een internationale markt is voor deze groep bestuurders, daar gelooft Tang niks van: ‘Die topbestuurders zijn net kleine kinderen, die willen alles hebben wat een ander kind heeft. Het kabinet heeft ze daarvoor nu eigenlijk een standje gegeven. Wat wij hier in Nederland hebben gedaan is uniek in Europa. Geloof maar dat er in het bedrijfsleven over gegromd wordt. Politiek Den Haag heeft een sterk signaal afgegeven.’
Bij die normvervaging gaat het volgens Tang om meer dan alleen de hoogte van de beloning: ‘Door het verschil tussen topinkomens en het gemiddelde inkomen is het gevoel ontstaan dat bestuurders of ondernemers geen interesse meer hebben in hun werknemers, dat zij zich niks meer van hen aantrekken. Dit leidt er andersom toe dat werknemers niet meer loyaal zijn aan hun werkgever, hun lonen opschroeven, enzovoort. Dat holt een samenleving uit en is daarmee uiteindelijk slecht voor de economie. Daarom vind ik het ook zo verschrikkelijk als bestuurders van een bedrijf dreigen met het weggaan uit een land. Dat bewijst dat ze zich geen donder aantrekken van hun werknemers. Ik snap best dat grote ondernemingen die actief zijn in de hele wereld globaal denken. Maar hun eigen spreuk is: think global, act local. Dat laatste vergeten ze dan zelf te doen.’
De topinkomens zou Tang het liefst aangepakt zien met Europese maatregelen. ‘Als de EU gezamenlijk optrekt, kunnen ondernemingen niet meer vluchten naar een ander land. Ook op belastinggebied laat de EU nog veel mogelijkheden onbenut. Nu betalen grote internationals als Shell en Philips de facto géén vennootschapsbelasting, omdat ze kunnen schuiven met winst en verlies tussen de verschillende landen. Alleen als de EU daar gezamenlijk maatregelen tegen treft, kan dat niet meer.’
Hard zijn voor kapitaal, dat is wat Tang voor ogen heeft: ‘Dat het kan, bewijst VVD-eurocommissaris Neelie Kroes. Die pakt een bedrijf als Microsoft keihard aan. Eigenlijk is zij een linkse politicus.’
Zo valt de term ‘glokalisering’, door Tang gebruikt om aan te geven dat een probleem moet worden aangepakt op het bestuursniveau waar het thuishoort. Kapitaal dus op EU-niveau, maar problemen in een buurt in de wijk zelf: ‘Met dat laatste moeten we proberen de mensen de macht over hun leven terug te geven. Grip hebben op je eigen leven is belangrijk, dat maakt je minder angstig.’
Werk speelt daarin volgens Tang een belangrijke rol. Over de vraag waar het PVDA-stempel te zien is in de deze week gepresenteerde begroting moet hij weliswaar even nadenken, maar het antwoord is: de zorg voor werk: ‘Het niet door laten gaan van de btw-verhoging is echt belangrijk voor het voorkomen van een loon-prijsspiraal. Als we dat nu niet zouden doen, zijn het over een paar jaar de banen van de mensen die toch al een wankele positie hebben op de arbeidsmarkt die het eerst wegspoelen.’ Tang toont zich daarmee een aanhanger van anticyclisch begrotingsbeleid waarin een verslechterende economie een impuls van de overheid krijgt die, in dit geval, ten koste gaat van het aflossen van de staatsschuld.
Hij vraagt zich wel bezorgd af of die focus op werk voldoende zichtbaar zal worden voor de kiezer. Van die kiezer raakt hij wel eens in de war: ‘Laatst dacht ik dat wij als PVDA geen slechte week hadden: staatssecretaris Aboutaleb kon bekendmaken dat er een kerstgratificatie komt voor de minima, Bos kreeg een Kamermeerderheid voor het aanpakken van de topinkomens, en Cohen zei hardop dat je met je poten van de hulpverleners af moet blijven. Maar wat zag je in de peilingen van Maurice de Hond? De PVDA zakt terug naar vijftien zetels.’
Hij probeert het te verklaren door het huidige politieke klimaat: ‘Alle middenpartijen hebben het moeilijk, maar de PVDA krijgt extra klappen. Vanwege de haat tegen links. Wij zijn het boegbeeld van links. We worden nu afgerekend op het belerende vingertje dat we vroeger hadden. Wij waren betweterig.’ Met een lach voegt hij daaraan toe: ‘Dat was overigens uit volle overtuiging.’
De crisis in de middenpartijen, zo wordt vaak gezegd, wordt veroorzaakt doordat die politieke partijen te ver af staan van de burger waardoor ze diens onvrede niet begrijpen. Tang zet zijn vraagtekens bij die analyse en de daaraan gekoppelde oplossing: ‘Ik geloof er niet in dat je de kloof tussen de politiek en de burger moet overbruggen door als politicus dichter bij de burger te gaan staan. Dat is wat de populisten doen. Maar wat voor een warrig politiek programma krijg je niet als je dat samenstelt op basis van opiniepeilingen? Dan leg je geen dwarsverbanden tussen standpunten. Ik ben er in de Kamer inmiddels van overtuigd geraakt dat de politiek best weet wat er leeft in de samenleving. Misschien weten burgers niet wat er speelt in de politiek. Misschien moeten zij eens onze kant op komen. Het storende in deze discussie vind ik dat burgers niet hun eigen verantwoordelijkheid nemen voor wat er gaande is in de samenleving. Ik wil aan ze vragen: wat denkt u er zelf aan te kunnen doen?’