Ach Europa! #9: Stefan Hertmans

Van volk naar bevolking

De toekomst van Europa begint bij empathie, vindt de Belgische schrijver Stefan Hertmans. ‘De elite móet zich verplaatsen in de noden van het witte en zwarte precariaat, anders zijn we verloren.’

Franky Verdickt / ID photo agency © Stefan Hertmans – ‘Het soort argumenten van mei ’68 is verhuisd van links naar populistisch rechts’

Tijdens mijn autorit vanuit de Randstad naar een dorp zo’n vijftien kilometer onder Brussel wordt de Europese Unie me visueel gewaar. In beide richtingen schuift op de rechterrijstrook een muur van vrachtwagens en bestelwagens, economisch verkeer dat permanent over de hoofdaders van Europa trekt. Rond Brussel raakt vervolgens mijn navigator door wegwerkzaamheden en omleidingen het spoor bijster waardoor ik onvermijdelijk in het centrum beland. ‘Europe is our future’ staat er op een kolossaal billboard als welkom in de hoofdstad van de EU.

Langs de boulevards doemen de glimmende gebouwen op waar de regels en wetten worden gemaakt die van invloed zijn op de burgers van de lidstaten. In de negentiende-eeuwse panden eromheen zitten restaurants, luxe winkels, de grote modehuizen van Gucci, Chanel, Burberry en Balenciaga, voor de ingang staat bewakingspersoneel. Over de stoep snellen mannen in pak en vrouwen in mantelpakjes op elektrische stepjes voorbij, kinderen in schooluniform trekken naar school. De route door het machtscentrum van de EU gaat over in smalle wegen met slecht onderhouden huizen, dichtgetimmerde panden, rommelige winkeltjes en snackbars.

Hier lopen studenten, Afrikaanse vrouwen en moslima’s met boodschappenkarretjes en kinderen in een buggy – wijken die nog niet in de greep zijn van ‘verzaveling’, gentrificatie op z’n Vlaams. De stad gaat abrupt over in een lieflijk, glooiend landschap naar de bestemming Beersel, een dorp met een grote kerk, eenvoudige huizen en een villawijk waar de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans tussen Franstalige Belgen en expats woont. Hij staat op het tuinpad voor zijn huis. ‘Ach, u bent door Brussel geleid, wat een ramp’, zegt hij licht geamuseerd.

Hertmans (1951) is een gesoigneerde man met een getrimd baardje. Onder zijn donkerblauwe overhemd is net een smal gouden kettinkje zichtbaar. Hij straalt vriendelijke rust uit, maar even later in zijn werkkamer blijkt hij een rappe prater die scherp kan uithalen als hij spreekt over de manier waarop Europa met vluchtelingen omgaat of over de sociaal-economische ongelijkheid en de steeds diepere kloof tussen het nationalistische precariaat en de kosmopolitische elite, zoals tijdens de rit door Brussel in een oogopslag zichtbaar werd.

In zijn werkhol staan drie tafels met stapeltjes documenten, naast zijn bureau een geluidsbox en een elektrische gitaar. In de jaren zeventig speelde hij – ‘boos en opstandig’ – met lange haren in ruige bandjes, nu zijn de snaren een welkome afleiding tijdens het schrijven. Langs de wanden boekenkasten, boven op een vide bevindt zich zijn archief. Voor zijn romans doet hij meestal eerst uitgebreid bronnenonderzoek. ‘Ik vind research spannend, voor mijzelf is het een leerproces; het verhoogt mijn kennis en het vermogen om me te verplaatsen in een ander. Mijn romans bieden een lezer voortschrijdend inzicht, maar ik wil hun niks leren, ik wil iets met hen delen.’

‘Ideologie is verworden tot tegensprekelijke kreten, de fragmenten vliegen vrij rond’

In de afgelopen bijna veertig jaar heeft Hertmans een rijk oeuvre opgebouwd van tientallen romans en poëziebundels. Met zijn lezers deelt hij in zijn bekendste roman Oorlog en terpentijn (2013) het verhaal van het leven van zijn grootvader dat werd getekend door een armoedige jeugd in Gent en gruwelijke ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog, zegt hij, heeft België bepaald, zoals dat voor Nederland de Tweede Wereldoorlog is geweest. ‘Daarin verschillen we ondanks de gezamenlijke taal wezenlijk van elkaar.’ Hertmans zelf draagt de familiegeschiedenis met zich mee. Hij is sociaal geëngageerd, en zo kijkt hij naar het Europa van nu. ‘Als je het sociaal-maatschappelijk goed hebt, is empathie de crux. Je moet je eigen persoonlijkheid oprekken om begrip te krijgen voor het perspectief van de ander.’

