Van voor naar achter, van links naar rechts

Toen ik veertien was liep ik in het Vondelpark met het Provo-blaadje te colporteren. Ik was Provo, voorzover je dat als kind kunt zijn. Ik zeurde om een wit spijkerpak – en kreeg het van mijn moeder. Mijn vader vond Provo’s anarchisten, maar dat vond ik juist mooi.

Ik hou niet meer van anarchisten. Hoewel… Ik hou eigenlijk wel van ze, maar besef dat anarchisten te vaak te naïef zijn.

Op de middelbare school las ik Marx. Geweldig. Ik verdedigde Cuba, Castro en Che. Het communisme van Marx; ik las het Communistisch Manifest zoals ik ook Pim Pandoer had gelezen. Nachtlampje aan, dus tot diep in de nacht.

Op de middelbare school kwam opeens de leraar Frans de klas binnen. Het was juni ’68. ‘Jongelui, weten jullie waar ik de afgelopen weken was? In Parijs.’ En hij vertelde over mei ’68. We luisterden ademloos toe en keken naar de dia’s die hij had gemaakt.

Ik wilde ook een mei ’68.

Ik kreeg een held: Sartre. Daar had zelfs mijn vader boeken van.

Mijn held Sartre sanctioneerde op een bepaald moment het geweld van de RAF. Hij bezocht de RAF-leden zelfs in de gevangenis. Ik was – en ben het in het geheim nog steeds – een groot liefhebber van Sartre en verdedigde ook het geweld van de RAF.

We gingen studeren.

Ik heb destijds niet één rechtse student ontmoet. Ook niet in de kroegen waar ik kwam. Ze moeten er zijn geweest, maar ik weet niet waar. Vermoedelijk durfden ze niet aan de oppervlakte te komen, want alle professoren waren eveneens links.

De wereld bestond uit kapitalisten, dat waren fascisten, en socialisten, dat waren de goeden.

Abram de Swaan (of Lucas van der Land) vertelde eens aan ons dat de sociaal-democratie de beste uitvinding van de eeuw was. Hij legde uit waarom, en ik werd sociaal-democraat.

Waarom zijn er oude vrienden van mij die nog steeds marxist zijn?

Volgens mijn dochter ben ik nu een rechtse klootzak.

Ik heb al deze verhalen al eens verteld en ik vertel ze weer om te laten zien dat ik die IS-jongeren begrijp. Er was alleen een stap die ik niet zette: die van het geweld. Ik sanctioneerde in bepaalde gevallen geweld – dat doe ik nog – maar daadwerkelijk zelf de wapens opnemen, weigerde ik.

Als ik de hierboven geschetste verhalen vertel, hoor ik: ‘Maar dan weet je toch dat wat die IS-jongens doen niets met de islam te maken heeft. Jij was net zo.’

Ik schud dan mijn hoofd.

Mijn visie op de wereld was destijds ideologisch geïnspireerd door de uitgangspunten van het marxisme. Onderklasse, kapitalisme, historisch materialisme, vervreemding, ik kon ermee rekenen en schrijven.

Dat kunnen die IS-jongens met de islam. Het is wel eens eerder geformuleerd – ik weet niet door wie – maar ik zeg het graag na: wat fout is aan de fundamentalistische islam zijn de fundamenten van de islam. Zoals er ook aperte fouten zitten in het marxisme.

Alle idealismen leiden uiteindelijk tot dood en verderf.

Afvallig werd ik door vrienden, Karel van het Reve, discussies, W.F. Hermans, Reve – de schrijvers van wie ik hield, waren allesbehalve marxist.

Maar mijn Werdegang is niet interessant want neigt naar arrogantie; waarom zijn er oude vrienden van mij die nog steeds marxist zijn?

Ze voelen zich thuis bij het abracadabra van hun ideaal, ze genieten van de rituelen, de gezangen, ze krijgen tranen in hun ogen bij strijdliederen, de folklore, de herinneringen, de visie op het socialistisch paradijs dat altijd binnen bereik was en is. Daarvan afstand doen, is op een bepaald niveau hoogverraad en dat is wat ze mij ook verwijten. En ik zou liegen als ik dat niet ook zo voel.

Misschien ben ik naïef, dan lijd ik aan de tragiek van een wellicht misplaatste intellectuele attitude.

Van voor naar achter, van links naar rechts