De ander, dat zijn groepen die in de knel zitten; vluchtelingen die naar Europa komen, gastarbeiders die naar Europa kwamen en waarvan een deel van de derde generatie in banlieues opgroeit en er in de maatschappij niet bij hoort. ‘Want als je Abdullah heet en solliciteert krijg je vaak geen baan. Dat is structureel racisme in de samenleving’, zegt hij. ‘En er is de groep van de gele hesjes. Die zijn moe, ze kunnen iedere maand amper de huur van hun appartementen en huizen betalen, ze komen niet in het centrum van de stad. En dan worden ze ook nog geconfronteerd met plannen om de diesel duurder te maken.’

Over het precariaat wordt de laatste jaren veel gezegd en geschreven, maar de linkse politiek weet er niet goed raad mee. Het zijn allerlei groepen, en niet alleen de laaggeschoolde ‘onderkant’. Hij noemt zzp’ers die bij Uber werken, IT-slaven, contractarbeiders in callcenters, kleine winkeliers die het hoofd nauwelijks boven water kunnen houden.

‘Vroeger was het proletariaat precair volgens de industriële structuur en maatschappelijk gezien een afgebakende stand’, zegt hij. ‘Ze waren een zichtbare massa zoals Elias Canetti in zijn meesterwerk Masse und Macht beschrijft. Hun noden werden behartigd door de socialistische partij, maar door de verandering van arbeid is links niet langer travaillistisch. De massamens is niet langer duidelijk afgebakend en de tijd waarin Sartre en Foucault schouder aan schouder stonden, de romantiek van de revolutie, die is voorbij. In 1968 was de protestgeneratie zo arrogant om te denken dat ze solidair kon zijn met de arbeiders. Maar beide standen begrepen elkaar eigenlijk niet, en het industriële tijdperk liep definitief op zijn einde. De erfenis van mei ’68 impliceerde dat alle gezag fout is, alle overheidsinstituten verdacht zijn en het klootjesvolk burgerlijk is. Dit soort argumenten is verhuisd van links naar populistisch rechts. Het wantrouwen van de elite behoort tot die paradoxale erfenis.’

‘En daar zien we nu, een halve eeuw later, weer een “ouderwetse” uiting van: in Brussel, Parijs, in Londen zijn weer massa’s op de been. Neem bijvoorbeeld de klimaatactivisten. Hier in België stond onze eigen versie van Greta Thunberg op, Anuna De Wever. De Strike-for-Climate-beweging mobiliseerde dertigduizend mensen in de straten van Brussel. Maar deze progressieve menigte deelt weinig met de gele hesjes. Die beschouwen de zorg voor het klimaat als een uiting van verwende kinderen, omdat voor hen de economische problematiek primeert. Dit soort confrontaties kunnen we niet volgens de oude ideologische schema’s vatten – vandaar de maatschappelijke crisis. De hoogopgeleide elite van Europa heeft vaak weinig oog voor de situatie van het precariaat.’

‘Het verbitterde precariaat kiest voor degenen die hun ondergang bespoedigen’

Dat is geen verwijt, zegt hij er meteen bij. Maar we hebben volgens hem wél een probleem met elkaar: gebrek aan solidariteit vanuit gedeelde waarden. ‘Het is een tijd van anachronisme: het oude is er niet meer, en het nieuwe begrijpen we nog niet goed. Ideologieën blijken dood, maar misschien hebben we juist nood aan een vorming van ideologie langs de nieuwe lijnen. We hebben ideologie verketterd na de val van de Muur. Daarna kwam er een fase van globalisering en de vrije markt van het gezonde verstand, terwijl het sociaal vangnet om de zwakkeren in de samenleving aan boord te houden uit elkaar viel. Ideologie is verworden tot een hoop tegensprekelijke kreten, de fragmenten vliegen in onze samenleving vrij rond. Dat is verwarrend en het bedreigt op Europees niveau de samenhang. De linkse partijen houden zich meer bezig met milieu- en identiteitspolitiek en blijken weinig te kunnen doen voor de groepen in de samenleving die economisch in een precaire situatie zitten. In die ideologische leegte blijft er voor veel mensen alleen een geroep over identiteit over, juist omdat ze het gevoel hebben geen plaats meer te hebben in het debat.’

Stefan Hertmans heeft een hekel aan elke vorm van identiteitspolitiek, die leidt volgens hem tot verdeel en heers, terwijl zowel het ‘witte’ als het ‘zwarte’ precariaat een gedeeld belang heeft. Daarbij refereert hij aan de Duitse filosoof Peter Sloterdijk die in Sphären III: Schäume spreekt over kleine schuimbubbeltjes waarin iedereen gevangen zit; het zijn bubbeltjes die mensen kwetsbaar en manipuleerbaar maken. Michel Houellebecq heeft als eerste die zwalpende klasse van moeilijk identificeerbare mensen getekend in zijn boek De wereld als markt en strijd. Hij liet de ellende van de atomaire samenleving zien, die was ontstaan uit het individualistische oproer van de jaren zestig. ‘In al het ongenoegen zit een aanzet tot klassenstrijd, alleen is er geen ideologie om die kracht te structureren en te sturen’, zegt hij. ‘Of moeten we het woord ideologie verbannen, en het een narratief noemen dat perspectief kan bieden? Alles over Europa begint met deze vaststelling: het is een crisis van de waarden die de middenpartijen samenhielden.’

Hij werpt retorisch op: wat moeten we met onze anachronistische politiek? Er is wel degelijk een verband tussen schijnbaar tegengestelde problemen als migratie, tewerkstelling, klimaat en sociale onrust. De vraag moet niet zijn: wie betaalt het gelag? Maar: waar begrijpen politici nog niet voldoende hoe de diepere lijnen lopen? ‘De representatieve democratie biedt blijkbaar geen oplossing. In troebele tijden kiest men dan voor de brutale vrijbuiter. De grofgebekte Trump, en varianten daarvan in Europa, zoals Nigel Farage. Ik vind die man moreel gesproken crapuleus; hij stuurt zijn kinderen naar een dure school die wordt gesubsidieerd met Europees geld en wanneer men hem daarop wijst in het Europees Parlement lacht hij uitdagend. Zij zijn de helden van het verbitterde, witte precariaat. Maar die kiezen voor degenen die hun ondergang zullen bespoedigen: de rauwe schreeuwers. Door die verruwing zoekt het precariaat naar een zondebok, die men makkelijk langs de racistische en regionale lijnen vindt, terwijl de problemen mondiaal en supranationaal zijn.’

Toch, zegt Hertmans, is hij geen pessimist, hij wil iemand blijven voor wie het glas halfvol is. Maar het is niet altijd makkelijk om via positieve waarden naar de huidige ontwikkelingen te kijken. Hij noemt de Franse president Emmanuel Macron die met zijn beweging La République en marche! probeert uit de politieke impasse te komen. ‘Hij is weliswaar bankierszoon…’, zegt hij.

Als ik mijn wenkbrauw optrek bij die betiteling met een negatieve connotatie, zegt hij snel dat het inderdaad flauw is om hem zijn afkomst te verwijten, maar dat hij wel degelijk wereldvreemd heeft gereageerd op de gele hesjes. ‘Laat ik het zo zeggen: ik wantrouw zijn ijdelheid. Maar ik bewonder zijn daadkracht, intelligentie en zijn pleidooi voor Europa. En hij trekt zich niet terug in Frans chauvinisme, hij probeert de Fransen te leren dat ze Europees moeten zijn. Merkel doet hetzelfde voor de Duitsers. Er is een essentieel verschil tussen “het volk” en “de bevolking”. “Volk” is een begrip dat anderen uitsluit, “bevolking” is de acceptatie van iedereen die samenleeft. De Europese structuur moet ervoor zorgen dat regionale, nationale en federale belangen beter op elkaar worden afgestemd.’

‘De morele thema’s van links ervaart de man in de straat als elitair’

Ja, zegt hij, hij weet heus wel dat het makkelijk praten is vanaf de zijlijn. Hij is geen politicus, hij is een schrijver die zo nu en dan een stevige stelling inneemt. Op het poëziefestival Days of Poetry and Wine (2017) schreef hij op uitnodiging van zijn Sloveense uitgever een ‘open brief aan Europa’ waarin hij kenbaar maakt hoe hij over Europa en zijn burgers denkt. Het gaat over de traditie van gastvrijheid voor vreemdelingen, en hij stelt daarin dat ‘de ware verscheurdheid van Europa er een is tussen twee typen mensen; degenen die met hun hart en de culturele waardigheid van hun geschiedenis willen proberen jou te helpen wanneer je aanspoelt, en anderen die jou willen rekenen bij wat de oude Grieken “barbaroi” zouden hebben genoemd: zij die alleen maar wat bar-bar-bar kunnen brabbelen, met andere woorden, zij die de bekende taal niet spreken en dus geen volwaardig mens zijn. Het gevolg is uitsluiting en miskenning van de rechten van de medemens.’

Hertmans betoogt dat de waarden van de Verlichting juist betekenden dat de Europese burger wakker, mondig en kritisch was, dus op eigen kracht kon denken, terwijl die nu is veranderd in een misnoegd pruttelende massamens die de druk van een mondiaal, gewetenloos kapitalisme voelt en boos is omdat de door hem verkozen politici blijkbaar ook niet meer weten hoe ze met de eigen waarden moeten omgaan.

Toch weer een pessimistisch beeld, geeft hij meteen toe. ‘Ik worstel er zelf ook mee. Ik ben links, ik ben opgevoed in de sfeer van een progressief katholicisme in de jaren zestig, ik vind het logisch om voor de zwakkeren in de samenleving op te komen. Maar omdat links de grote thema’s uit handen heeft moeten geven door de mondialisering van de economie, heeft het alleen nog morele thema’s overgehouden, waardoor het voor de slachtoffers van de harde liberale politiek alleen maar betuttelend overkomt. Die morele thema’s ervaart de man in de straat als elitair. De wapens zijn ons door het neoliberalisme uit handen geslagen, en ik snap dus ook de gele hesjes wel, hoewel ze lijden onder een gebrek aan ideologie. Het is een verbitterde groep die zowel linkse als rechtse krachten herbergt. Daardoor zijn ze ook machteloos en verdeeld. Hoe organiseer je waarden als solidariteit, tolerantie en empathie in een dergelijk verwarrende context? Politici slagen er niet meer in die duidelijk en overtuigend te verdedigen. Bovendien, die waarden zijn in de eerste plaats ook: practice what you preach.’

In Antigone in Molenbeek (2017) beschrijft Hertmans in een poëtische stijl het relaas van een jonge vrouw die de zus is van een zelfmoordterrorist en hem na diens daad tevergeefs probeert te vinden om hem te kunnen begraven. Het verhaal gaf hier en daar aanleiding tot een debat over cultural appropriation, culturele toe-eigening die hij, als witte geprivilegieerde man, niet hoort te doen. Hij zucht en mompelt dat het belang van literatuur staat en valt met het vermogen om zich in anderen te verplaatsen. ‘Ik kom in Brussel elke keer in contact met mensen die een andere logica hanteren, de samenleving daar kan alleen bestaan indien we ons wel degelijk iets van de ander kunnen toe-eigenen, van beide kanten. Maar er gebeuren ook zoveel prachtige, nieuwe dingen in zo’n Babylon als Brussel. Daar hoor je de media zelden over.’

Hij noemt buurten waar verschillende sociale groepen en nationaliteiten prima samenleven. ‘Ik heb bijvoorbeeld grote bewondering voor de mensen van het Brusselse Cinemaximiliaan. Het initiatief is ontstaan bij een jong echtpaar dat voor de vluchtelingen in het Maximiliaanpark films kwam vertonen. Mensen vanuit alle hoeken van de wereld kropen ’s nachts samen onder een dekzeil om films te kijken. Daaruit is een inspirerend art center ontstaan in een groot huis in Molenbeek waar asielzoekers en migranten prachtige concerten en films maken die getuigen over hun wedervaren. Dit soort mensen zijn wat mij betreft de helden van onze tijd. Ik denk dat je hier de voorhoede ziet van de wereld van morgen. In die zin zie ik Brussel ook als een laboratorium. Het is bepaald niet eenvoudig om samen te leven met 178 nationaliteiten, maar er is geen alternatief: de wereld is in beweging. En ik ben heus niet naïef – veel vluchtelingen nemen waarden mee die haaks staan op die van ons: vrouwenemancipatie en het respecteren van lgbt-rechten. Dat botst en schuurt, en het kan alleen maar opgelost raken door uitwisseling en samenleven.’

Kijk, zegt hij later tijdens een lunch in de keuken, op z’n Frans met wijn, brood, salade en aardbeien met blaadjes mint toe. ‘Ideologie betekent voor mij pragmatisme. Ik geloof dat Spinoza stelde dat je vooral aan vermindering van het lijden moet doen. Ik weet dat de oude begrippen als naastenliefde in een kwalijke reuk staan, maar veel, zo niet alles begint bij je individuele gedrag en taalgebruik. Taal is constitutief, zei Heidegger: ze beschrijft geen werkelijkheid, ze schept die, ze brengt die teweeg. Laten we dus over wat we Europa noemen positief blijven spreken, ook wanneer we de broodnodige kritiek formuleren. Want met afbraak alleen is niemand gediend.’


In de interviewserie Ach Europa! laten prominente schrijvers en denkers hun licht schijnen op het Europese ideaal en het contract met de Brusselse realiteit.